Materiële en sociale deprivatie

Bijna één Belg op tien leeft in materiële en sociale deprivatie

Huishoudens
Bijna één Belg op tien leeft in materiële en sociale deprivatie

9,4% van de Belgische bevolking leeft in materiële en sociale deprivatie (MSD). Dat blijkt uit de laatste cijfers[1] van de enquête naar inkomens en levensomstandigheden SILC 2025, die Statbel, het Belgische statistiekbureau, heeft uitgevoerd bij meer dan 6.400 huishoudens. Met andere woorden, bijna één Belg op tien heeft niet voldoende middelen voor ten minste 5 van de 13 essentiële aspecten van het dagelijkse leven (verwarming, onverwachte uitgaven, toegang tot vrijetijdsactiviteiten, enz.), wat de levenskwaliteit sterk vermindert. De twee meest voorkomende moeilijkheden zijn het kunnen opvangen van een onverwachte uitgave (van ongeveer € 1.450) en het zich kunnen veroorloven om één week vakantie per jaar buitenshuis te nemen.

Verder bevindt  4,9% van de bevolking zich in 2025 in een situatie van ernstige materiële en sociale deprivatie (SMSD). Met andere woorden, bijna één Belg op twintig beschikt niet over voldoende middelen om in ten minste 7 van de 13 essentiële aspecten van het dagelijkse leven te voorzien, wat hun precaire situatie nog meer verergert.

Als we kijken naar de 13 criteria die samen de indicatoren voor materiële en sociale deprivatie vormen, zien we dat de twee meest voorkomende moeilijkheden te maken hebben met de mogelijkheid om onverwachte uitgaven te kunnen opvangen en om zich elk jaar één week vakantie buitenshuis te kunnen veroorloven. 22,1% van de Belgische bevolking geeft aan niet in staat te zijn een onverwachte uitgave (van ongeveer € 1.450) te kunnen doen en 19,5% geeft aan dat ze zich één week vakantie buitenshuis niet kunnen veroorloven. Aan de andere kant van het spectrum geeft 0,8% van de Belgische bevolking aan dat ze zich thuis geen internetverbinding kunnen veroorloven en 1,7% kan zich geen twee paar schoenen veroorloven.

De situatie verschilt sterk van gewest tot gewest

Brussel heeft voor de meeste aspecten de hoogste deprivatiepercentages: zo kan 40,7% bijvoorbeeld geen onverwachte uitgave betalen, tegenover 31,6% in Wallonië en 13,6% in Vlaanderen. Over het algemeen heeft het Vlaams Gewest systematisch de laagste deprivatiepercentages: 2,5% is bijvoorbeeld niet in staat om rekeningen op tijd te betalen, tegenover 9,1% in Wallonië en 7,4% in Brussel.  Wallonië valt vaak tussen deze twee uitersten in, maar blijft voor de meeste indicatoren boven het nationale niveau.

Criteria van materiële en sociale deprivatie per gewest

Onmogelijkheid om … (wegens financiële redenen) België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
tijdig betalingen te kunnen doen 5,1% 7,4% 2,5% 9,1%
een week vakantie per jaar te nemen buitenshuis 19,5% 32,3% 13,0% 27,3%
minstens om de twee dagen vlees, kip of vis te eten 4,8% 12,8% 2,0% 7,5%
een onverwachte uitgave te doen 22,1% 40,7% 13,6% 31,6%
zich een eigen wagen te veroorloven 5,7% 17,2% 3,7% 5,4%
de woning degelijk te verwarmen 4,2% 9,6% 1,4% 7,6%
beschadigde of versleten meubels te vervangen 15,3% 30,9% 9,6% 20,4%
versleten kledij te vervangen door nieuwe kledij 7,0% 13,0% 5,0% 8,6%
twee paar schoenen in goede staat (waarvan één paar gesloten schoenen) te hebben 1,7% 3,1% 1,0% 2,5%
thuis toegang tot internet te hebben 0,8% 1,2% 0,5% 1,3%
minstens éénmaal per maand met vrienden of familie af te spreken om iets te eten of te drinken 8,1% 12,4% 6,0% 10,4%
regelmatig deel te nemen aan vrijetijdsactiviteiten zoals sport, film, concerten, enz. 10,6% 11,5% 6,9% 17,2%
wekelijks een bedrag uit te geven voor persoonlijke behoeften 11,4% 20,8% 6,1% 18,0%

Niet in staat zijn om rekeningen op tijd te betalen

Rekeningen niet op tijd kunnen betalen is een van de meest directe tekenen van financiële moeilijkheden. In 2025 verklaarde 5,1% van de Belgische bevolking dat ze omwille van financiële redenen hun rekeningen (huur, hypothecaire lening, energie, water, enz.) niet op tijd konden betalen.

