Landbouweconomische rekeningen

Grote verschillen tussen de landbouwsectoren

Landbouw & Visserij
Grote verschillen tussen de landbouwsectoren door inflatie en productiedalingen

Grote verschillen tussen de landbouwsectoren door inflatie en productiedalingen

Statbel[1], het Belgische statistiekbureau, heeft de eerste ramingen van het inkomen van de landbouwers voor het jaar 2022 aan de Europese Commissie (Eurostat) gecommuniceerd.

De stijging van de energiekosten en de inflatie hebben een rechtstreekse invloed op alle productiemiddelen in de landbouwsector. De belangrijkste prijsstijging betreft gas, dat zowel een brandstof voor de sector is als een bestanddeel van meststoffen, waarvan de prijs dit jaar sterk is gestegen. De uitgaven voor meststoffen zullen in 2022 naar verwachting met 86,0% stijgen, die voor energie met 67,3% en de kosten voor diervoeder zullen naar verwachting 22,9% hoger liggen dan in 2021. In totaal zal het intermediaire verbruik met 23,4% stijgen ten opzichte van 2021.

Deze kostenstijging is procentueel gezien groter dan de stijging van de productiewaarde van de landbouwsector, die 19,5% bedraagt. De indicator van het inkomen in de landbouwsector zou echter zeer licht stijgen (2,3%). Deze indicator geeft het netto-inkomen van de sector weer, rekening houdend met de inflatie, en legt het verband tussen dit gedefleerde inkomen en het aantal arbeidskrachten. Dit is een globale stijging, maar de rentabiliteit verschilt naargelang van de technisch-economische oriëntatie van elk bedrijf. De kostenstructuur verschilt van sector tot sector en de stijging van de productiewaarde is niet uniform.

Granen

De waarde van de graanproductie zou met 58,2% toenemen ten opzichte van de vorige campagne. De hoeveelheid wintergranen is gestegen dankzij betere opbrengsten. De oogst van 2021 werd gekenmerkt door regenval en vroegere slechte opbrengsten hebben geleid tot een afname van het ingezaaide areaal voor de oogst van 2022. De weersomstandigheden zijn van het ene jaar op het andere volledig veranderd en het gebrek aan regen dit voorjaar heeft de productie niet al te zeer beïnvloed.

Door de droogte van deze zomer (een record van het tekort aan neerslag sinds 1991) zijn de opbrengsten van korrelmaïs echter sterk gedaald. De economische context leidde tot een uitbreiding van het ingezaaide areaal van zomergranen. Voor alle granen voor de korrel wordt de stijging van het volume geraamd op 15,9% in 2022. 

Tegelijk met deze productiestijging zijn ook de afzetprijzen gestegen. Tijdens de vorige campagne had een daling van het aanbod eind 2021 al tot een eerste prijsstijging geleid. Dit werd in maart 2022 nog versterkt door het begin van het conflict in Oekraïne, waardoor de productiekosten nog verder stegen. In de komende maanden zouden de neerwaartse prognoses voor de wereldproductie en -voorraden de druk op de prijzen moeten handhaven. De afzetprijzen voor het huidige seizoen zijn naar schatting met 36,6% gestegen.

Overige landbouwteelten

De productiewaarde van nijverheidsgewassen is ook gestegen, maar in mindere mate (+25,2%). Voor deze campagne zijn de bietentelers erin geslaagd met de raffinaderijen hogere minimumprijzen te onderhandelen dan voor eerdere contracten. Bovendien is de suikerprijs, die gedeeltelijk als referentie dient voor de vaststelling van de afzetprijzen, momenteel aan het stijgen op de markten. Het prijseffect wordt geraamd op +22,6%. Deze stijging van de afzetprijzen in combinatie met hogere opbrengsten zou de productiewaarde in de suikerbietensector met 28,1% moeten doen toenemen. Bij de nijverheidsgewassen stijgt ook de waarde van de productie van de oliehoudende zaden, waarvan zowel de oppervlakte als de opbrengst toenemen.

Ten slotte wint de aardappelteelt in België terrein met een toename van de beplante oppervlakte met 2,6%. Deze stijging compenseert geenszins de huidige daling van de opbrengsten. De productie in de sector (inclusief pootaardappelen) zal naar schatting 9,5% lager liggen dan in de campagne 2021/2022. Gezien de context stijgen de prijzen op de vrije markt en aangezien ook de contractprijzen gestegen zijn, wordt de stijging van de afzetprijzen geraamd op 31,5%. De waarde van de productie van deze sector zou met 19,0% stijgen ten opzichte van de voorgaande campagne.

