Materiële en sociale deprivatie

Materiële en sociale deprivatie in 2020

Huishoudens
Materiële en sociale deprivatie in 2020

In 2020 werd 10,9% van de Belgische bevolking geconfronteerd met een situatie van materiële en sociale deprivatie. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van Statbel, het Belgische statistiekbureau. Deze voorlopige resultaten komen uit de EU-SILC-enquête 2020. Dit zijn de eerste beschikbare armoede-indicatoren in België in 2020. Ze zullen in de komende maanden aangevuld worden met monetaire indicatoren.

  • Er zijn uitgesproken verschillen tussen de drie gewesten: 21,7% van de Brusselaars bevond zich in een precaire situatie, terwijl het in Wallonië om 15,5% en in Vlaanderen om 6,3% van de bevolking ging.
  • In 2020 was ongeveer een kwart van de Belgen financieel niet in staat om een onverwachte uitgave te doen en kon 2% zich thuis geen internetverbinding veroorloven.
  • Alleenstaande ouders en hun kinderen hadden het beduidend zwaarder dan de andere categorieën. 27,4% van hen bevond zich in een situatie van materiële en sociale deprivatie.
  • Bovendien is het aandeel van de bevolking dat leeft in een huishouden dat verklaarde (grote) moeilijkheden te hebben om de eindjes aan elkaar te knopen 17%.
  • Tot slot schatte 10% van de bevolking dat hun totale inkomen in 2020 is gedaald ten opzichte van 12 maanden eerder en 6% verwacht dat hun totale inkomen in de komende 12 maanden zal dalen.
  • In vergelijking met de cijfers van de EU-SILC-enquête 2019 zijn de resultaten zeer stabiel gebleven. De impact van de COVID-19-crisis is niet merkbaar in deze subjectieve indicatoren.

Percentage van de bevolking dat materieel en sociaal gedepriveerd is

Materiële en sociale deprivatie - België 2019 2020*
Totaal 11,0% 10,9%
Per gewest
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 21,2% 21,7%
Vlaams Gewest 6,5% 6,3%
Waals Gewest 15,9% 15,5%
Per geslacht
Mannen 10,8% 10,5%
Vrouwen 11,3% 11,3%
Per leeftijdsgroep
0-17 13,1% 11,8%
18-24 8,5% 10,2%
25-49 11,4% 11,4%
50-64 12,7% 12,7%
65+ 7,0% 6,9%
Per type van huishouden
1 volwassene met kind(eren) 29,7% 27,4%
2 volwassenen met kind(eren) 8,6% 9,3%
2 volwassenen zonder kind, van wie minstens 1 ouder dan 64 jaar 4,9% 4,2%
2 volwassenen zonder kind ,jonger dan 65 jaar 8,6% 8,1%
Alleenstaand 18,4% 17,8%
Andere 7,6% 7,5%

* 2020: voorlopige cijfers

Dertien items voor België en de gewesten

Materiële en sociale deprivatie betekent dat men zich de gangbare levensstandaard niet kan veroorloven. Iemand wordt als gedepriveerd beschouwd wanneer die zich minstens vijf van onderstaande materiële bezittingen of (sociale) handelingen niet kan veroorloven.

In 2020 was ongeveer een kwart van de Belgen financieel niet in staat om een onverwachte uitgave te doen. 5,7% van hen had niet de financiële capaciteit om hun rekeningen op tijd te betalen en 2,1% kon zich thuis geen internetverbinding veroorloven.

Achter de nationale cijfers schuilen echter grote regionale verschillen. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kon 44,2% van de mensen geen onverwachte uitgave doen, tegenover 36% in het Waals Gewest en 12,7% in het Vlaams Gewest. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gaf ook 27,8% van de mensen aan dat ze niet elke week een klein bedrag voor zichzelf konden uitgeven. In het Waals gewest was dat 17,8%, in het Vlaams gewest 7,5%. Bovendien had 11,2% van de Brusselaars onvoldoende middelen om hun huis degelijk te verwarmen. In Wallonië en Vlaanderen was dat respectievelijk 7,1% en 1,7%.

