Materiële en sociale deprivatie

Meer dan een op vijf Belgen kan zich geen vakantie veroorloven

Huishoudens
Meer dan een op vijf Belgen kan zich geen vakantie veroorloven

Meer dan een op vijf Belgen is niet in staat om zich minstens een week vakantie buitenshuis te veroorloven (20,3%). In Wallonië en Brussel gaat het om zo’n derde van de bevolking (30,6% en 28,2%), in Vlaanderen om 13,2% van de bevolking.

Dat blijkt uit de eerste resultaten van de enquête naar inkomens en levensomstandigheden in 2021 (EU-SILC). In deze eerste publicatie focust Statbel, het Belgische statistiekbureau, op de materiële en sociale situatie van de Belgen. Meer dan 7.500 gezinnen werden bevraagd over welke uitgaven zij zich kunnen veroorloven en over hun sociale contacten. 6,3% van de Belgische bevolking wordt geconfronteerd met een situatie van ernstige materiële en sociale deprivatie.

Nieuwe indicator meet 13 aspecten

Ernstige materiële en sociale deprivatie meten we voortaan aan de hand van een nieuwe Europese indicator (‘severe material and social deprivation’ of SMSD). 13 materiële bezittingen of sociale handelingen worden gemeten. Wie zich 7 van die aspecten niet kan veroorloven om financiële redenen, noemen we ‘ernstig materiaal en sociaal gedepriveerd’. In 2021 bevond 6,3% van de Belgische bevolking zich in deze situatie. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest was 11,5% van de bevolking ernstig materieel en sociaal gedepriveerd, terwijl dat in het Waals Gewest 8% en in het Vlaams Gewest 4,4% was.

Onmogelijkheid om ... België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
tijdig betalingen te kunnen doen 4,2% 7,6% 2,6% 6,1%
een week vakantie per jaar te nemen buitenshuis 20,3% 28,2% 13,2% 30,6%
minstens om de twee dagen vlees, kip of vis te eten 3,7% 8,9% 1,4% 5,9%
een onverwachte uitgave te doen 22,3% 35,7% 14,0% 32,9%
zich een eigen wagen te veroorloven 5,8% 17,4% 3,9% 5,3%
de woning degelijk te verwarmen 3,5% 5,6% 1,9% 5,8%
beschadigde of versleten meubels te vervangen 14,4% 22,3% 10,0% 19,6%
versleten kledij te vervangen door nieuwe kledij 8,6% 14,8% 6,4% 10,6%
twee paar schoenen in goede staat (waarvan één paar gesloten schoenen) 3,2% 3,2% 2,7% 4,2%
thuis toegang tot internet te hebben 1,8% 2,0% 1,5% 2,2%
minstens éénmaal per maand met vrienden of familie af te spreken om iets te eten of te drinken 9,2% 14,7% 7,1% 11,2%
regelmatig deelnemen aan vrijetijdsactiviteiten zoals sport, film, concerten, enz. 11,1% 16,5% 8,5% 14,1%
wekelijks een bedrag uit te geven voor persoonlijke behoeften 11,9% 18,9% 7,3% 17,9%
SMSD - Ernstige materiële en sociale deprivatie (7 van de 13 items)  6,3% 11,5% 4,4% 8,0%
MSD - Materiële en sociale deprivatie (5 van de 13 items)  10,2% 17,2% 6,7% 14,1%

Meer over dit thema....

 

SMSD
Content

Percentage van de bevolking dat ernstig materieel en sociaal gedepriveerd is (SMSD)

Ernstige materiële en sociale deprivatie - België 2019 2020 2021
Totaal 6,3% 6,7% 6,3%
Per gewest
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 13,7% 13,5% 11,5%
Vlaams Gewest 3,6% 3,9% 4,4%
Waals Gewest 8,6% 9,5% 8,0%
Per geslacht
Mannen 6,2% 6,5% 6,2%
Vrouwen 6,4% 6,9% 6,4%
Per leeftijdsgroep
0-17 8,4% 8,1% 8,6%
18-24 4,9% 5,8% 4,7%
25-49 6,3% 7,0% 6,6%
50-64 7,2% 7,5% 6,8%
65+ 3,1% 4,0% 3,0%
Per type van huishouden
1 volwassene met kind(eren) 17,2% 19,3% 16,9%
2 volwassenen met kind(eren) 5,0% 5,2% 5,6%
2 volwassenen zonder kind, van wie minstens 1 ouder dan 64 jaar 2,0% 2,1% 2,5%
2 volwassenen zonder kind ,jonger dan 65 jaar 4,2% 4,9% 3,4%
Alleenstaand 11,1% 11,6% 9,6%
Andere 4,4% 4,7% 4,2%
MSD
Content