Tuinbouwproducten

De situatie in de tuinbouw is anders dan in de landbouw. De prijzen in de sector zijn namelijk niet sterk gestegen en de productie daalt. Veel producenten, die met stijgende energie- en meststofprijzen te maken hebben, hebben er de voorkeur aan gegeven hun productie van groenten om rentabiliteitsredenen te verminderen. De productie van groenten zou tussen 2021 en 2022 met 9,2% moeten afnemen. De vastgestelde prijsstijgingen lijken deze daling van de productie niet te compenseren: De waarde van de productie van groenten zou met 4,5% dalen ondanks een prijseffect van +5,1%.

In de boomgaarden is de situatie niet eenduidig. De oppervlakte appelbomen blijft afnemen, terwijl de oppervlakte van de perenboomgaarden toeneemt. De productie van peren is echter gedaald omwille van de droogte, waardoor de vruchten kleiner zijn geworden. Doordat de appeloogst later begon, hadden de appelbomen een gunstig naseizoen en was de daling van de productie vooral het gevolg van de daling van de oppervlakte.

Over het geheel genomen is het volume-effect van de fruitproductie negatief (-2,4%). In een moeilijke internationale context vertaalt dit zich niet de facto in hogere prijzen. De Russische markt is sinds 2014 gesloten voor de Belgische export van appelen en peren. Omwille van het conflict in Oekraïne waren de exportmogelijkheden voor Europese landen nog beperkter. Bovendien zetten de energiekosten de producenten ertoe aan hun productie zo snel mogelijk te verkopen om de kosten voor opslag te beperken. Door het grote aanbod is de druk op de prijzen groot, vooral voor appelen. Gezien de huidige marktprijzen zouden de afzetprijzen met 4,5% moeten dalen. De waarde van de fruitproductie zal dus met 6,8% dalen ten opzichte van 2021.

Dierlijke productie

In de veeteeltsector nemen zowel de veestapel als de productie af. Voor de drie belangrijkste sectoren wordt de daling van het aanbod op basis van slachtingen geraamd op -3,0% voor runderen, -9,2% voor varkens en -1,3% voor pluimvee. Voor varkens heeft de daling van de afzetprijzen in combinatie met de stijging van de inputprijzen, die sinds 2021 wordt waargenomen, de landbouwers er waarschijnlijk toe aangezet hun productie te verlagen. Deze daling van het aanbod van varkens wordt in de meeste landen van de Europese Unie waargenomen en heeft als gevolg een stijging met 45,0% van de prijzen die aan de boeren worden betaald ten opzichte van 2021. De prijzen keren terug naar het niveau van 2019. De prijsstijging van pluimvee, die 36,0% zou moeten bedragen, is ook opvallend. In het algemeen compenseren positieve prijseffecten in de veeteelt de negatieve volume-effecten. De productiewaarde van de vleessector is met 23,7% gestegen tussen 2021 en 2022.

Voor dierlijke producten is de prijsstijging sterker. De afzetprijzen voor melk stijgen overal in Europa sinds 2021 en de trend is in 2022 nog sterker geworden. De redenen zijn de stagnerende productie en de vrees voor een tekort aan ruwvoeder na de periodes van droogte van dit jaar. Stijgende inputkosten en hogere verkoopprijzen voor reforme koeien vormen een risico voor een inkrimping van de melkveestapel en drijven de prijzen dus op. Als gevolg van de prijsstijging zal de productiewaarde van melk naar schatting 50,1% hoger liggen dan vorig jaar.

De situatie is vergelijkbaar voor eieren: de productie zou stabiel moeten blijven, terwijl de prijzen ook sterk zouden moeten stijgen. De energiekosten in de stallen en de stijgende prijs van diervoeder, voornamelijk op basis van granen, dwingen de producenten hun prijzen te verhogen, vooral nu de vogelgriep de toekomstige productiecapaciteit bedreigt. Eind 2022 zouden, bij een stabiele productie, de prijs en de productiewaarde van eieren met 74,5% moeten zijn gestegen ten opzichte van 2021.