Materiële en sociale deprivatie items in België en de gewesten - 2020

  Financiële onmogelijkheid om: BE BRL VG WG
1. rekeningen op tijd te betalen 5,7% 10,8% 3,5% 8,1%
2. een week vakantie per jaar te nemen buitenshuis 21,0% 27,6% 14,0% 31,5%
3. minstens om de twee dagen vlees, kip of vis te eten 3,5% 6,6% 1,4% 6,4%
4. een onverwachte uitgave te doen 23,4% 44,2% 12,7% 36,0%
5. een persoonlijke wagen te bezitten 6,1% 18,8% 3,8% 6,1%
6. de woning degelijk te verwarmen 4,5% 11,2% 1,7% 7,1%
7. beschadigde of versleten meubels te vervangen 14,6% 23,3% 10,3% 19,7%
8. versleten kledij te vervangen door nieuwe kledij 8,3% 13,8% 5,9% 10,7%
9. twee paar schoenen in goede staat te hebben 2,6% 1,6% 2,6% 3,0%
10. thuis toegang tot internet te hebben 2,1% 2,9% 1,7% 2,6%
11. minstens éénmaal per maand met vrienden of familie af te spreken om iets te eten of te drinken 10,6% 19,2% 7,6% 13,1%
12. regelmatig deel te nemen aan vrijetijdsactiviteiten 13,4% 23,4% 8,4% 19,0%
13. wekelijks een bedrag uit te geven voor persoonlijke behoeften 12,9% 27,8% 7,5% 17,8%
* 2020: voorlopige cijfers

Eenoudergezinnen hebben het beduidend zwaarder

Dat eenoudergezinnen het zwaarder hebben, blijkt vooral uit volgende items: 54,6% van de betrokkenen kon geen onverwachte uitgaven doen, 3,3% kon zich thuis geen internetverbinding veroorloven, 31,9% kon geen beschadigd of versleten meubilair vervangen, 20,3% kon hun versleten of verouderde kleding niet vervangen en 29,9% kon niet elke week een klein bedrag aan zichzelf uitgeven.

Subjectieve perceptie van de evolutie van het inkomen

In de EU-SILC-enquêtes 2019 en 2020 werd de respondenten gevraagd het totale maandelijkse beschikbare inkomen van hun huishouden van vorige maand te vergelijken met dat van 12 maanden geleden.

In het kader van de beoordeling van de impact van de coronacrisis op het inkomen van de huishoudens wordt opgemerkt dat 10% van de bevolking in 2020 in een huishouden leefde met een lager inkomen dan in 2019, terwijl dit inkomen in 2020 voor 26% van de bevolking hoger werd geschat. De rest van de bevolking behoort tot een huishouden waar de referentiepersoon aangaff dat het inkomen min of meer gelijk was aan dat van 12 maanden geleden.

Is uw totale beschikbare gezinsinkomen van de afgelopen maand hoger, min of meer gelijk aan of lager dan 12 maanden geleden?

  2019 2020*
Hoger 29,3% 26,4%
Min of meer gelijk 61,8% 63,2%
Lager 8,9% 10,4%

* 2020: voorlopige cijfers

Als redenen voor de daling van het inkomen worden vooral de daling van de arbeidstijd of het loon in dezelfde functie (24%), het verlies van een baan of het faillissement (18%) en een categorie 'andere redenen' (25%) genoemd, die in 2019 al een gelijkaardig aandeel hadden. In vergelijking met de enquête van 2019 werden de eerste twee categorieën verhoudingsgewijs vaker geselecteerd in 2020, terwijl de categorieën 'verandering van baan' en 'verlaging van de sociale uitkeringen' minder vaak werden geselecteerd.

Voor de huishoudens die een stijging van hun maandinkomen aangaven, was de voornaamste reden de loonindexering of de herwaardering van het loon (61% in 2020 en 56% in 2019).