Percentage van de bevolking dat materieel en sociaal gedepriveerd is (MSD)

Materiële en sociale deprivatie - België 2019 2020 2021
Totaal 11,0% 11,0% 10,2%
Per gewest
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 21,2% 20,5% 17,2%
Vlaams Gewest 6,5% 6,6% 6,7%
Waals Gewest 15,9% 15,8% 14,1%
Per geslacht
Mannen 10,8% 10,6% 9,9%
Vrouwen 11,3% 11,5% 10,4%
Per leeftijdsgroep
0-17 13,1% 11,9% 12,1%
18-24 8,5% 10,4% 9,9%
25-49 11,4% 11,4% 10,6%
50-64 12,7% 13,2% 11,4%
65+ 7,0% 7,2% 5,9%
Per type van huishouden
1 volwassene met kind(eren) 29,7% 28,6% 24,6%
2 volwassenen met kind(eren) 8,6% 9,2% 9,2%
2 volwassenen zonder kind, van wie minstens 1 ouder dan 64 jaar 4,9% 4,4% 4,4%
2 volwassenen zonder kind ,jonger dan 65 jaar 8,6% 7,5% 5,5%
Alleenstaand 18,4% 18,7% 15,8%
Andere 7,6% 7,6% 7,5%

Doel en korte beschrijving.

EU-SILC (European Union – Statistics on Income and Living Conditions) is een enquête naar inkomens en levensomstandigheden en een belangrijk instrument om zowel op Belgisch als op Europees niveau armoede en sociale uitsluiting in kaart te brengen.

De doelstelling van deze enquête is te komen tot een globaal kader voor de productie van 'communautaire' statistische gegevens betreffende inkomen en levensomstandigheden (EU-SILC), met inbegrip van zowel coherente cross-sectionele als longitudinale gegevens over inkomen en armoede (niveau, samenstelling, ...) op nationaal en Europees niveau.

Populatie

Private huishoudens

Dataverzamelingsmethode en eventuele steekproefomvang

CAPI (Computer Assisted Personal Interview) – Omwille van de COVID-19 situatie tijdelijke overgeschakeling naar CATI (Compter Assisted Telephone Interview)

Respons

± 60% (N= ± 7000 huishoudens).

Frequentie

Jaarlijks.

Timing publicatie

Eerste trimester na enquêtejaar

Formulieren

Definities

Risico op armoede of sociale uitsluiting (AROPE)

Risico op armoede of sociale uitsluiting, afgekort AROPE, verwijst naar de situatie waarin personen geconfronteerd worden met minstens één van de 3 volgende armoederisico’s: monetaire armoede, ernstige materiële en sociale deprivatie of leven in een huishouden met zeer lage werkintensiteit. De AROPE-graad, het aandeel van de totale bevolking dat een risico op armoede of sociale uitsluiting loopt, is de belangrijkste indicator om toezicht te houden op het ‘EU 2030’-streefdoel inzake armoede en sociale uitsluiting.

Armoederisico = Risico op monetaire armoede (AROP)

Het armoederisico (AROP) verwijst naar het percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen (na sociale transfers) dat onder de armoededrempel ligt.

De indicator meet geen rijkdom of armoede in sé, maar een laag inkomen in vergelijking met anderen in dat land. Dit impliceert niet noodzakelijk een lage levensstandaard.

Armoederisico voor sociale transfers: Percentage personen waarvan het equivalent inkomen na deductie van alle sociale transfers onder de armoededrempel valt.

Armoederisico voor sociale transfersexclusief pensioenen: Percentage personen waarvan het equivalent inkomen na deductie van sociale transfers, met uitzondering van pensioen, onder de armoededrempel valt.