Landbouweconomische rekeningen (tegen lopende prijzen): waarden tegen basisprijs (mln €)

  2017 2018 2019 2020 2021 2022 voorlopig 2022/2021 (%) Gemiddelde 2017-2021
1. Granen (incl. zaden) 376,8 417,8 435,9 490,1 696,7 1.102,3 58,2% 483,5
2. Nijverheidsgewassen 228,4 222,9 232,8 230,6 242,3 303,5 25,2% 231,4
3. Voedergewassen 659,4 639,5 691,5 718,4 970,8 806,2 -17,0% 735,9
4. Groenten en tuinbouwproducten 1.342,2 1.407,0 1.561,0 1.628,0 1.878,6 1.825,1 -2,8% 1.563,4
Verse groenten 845,6 851,3 974,4 1.108,7 1.291,9 1.233,3 -4,5% 1.014,4
Planten en bloemen 496,6 555,7 586,6 519,3 586,7 591,8 0,9% 549,0
5. Aardappelen (incl. pootgoed) 519,7 464,0 492,1 489,7 652,8 777,0 19,0% 523,6
6. Fruit 421,8 461,3 484,9 526,1 553,8 515,9 -6,8% 489,6
7. Andere plantaardige producten 27,9 27,9 27,9 27,9 27,9 26,7 -4,1% 27,9
8. Plantaardige productie (1 tot 7) 3.576,1 3.640,4 3.926,1 4.110,8 5.022,7 5.356,8 6,7% 4.055,2
9. Dieren 3.263,4 3.108,1 3.268,9 3.189,5 3.199,3 3.945,5 23,3% 3.205,8
Rundvee 1.039,6 1.040,3 973,1 1.055,8 1.123,9 1.208,9 7,6% 1.046,5
Varkens 1.468,2 1.274,0 1.550,0 1.470,3 1.285,7 1.691,7 31,6% 1.409,6
Pluimvee 714,3 752,1 707,3 640,9 762,1 1.022,4 34,1% 715,3
10. Dierlijke producten 1.469,1 1.380,8 1.478,5 1.521,8 1.753,8 2.664,1 51,9% 1.520,8
Melk 1.344,9 1.275,8 1.354,1 1.396,3 1.620,4 2.432,4 50,1% 1.398,3
Eieren 123,2 103,9 123,2 124,3 131,9 230,1 74,5% 121,3
11. Dierlijke productie (9+10) 4.732,5 4.488,9 4.747,4 4.711,3 4.953,1 6.609,6 33,4% 4.726,6
12. Productie van landbouwgoederen (8+11) 8.308,6 8.129,3 8.673,5 8.822,1 9.975,8 11.966,3 20,0% 8.781,8
13. Productie van landbouwdiensten 163,7 175,5 190,8 235,9 236,3 236,3 0,0% 200,4
14. Landbouwproductie (12+13) 8.472,3 8.304,8 8.864,3 9.058,0 10.212,1 12.202,6 19,5% 8.982,3
15. Intermediair verbruik 6.000,5 6.079,2 6.237,1 6.585,7 7.641,1 9.427,3 23,4% 6.508,7
16. Afschrijving 784,8 771,0 737,4 822,5 860,6 860,6 0,0% 795,2
17. Netto toegevoegde waarde tegen basisprijzen (14-15-16) 1.687,1 1.454,7 1.889,9 1.649,8 1.710,3 1.914,7 11,9% 1.678,3
18. Beloning van werknemers 686,6 670,7 682,5 690,8 707,4 726,6 2,7% 687,6
19. Andere belastingen op productie 3,2 3,8 3,0 2,9 2,9 2,9 0,0% 3,2
20. Andere subsidies op de productie 554,7 607,3 613,3 630,4 618,0 626,2 1,3% 604,7
21. Opbrengst van de productiefactoren (17-19+20) 2.238,5 2.058,2 2.500,1 2.277,4 2.325,5 2.538,0 9,1% 2.279,9
Indicator A (2010=100) * 90,2 82,2 99,2 91,2 89,1 91,1 2,3%  
* Indicator A = index van het reële factorinkomen per arbeidseenheid in de landbouw, na deflatie


[1] In samenwerking met de gewestelijke overheden en experten.

Tabel
Content

Landbouweconomische rekeningen (tegen lopende prijzen): waarden tegen basisprijs (mln €)