In de enquête is ook gekeken naar de inkomensvooruitzichten voor de 12 maanden na het interview. Volgens de schatting van de respondenten zou voor 15% van de bevolking hun gezinsinkomen moeten stijgen en voor 79% min of meer gelijk blijven. Tot slot leeft 6% van de bevolking in een huishouden waar het beschikbare inkomen de komende 12 maanden naar verwachting zal dalen. Deze cijfers zijn opnieuw vrij stabiel in vergelijking met de enquête die in 2019 werd gehouden.

In vergelijking met deze maand, schat u dat het totale beschikbare inkomen van uw huishouden in de komende 12 maanden zal stijgen, min of meer gelijk zal blijven of zal dalen?

  2019 2020*
Stijgen 15,4% 15,4%
Min of meer gelijk blijven 80,2% 78,9%
Dalen 4,3% 5,7%

* 2020: voorlopige cijfers

Subjectieve armoede

Ten slotte bedraagt het aandeel van de bevolking dat leeft in een huishouden dat aangeeft moeilijkheden of zelfs grote moeilijkheden te hebben om rond te komen, 17% in 2020 tegenover 19% in 2019. Deze lichte daling van de subjectieve armoede wordt vastgesteld voor bijna alle categorieën van personen en alle soorten huishoudens, maar is niet merkbaar in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Tabel
Content

Percentage van de bevolking dat materieel en sociaal gedepriveerd is

Materiële en sociale deprivatie - België 2019 2020*
Totaal 11,0% 10,9%
Per gewest
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 21,2% 21,7%
Vlaams Gewest 6,5% 6,3%
Waals Gewest 15,9% 15,5%
Per geslacht
Mannen 10,8% 10,5%
Vrouwen 11,3% 11,3%
Per leeftijdsgroep
0-17 13,1% 11,8%
18-24 8,5% 10,2%
25-49 11,4% 11,4%
50-64 12,7% 12,7%
65+ 7,0% 6,9%
Per type van huishouden
1 volwassene met kind(eren) 29,7% 27,4%
2 volwassenen met kind(eren) 8,6% 9,3%
2 volwassenen zonder kind, van wie minstens 1 ouder dan 64 jaar 4,9% 4,2%
2 volwassenen zonder kind ,jonger dan 65 jaar 8,6% 8,1%
Alleenstaand 18,4% 17,8%
Andere 7,6% 7,5%
* 2020: voorlopige cijfers

Doel en korte beschrijving.

EU-SILC (European Union – Statistics on Income and Living Conditions) is een enquête naar inkomens en levensomstandigheden en een belangrijk instrument om zowel op Belgisch als op Europees niveau armoede en sociale uitsluiting in kaart te brengen.

De doelstelling van deze enquête is te komen tot een globaal kader voor de productie van 'communautaire' statistische gegevens betreffende inkomen en levensomstandigheden (EU-SILC), met inbegrip van zowel coherente cross-sectionele als longitudinale gegevens over inkomen en armoede (niveau, samenstelling, ...) op nationaal en Europees niveau.

Populatie

Private huishoudens

Dataverzamelingsmethode

CAPI (Computer Assisted Personal Interview).

Respons

60% (N= ± 6000 huishoudens).

Frequentie

Jaarlijks.

Timing publicatie

Niet gekend (als gevolg van een ingrijpende hervorming van de enquête) – finale resultaten ten laatste in oktober na het enquêtejaar.

Formulieren

Definities

Risico op armoede of sociale uitsluiting (AROPE)

Risico op armoede of sociale uitsluiting, afgekort AROPE, verwijst naar de situatie waarin personen geconfronteerd worden met minstens één van de 3 volgende armoederisico’s: monetaire armoede, ernstige materiële deprivatie of leven in een huishouden met zeer lage werkintensiteit. De AROPE-graad, het aandeel van de totale bevolking dat een risico op armoede of sociale uitsluiting loopt, is de belangrijkste indicator om armoede op te volgen in het kader van de strategie “Europa 2020”.