Dit verschilt sterk van gewest tot gewest. Het Waals Gewest heeft de hoogste percentages, vooral in de provincie Henegouwen, waar 15,0% van de bevolking getroffen is. De provincies Luik (6,4%) en Namen (5,7%) hebben ook niveaus boven het nationale gemiddelde. De Vlaamse provincies registreerden daarentegen lagere percentages, onder andere in West-Vlaanderen (1,9%), Vlaams-Brabant (2,0%) en Limburg (2,2%). Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zit met 7,4% boven het nationale gemiddelde.

Bepaalde socio-economische kenmerken gaan gepaard met een hoger risico op achterstallige betalingen van rekeningen:

  • Dit fenomeen treft meer mensen met een laag opleidingsniveau (6,8%) dan mensen met een hoog opleidingsniveau (2,3%).
  • Het statuut op arbeidsmarkt blijkt ook een discriminerende factor te zijn: 16,2% van de werklozen verklaart dat ze hun rekeningen niet op tijd kunnen betalen, tegenover 4,1% van de zelfstandigen, 2,9% van de werknemers en 1,5% van de gepensioneerden.
  • Ook de woonsituatie speelt een belangrijke rol. In het bijzonder huurders lopen een risico:10,0% van hen heeft te kampen met betalingsachterstanden tegenover 3,2% van de eigenaars.
  • Wat de samenstelling van het huishouden betreft, hebben eenoudergezinnen (9,6%) hogere percentages dan huishoudens die bestaan uit twee volwassenen met kind(eren) (5,9%) en alleenwonenden (4,9%).


[1] De betrouwbaarheidsintervallen van de MSD 2025 werden op 4/03/2026 gereviseerd.

SMSD
Content

Percentage van de bevolking dat ernstig materieel en sociaal gedepriveerd is (SMSD)

Ernstige materiële en sociale deprivatie - België 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025
Totaal 6,2% 6,7% 6,2% 5,7% 6,1% 6,2% 4,9%
Per gewest
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 13,8% 13,6% 11,5% 11,2% 14,0% 13,9% 9,9%
Vlaams Gewest 3,6% 3,8% 4,4% 3,2% 3,4% 3,4% 3,0%
Waals Gewest 8,5% 9,5% 7,9% 8,5% 8,5% 8,7% 6,6%
Per geslacht
Mannen 6,1% 6,4% 6,1% 5,4% 6,0% 5,9% 4,6%
Vrouwen 6,3% 6,9% 6,4% 6,1% 6,3% 6,5% 5,1%
Per leeftijdsgroep
0-17 8,4% 7,9% 8,6% 7,5% 7,7% 7,9% 6,8%
18-24 4,7% 5,6% 4,6% 4,4% 4,3% 6,2% 3,1%
25-49 6,4% 7,1% 6,7% 5,9% 7,2% 6,6% 4,9%
50-64 7,1% 7,5% 6,7% 6,2% 6,0% 6,6% 5,6%
65+ 3,1% 4,1% 3,0% 3,5% 3,6% 3,1% 2,7%
Per type van huishouden
1 volwassene met kind(eren) 16,7% 18,7% 16,6% 16,2% 13,9% 12,4% 12,2%
2 volwassenen met kind(eren) 4,9% 5,1% 5,7% 4,7% 5,4% 6,1% 4,4%
2 volwassenen zonder kind, van wie minstens 1 ouder dan 64 jaar 2,0% 2,1% 2,4% 2,1% 1,9% 1,5% 1,1%
2 volwassenen zonder kind, jonger dan 65 jaar 4,2% 5,0% 3,4% 3,5% 3,0% 3,0% 2,8%
Alleenstaand 11,1% 11,5% 9,6% 9,6% 10,5% 9,4% 8,2%
Andere 4,6% 4,9% 3,9% 5,0% 6,6% 6,0% 3,2%
MSD
Content

Percentage van de bevolking dat materieel en sociaal gedepriveerd is (MSD)