  2017 2018 2019 2020 2021 2022 voorlopig 2022/2021 (%) Gemiddelde 2017-2021
1. Granen (incl. zaden) 376,8 417,8 435,9 490,1 696,7 1.102,3 58,2% 483,5
2. Nijverheidsgewassen 228,4 222,9 232,8 230,6 242,3 303,5 25,2% 231,4
3. Voedergewassen 659,4 639,5 691,5 718,4 970,8 806,2 -17,0% 735,9
4. Groenten en tuinbouwproducten 1.342,2 1.407,0 1.561,0 1.628,0 1.878,6 1.825,1 -2,8% 1.563,4
Verse groenten 845,6 851,3 974,4 1.108,7 1.291,9 1.233,3 -4,5% 1.014,4
Planten en bloemen 496,6 555,7 586,6 519,3 586,7 591,8 0,9% 549,0
5. Aardappelen (incl. pootgoed) 519,7 464,0 492,1 489,7 652,8 777,0 19,0% 523,6
6. Fruit 421,8 461,3 484,9 526,1 553,8 515,9 -6,8% 489,6
7. Andere plantaardige producten 27,9 27,9 27,9 27,9 27,9 26,7 -4,1% 27,9
8. Plantaardige productie (1 tot 7) 3.576,1 3.640,4 3.926,1 4.110,8 5.022,7 5.356,8 6,7% 4.055,2
9. Dieren 3.263,4 3.108,1 3.268,9 3.189,5 3.199,3 3.945,5 23,3% 3.205,8
Rundvee 1.039,6 1.040,3 973,1 1.055,8 1.123,9 1.208,9 7,6% 1.046,5
Varkens 1.468,2 1.274,0 1.550,0 1.470,3 1.285,7 1.691,7 31,6% 1.409,6
Pluimvee 714,3 752,1 707,3 640,9 762,1 1.022,4 34,1% 715,3
10. Dierlijke producten 1.469,1 1.380,8 1.478,5 1.521,8 1.753,8 2.664,1 51,9% 1.520,8
Melk 1.344,9 1.275,8 1.354,1 1.396,3 1.620,4 2.432,4 50,1% 1.398,3
Eieren 123,2 103,9 123,2 124,3 131,9 230,1 74,5% 121,3
11. Dierlijke productie (9+10) 4.732,5 4.488,9 4.747,4 4.711,3 4.953,1 6.609,6 33,4% 4.726,6
12. Productie van landbouwgoederen (8+11) 8.308,6 8.129,3 8.673,5 8.822,1 9.975,8 11.966,3 20,0% 8.781,8
13. Productie van landbouwdiensten 163,7 175,5 190,8 235,9 236,3 236,3 0,0% 200,4
14. Landbouwproductie (12+13) 8.472,3 8.304,8 8.864,3 9.058,0 10.212,1 12.202,6 19,5% 8.982,3
15. Intermediair verbruik 6.000,5 6.079,2 6.237,1 6.585,7 7.641,1 9.427,3 23,4% 6.508,7
16. Afschrijving 784,8 771,0 737,4 822,5 860,6 860,6 0,0% 795,2
17. Netto toegevoegde waarde tegen basisprijzen (14-15-16) 1.687,1 1.454,7 1.889,9 1.649,8 1.710,3 1.914,7 11,9% 1.678,3
18. Beloning van werknemers 686,6 670,7 682,5 690,8 707,4 726,6 2,7% 687,6
19. Andere belastingen op productie 3,2 3,8 3,0 2,9 2,9 2,9 0,0% 3,2
20. Andere subsidies op de productie 554,7 607,3 613,3 630,4 618,0 626,2 1,3% 604,7
21. Opbrengst van de productiefactoren (17-19+20) 2.238,5 2.058,2 2.500,1 2.277,4 2.325,5 2.538,0 9,1% 2.279,9
Indicator A (2010=100) * 90,2 82,2 99,2 91,2 89,1 91,1 2,3%  
* Indicator A = index van het reële factorinkomen per arbeidseenheid in de landbouw, na deflatie

Doel en korte beschrijving

De landbouweconomische rekeningen (LER) bieden een systematisch en vergelijkbaar overzicht van de economische activiteit in de bedrijfstak landbouw. Zij omvatten de netto toegevoegde waarde (productierekening, d.i. de vergoeding van alle productiefactoren), het netto overschot van de exploitatie (exploitatierekening, d.i. de opbrengst van de grond, het kapitaal en de niet-bezoldigde arbeidskracht) en het netto bedrijfsinkomen (bedrijfsinkomensrekening, d.i. de vergoeding van de niet-bezoldigde arbeidskracht, van de gronden die eigendom zijn van de bedrijven en van het kapitaal). De netto toegevoegde waarde wordt enerzijds berekend tegen producentenprijzen (d.w.z. zonder rekening te houden met subsidies aan en belastingen op de productie) en anderzijds tegen factorkosten of tegen basisprijzen (waarbij rekening wordt gehouden met deze subsidies en belastingen). Zij worden opgemaakt voor alle landbouweconomische eenheden van het land, die vallen onder de bedrijfstak landbouw. Concreet omvat die bedrijfstak alle landbouwbedrijven die bij de landbouwenquêtes in mei worden bevraagd en die beantwoorden aan de definitie van een landbouwbedrijf die wordt gehanteerd bij die telling.

De LER zijn jaarlijks en worden afgesloten in september van het jaar dat volgt op het referentiejaar. Alle bronnen met statistische gegevens over landbouw, zowel binnen als buiten Statbel, worden gebruikt om deze rekeningen op te maken.