Armoederisico = Risico op monetaire armoede (AROP)

Het armoederisico (AROP) verwijst naar het percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen (na sociale transfers) dat onder de armoededrempel ligt.

De indicator meet geen rijkdom of armoede in sé, maar een laag inkomen in vergelijking met anderen in dat land. Dit impliceert niet noodzakelijk een lage levensstandaard.

Armoederisico voor sociale transfers: Percentage personen waarvan het equivalent inkomen na deductie van alle sociale transfers onder de armoededrempel valt.

Armoederisico voor sociale transfersexclusief pensioenen: Percentage personen waarvan het equivalent inkomen na deductie van sociale transfers, met uitzondering van pensioen, onder de armoededrempel valt.

Ernstige materiële deprivatie (SMD)

De mate van materiële deprivatie is een indicator die het onvermogen uitdrukt om sommige items die door de meeste mensen worden beschouwd als wenselijk of zelfs noodzakelijk om een adequaat leven te leiden, te veroorloven. De indicator maakt onderscheid tussen personen die een bepaald goed of een bepaalde dienst niet kunnen betalen, en degenen die dit goed of deze dienst niet hebben om een andere reden, bijvoorbeeld omdat ze het niet willen of niet nodig hebben.
De indicator meet het percentage van de bevolking dat zich ten minste drie van de volgende negen items niet kan veroorloven:

  1. om hun huur, hypotheek of nutsrekeningen te betalen;
  2. om hun huis voldoende warm te houden;
  3. om onverwachte uitgaven te maken;
  4. regelmatig eten van vlees of eiwitten;
  5. om op vakantie te gaan;
  6. een kleurentelevisie;
  7. een wasmachine;
  8. een auto;
  9. een telefoon.

Ernstige mate van materiële deprivatie (SMD) wordt gedefinieerd als het gedwongen onvermogen om te betalen voor ten minste vier van de bovengenoemde items.

Lage werkintensiteit (LWI)

De indicator personen die leven in huishoudens met een zeer lage werkintensiteit, wordt gedefinieerd als het aantal personen in een huishouden waar de leden in beroepsactieve leeftijd minder dan 20% van hun totale potentieel werkten gedurende de voorgaande twaalf maanden.
De werkintensiteit van een huishouden is de verhouding van het totale aantal maanden dat alle leden van het huishouden in de werkende leeftijd hebben gewerkt tijdens het inkomensreferentiejaar en het totale aantal maanden dat dezelfde leden van het huishouden theoretisch in dezelfde periode zouden kunnen gewerkt hebben.
Een werknemer in de werkende leeftijd is een persoon van 18-59 jaar, met uitsluiting van studenten in de leeftijdsgroep tussen 18 en 24 jaar.
Huishoudens die alleen uit kinderen, studenten van minder dan 25 jaar en/of mensen van 60 jaar of ouder bestaan, zijn volledig uitgesloten van de indicatorberekening.

Meer definities...

Opmerkingen

Breuk in de reeks in 2013 betreffende de werklozen 

Tot 2012 werden bruggepensioneerden op basis van de aard van hun inkomen beschouwd als werklozen. Vanaf 2013 werd deze categorie mensen ingedeeld bij de gepensioneerden, mensen met vervroegd pensioen of mensen ter beschikking gesteld voorafgaand aan het pensioen.

Dat sluit beter aan bij de onderverdeling die Eurostat beoogt, en waarin staat dat bruggepensioneerden alleen als werklozen mogen worden beschouwd als ze de intentie hebben om de arbeidsmarkt opnieuw te betreden. De stijging van het armoedecijfer bij werklozen in 2013 heeft dus een technische oorzaak en geeft geen wijziging van de reële situatie weer.

SILC 2016 tot 2018: cijfers herzien op 12/03/2020

SILC 2019: breuk in tijdsreeks als gevolg van een ingrijpende hervorming van de enquête 

Metadata

Rapporten en artikels