Materiële en sociale deprivatie - België 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025
Totaal 10,9% 10,9% 10,1% 9,4% 10,5% 11,1% 9,4%
Per gewest
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 21,5% 20,4% 17,2% 16,9% 19,6% 21,5% 18,5%
Vlaams Gewest 6,5% 6,6% 6,8% 5,4% 6,1% 6,5% 5,2%
Waals Gewest 15,5% 15,7% 14,0% 14,4% 15,5% 16,2% 14,1%
Per geslacht
Mannen 10,6% 10,4% 9,9% 8,8% 10,0% 10,5% 9,0%
Vrouwen 11,2% 11,4% 10,4% 10,1% 11,1% 11,8% 9,8%
Per leeftijdsgroep
0-17 13,0% 11,7% 12,2% 10,5% 12,0% 13,8% 11,7%
18-24 8,3% 10,3% 9,9% 8,2% 10,0% 11,1% 8,1%
25-49 11,4% 11,4% 10,6% 9,8% 11,7% 11,7% 9,8%
50-64 12,5% 13,1% 11,2% 10,9% 11,1% 12,4% 10,7%
65+ 7,0% 7,2% 5,9% 6,7% 6,6% 6,0% 5,6%
Per type van huishouden
1 volwassene met kind(eren) 29,4% 27,9% 24,8% 24,9% 23,0% 23,1% 20,8%
2 volwassenen met kind(eren) 8,4% 9,1% 9,3% 7,5% 9,4% 10,9% 8,8%
2 volwassenen zonder kind, van wie minstens 1 ouder dan 64 jaar 4,9% 4,5% 4,4% 4,2% 4,0% 3,5% 3,0%
2 volwassenen zonder kind, jonger dan 65 jaar 8,7% 7,5% 5,6% 5,5% 6,5% 7,1% 6,4%
Alleenstaand 18,4% 18,6% 15,8% 16,8% 16,8% 16,2% 14,9%
Andere 7,6% 7,8% 7,0% 8,4% 10,5% 9,5% 6,3%

Doel en korte beschrijving.

EU-SILC (European Union – Statistics on Income and Living Conditions) is een enquête naar inkomens en levensomstandigheden en een belangrijk instrument om zowel op Belgisch als op Europees niveau armoede en sociale uitsluiting in kaart te brengen.

De doelstelling van deze enquête is te komen tot een globaal kader voor de productie van 'communautaire' statistische gegevens betreffende inkomen en levensomstandigheden (EU-SILC), met inbegrip van zowel coherente cross-sectionele als longitudinale gegevens over inkomen en armoede (niveau, samenstelling, ...) op nationaal en Europees niveau.

De enquête wordt in België en in de andere EU-lidstaten uitgevoerd en wordt gecoördineerd door de statistische dienst van de Europese Unie, EUROSTAT. In België wordt de SILC georganiseerd door Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium).

Populatie

Private huishoudens in België

Dataverzamelingsmethode en eventuele steekproefomvang

CAPI (Computer Assisted Personal Interview) – CATI (Computer Assisted Telephone Interview)

Respons

± 60% (N= ± 6.000 huishoudens)

Frequentie

Jaarlijks.

Timing publicatie

Eerste trimester na enquêtejaar

Formulieren

Definities

Risico op armoede of sociale uitsluiting (AROPE)

Risico op armoede of sociale uitsluiting, afgekort AROPE, verwijst naar de situatie waarin personen geconfronteerd worden met minstens één van de 3 volgende armoederisico’s: monetaire armoede, ernstige materiële en sociale deprivatie of leven in een huishouden met zeer lage werkintensiteit. De AROPE-graad, het aandeel van de totale bevolking dat een risico op armoede of sociale uitsluiting loopt, is de belangrijkste indicator om toezicht te houden op het ‘EU 2030’-streefdoel inzake armoede en sociale uitsluiting.

Armoederisico = Risico op monetaire armoede (AROP)

Het armoederisico (AROP) verwijst naar het percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen (na sociale transfers) dat onder de armoededrempel ligt.

De indicator meet geen rijkdom of armoede in sé, maar een laag inkomen in vergelijking met anderen in dat land. Dit impliceert niet noodzakelijk een lage levensstandaard.

Armoederisico voor sociale transfers: Percentage personen waarvan het equivalent inkomen na deductie van alle sociale transfers onder de armoededrempel valt.

Armoederisico voor sociale transfersexclusief pensioenen: Percentage personen waarvan het equivalent inkomen na deductie van sociale transfers, met uitzondering van pensioen, onder de armoededrempel valt.