Ernstige materiële deprivatie (SMD)

De mate van materiële deprivatie is een indicator die het onvermogen uitdrukt om sommige items die door de meeste mensen worden beschouwd als wenselijk of zelfs noodzakelijk om een adequaat leven te leiden, te veroorloven. De indicator maakt onderscheid tussen personen die een bepaald goed of een bepaalde dienst niet kunnen betalen, en degenen die dit goed of deze dienst niet hebben om een andere reden, bijvoorbeeld omdat ze het niet willen of niet nodig hebben.
De indicator meet het percentage van de bevolking dat zich ten minste drie van de volgende negen items niet kan veroorloven:

  1. om hun huur, hypotheek of nutsrekeningen te betalen;
  2. om hun huis voldoende warm te houden;
  3. om onverwachte uitgaven te maken;
  4. regelmatig eten van vlees of eiwitten;
  5. om op vakantie te gaan;
  6. een kleurentelevisie;
  7. een wasmachine;
  8. een auto;
  9. een telefoon.

Ernstige mate van materiële deprivatie (SMD) wordt gedefinieerd als het gedwongen onvermogen om te betalen voor ten minste vier van de bovengenoemde items.

Lage werkintensiteit (LWI)

De indicator personen die leven in huishoudens met een zeer lage werkintensiteit, wordt gedefinieerd als het aantal personen in een huishouden waar de leden in beroepsactieve leeftijd minder dan 20% van hun totale potentieel werkten gedurende de voorgaande twaalf maanden.
De werkintensiteit van een huishouden is de verhouding van het totale aantal maanden dat alle leden van het huishouden in de werkende leeftijd hebben gewerkt tijdens het inkomensreferentiejaar en het totale aantal maanden dat dezelfde leden van het huishouden theoretisch in dezelfde periode zouden kunnen gewerkt hebben.
Een werknemer in de werkende leeftijd is een persoon van 18-59 jaar, met uitsluiting van studenten in de leeftijdsgroep tussen 18 en 24 jaar.
Huishoudens die alleen uit kinderen, studenten van minder dan 25 jaar en/of mensen van 60 jaar of ouder bestaan, zijn volledig uitgesloten van de indicatorberekening.

Meer definities...

Opmerkingen

Breuk in de reeks in 2013 betreffende de werklozen - Tot 2012 werden bruggepensioneerden op basis van de aard van hun inkomen beschouwd als werklozen.

Vanaf 2013 werd deze categorie mensen ingedeeld bij de gepensioneerden, mensen met vervroegd pensioen of mensen ter beschikking gesteld voorafgaand aan het pensioen. Dat sluit beter aan bij de onderverdeling die Eurostat beoogt, en waarin staat dat bruggepensioneerden alleen als werklozen mogen worden beschouwd als ze de intentie hebben om de arbeidsmarkt opnieuw te betreden.

De stijging van het armoedecijfer bij werklozen in 2013 heeft dus een technische oorzaak en geeft geen wijziging van de reële situatie weer.

SILC 2016 tot 2018: cijfers herzien op 12/03/2020

SILC 2019: breuk in tijdsreeks als gevolg van een ingrijpende hervorming van de enquête 

SILC 2020: Impact COVID-19 situatie op resultaten SILC 2020

SILC 2021: Vanaf SILC 2021 wordt ‘onroerende voorheffing’ opgenomen in het beschikbaar inkomen.

Wetgeving

EU-SILC 2004 tot 2020 werd uitgevoerd onder een kaderverordening, verplicht voor alle EU lidstaten: VERORDENING (EG) Nr. 1177/2003 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 16 juni 2003 inzake de communautaire statistiek van inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC).

Vanaf SILC 2021 is er de VERORDENING (EU) 2019/1700 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD. Deze kaderverordening voor geïntegreerde Europese sociale statistieken (IESS) en de onderliggende uitvoeringsverordeningen voor EU-SILC vormen het nieuwe juridisch kader. De uitwerking van de statistische infrastructuur onder IESS wordt ondersteund door middel van Europese subsidies.

Metadata

Rapporten en artikels