Materiële en sociale deprivatie (MSD) en Ernstige materiële en sociale deprivatie (SMSD)

De mate van materiële en sociale deprivatie is een indicator die het onvermogen uitdrukt om sommige items die door de meeste mensen worden beschouwd als wenselijk of zelfs noodzakelijk om een adequaat leven te leiden, te veroorloven. De indicator maakt onderscheid tussen personen die een bepaald goed, een bepaalde dienst of een bepaalde activiteit niet kunnen betalen en degenen die dit goed of deze dienst niet hebben om een andere reden, bijvoorbeeld omdat ze het niet willen of niet nodig hebben.

De EU-SILC enquête bevraagt huishoudens naar hun financiële (on)mogelijkheid om:

  1. Rekeningen op tijd te betalen
  2. Een week vakantie per jaar buitenshuis te nemen
  3. Minstens om de twee dagen vlees, kip, vis of een vegetarisch alternatief te eten
  4. Een onverwachte uitgave te doen
  5. Zich een eigen wagen te veroorloven
  6. Het huis voldoende te verwarmen
  7. Beschadigde of versleten meubels te vervangen

Daarenboven worden personen gevraagd naar hun individuele financiële (on)mogelijkheid om:

  1. Versleten kledij te vervangen door nieuwe kledij
  2. Twee paar schoenen in goede staat te hebben
  3. Thuis toegang tot internet te hebben
  4. Minstens éénmaal per maand met vrienden of familie af te spreken om iets te eten of te drinken
  5. Regelmatig deel te nemen aan vrijetijdsactiviteiten
  6. Wekelijks een bedrag uit te geven voor persoonlijke behoeften

Materiële en sociale deprivatie (MSD) wordt gedefinieerd als het gedwongen onvermogen om te betalen voor ten minste 5 van de bovengenoemde items.

Ernstige materiële en sociale deprivatie (SMSD) wordt gedefinieerd als het gedwongen onvermogen om te betalen voor ten minste 7 van de bovengenoemde items.

Lage werkintensiteit (LWI)

De indicator personen die leven in huishoudens met een zeer lage werkintensiteit, wordt gedefinieerd als het aantal personen in een huishouden waar de leden in beroepsactieve leeftijd minder dan 20% van hun totale potentieel werkten gedurende de voorgaande twaalf maanden.
De werkintensiteit van een huishouden is de verhouding van het totale aantal maanden dat alle leden van het huishouden in de werkende leeftijd hebben gewerkt tijdens het inkomensreferentiejaar en het totale aantal maanden dat dezelfde leden van het huishouden theoretisch in dezelfde periode zouden kunnen gewerkt hebben.
Een werknemer in de werkende leeftijd is een persoon van 18-59 jaar, met uitsluiting van studenten in de leeftijdsgroep tussen 18 en 24 jaar.
Huishoudens die alleen uit kinderen, studenten van minder dan 25 jaar en/of mensen van 60 jaar of ouder bestaan, zijn volledig uitgesloten van de indicatorberekening.

Onderwijsniveau

Laaggeschoolden zijn die personen die maximaal een diploma hebben van het lager secundair onderwijs. Middengeschoolden zijn personen die een diploma behaald hebben van het hoger secundair onderwijs, maar geen diploma van het hoger onderwijs. Hooggeschoolden hebben een diploma van het hoger onderwijs.

Meer definities...

Opmerkingen

SILC 2013: breuk in de tijdsreeks

SILC 2016 tot 2018: cijfers herzien op 12/03/2020

SILC 2019: breuk in tijdsreeks als gevolg van een ingrijpende hervorming van de enquête 

SILC 2020: Impact COVID-19 situatie op resultaten SILC 2020

SILC 2021: Vanaf SILC 2021 wordt ‘onroerende voorheffing’ opgenomen in het beschikbaar inkomen.

SILC 2019 tot 2024: cijfers herzien op 01/10/2025

In de kwaliteitsrapporten vanaf SILC 2021 is er telkens een bijlage 8 ‘Break in time series’ met meer gedetailleerde informatie over breuken in de reeks.

Wetgeving

EU-SILC 2004 tot 2020 werd uitgevoerd onder een kaderverordening, verplicht voor alle EU lidstaten: VERORDENING (EG) Nr. 1177/2003 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 16 juni 2003 inzake de communautaire statistiek van inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC).

Vanaf SILC 2021 is er de VERORDENING (EU) 2019/1700 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD. Deze kaderverordening voor geïntegreerde Europese sociale statistieken (IESS) en de onderliggende uitvoeringsverordeningen voor EU-SILC vormen het nieuwe juridisch kader. De uitwerking van de statistische infrastructuur onder IESS wordt ondersteund door middel van Europese subsidies.

Metadata

Rapporten en artikels