Landbouweconomische rekeningen

De landbouw : een essentiële sector die probeert stand te houden

Landbouw & Visserij
De landbouw : een essentiële sector die probeert stand te houden

Statbel [1], het Belgische statistiekbureau, heeft de eerste ramingen van het inkomen van de landbouwers voor het jaar 2020 aan de Europese Commissie (Eurostat) gecommuniceerd.

  • De waarde van de landbouwproductie bleef relatief stabiel tussen 2019 en 2020 (+0,1%), terwijl het intermediair verbruik toenam met 2,4%.
  • De evolutie van de productiewaarde tegen basisprijs is redelijk uiteenlopend naargelang de verschillende sectoren en takken :  +10,8% voor granen, -20,7% voor aardappelen, +22,2% voor fruit en -8,0% voor de varkenssector.

De gevolgen van de Covid-19-pandemie waren erg uiteenlopend binnen de landbouwsector, die als essentiële activiteit door de diverse overheden wordt erkend. Langs de vraagzijde was er het veranderende consumptiegedrag bij de burgers, terwijl het aanbod van seizoenarbeiders schaarser werd als gevolg van de sluiting van de grenzen. Daarbovenop kwam een uitzonderlijke droogte in de lente, gevolgd door een droge zomer. De gevolgen waren zowel merkbaar bij het zaaien als bij het oogsten, terwijl de nood aan voeder voor veehouders sterk is toegenomen.

lera

De som van de productiewaarde van de landbouwsector is in zekere zin tot nul herleid als gevolg van al deze schommelingen van vraag en aanbod..  Nochtans is er enkel stabiliteit in de sector, die ongezien was de laatste jaren, wanneer de landbouw op een globale manier wordt beschouwd: de grote cultuurgewassen, de tuinbouw en veeteelt hebben immers geen gelijkaardig parcours afgelegd. Bovendien verslechtert de situatie nog dit jaar op het vlak van rentabiliteit. Meer bepaald zou het intermediair verbruik nog moeten toenemen dit jaar, ondanks een daling van de energieprijzen. De stijgende kost van de voedergewassen in combinatie met de meer consistente uitgaven voor fytosanitaire producten, verklaren de geschatte stijging van 2,4% voor intermediair verbruik.

Ten slotte zou de netto toegevoegde waarde tegen basisprijzen moeten afnemen met 8,9%, gezien het belang van de kosten met betrekking tot de productiewaarde. Rekening houdend met publieke transfers (belastingen en taksen) en de globale kost van arbeid, kan aldus het inkomen uit de productiefactoren in de landbouw berekend worden. Deze indicator van de economische gezondheid 

van de landbouwbedrijven wordt 5,7% lager geschat dan die van 2019 en, rekening houdend met de inflatie, 4,2% onder het gemiddelde van de periode 2015-2019.

Plantaardige productie

De plantaardige productie zou met 5,4% toenemen in vergelijking met 2019, een stijging die toe te schrijven is aan de graan- en tuinbouwgewassen. De eersten profiteerden van de opwaardering van de voornaamste graangewassen op de Europese markten. De productie en de voorraden kennen immers een lichte terugval. De prijsstijgingen (+19,3%) compenseren ruimschoots de daling van het productieniveau (-7,2%). Dit laatste wordt verklaard door de vermindering van de bebouwde oppervlakte wintertarwe (-6,2%) en wintergerst (-8,8%), in combinatie met een rendementsdaling van beide gewassen.

lerb

De productiewaarde van fruit kende eveneens een uitgesproken opwaardering. Tijdens de eerste lockdown was er een grote vraag naar Belgische aardbeien en de prijzen op de veilingen weerspiegelden dit met een stijging van maar liefst 32,4%. Ook de sector van de peren kende een opwaartse trend. In tegenstelling tot de rest van Europa nam de aanplant van perenbomen in onze boomgaarden toe. Bovendien konden de producenten profiteren van goede rendementen waardoor ze, gezien de buitenlandse vraag, meer konden produceren zonder op de prijs te moeten inbinden.

De vruchtvorming van appelen was een stuk minder gunstig ten gevolge van extreme warmte en laattijdige vorst. De oogst moest uitgesteld worden en de productiedaling wordt geschat op een derde van de productie van de vorige oogst. Nochtans lijken de genoteerde prijzen sinds het begin van de oogst te voorspellen dat de productiedaling voor een prijscompensatie zal zorgen.

In tegenstelling tot de producenten van fruit en groenten, konden de boomkwekers hun activiteiten niet verder zetten. De verkoop in gespecialiseerde winkels werd in eerste instantie beschouwd als niet-essentieel. De productiedaling van planten en bloemen wordt op -8,2% geschat voor 2020. Dankzij prijsstijgingen en uitzonderlijke subsidies in Vlaanderen, bleef de productiewaarde van de bloementeelt relatief stabiel.

Tot slot had de prijsdaling van aardappelen een grote impact op de plantaardige productie. De sluiting van de horeca en de exportproblemen waren nefast voor de vrije markt in bewaaraardappelen. Tussen midden maart en eind mei was er dan ook geen enkele commerciële activiteit. De voorraden zijn groot en beïnvloeden de prijzen van de vrije verkoop van deze oogst. De beslissing om opnieuw de horeca te sluiten zal uiteraard de situatie niet verbeteren. De daling van de globale prijzen (al dan niet gecontracteerd) zal  om en nabij -19,7% bedragen. Wat betreft de productie, waren de klimatologische omstandigheden verre van ideaal voor het rooien en er blijven twijfels over de bewaarkwaliteit van de aardappelen van deze oogst. Een lichte terugval van het productievolume met -1,2% wordt dus vastgesteld.

Dierlijke productie

De varkenssector stond dit jaar nog sterk in de kijker. Eind 2018 werd de Afrikaanse varkenspest (AVP) vastgesteld bij onze everzwijnen, zonder daarbij onze gedomesticeerde varkens te infecteren. Toch heeft dit de laatste jaren een grote impact gehad op de varkenssector. In november kreeg België zijn AVP-ziektevrije status terug vanwege de Europese instanties en wacht nu op het opheffen van de laatste embargo’s. Nochtans blijft AVP de sterk geglobaliseerde markten onder druk zetten. Eind 2020 bereiken de varkensprijzen nieuwe bodemgrenzen. Een eerste daling werd vastgesteld gedurende de eerste lockdown. Daarna herstelden de prijzen vanaf juni slechts gedurende een korte tijd. China weigerde immers de invoer van varkens uit slachthuizen waar werknemers het coronavirus hadden opgelopen. Hierdoor bleven de prijzen op het laagste niveau.

In september nog werden AVP-haarden vastgesteld in Duitsland met een negatieve impact op de prijzen; de kans op afzet van Duits varkensvlees buiten Europa werd immers erg ingeperkt. De prijsdaling wordt op -11,3% geschat voor het ganse jaar, terwijl het productievolume zou toenemen met 3,8%.

ler3

De situatie in de rundvleessector is een stuk beter, hoewel de sector uiteraard ook te lijden had onder de sluiting van de horeca. De vraag naar vlees nam af met een productievermindering
van -4,4% tot gevolg. In de slachthuizen is er een verschil tussen jonge en volwassen runderen vast te stellen: voor de geslachte kalveren neemt het gewicht met 13,8% af, terwijl dit voor de koeien en stieren respectievelijk -2,1% en -0,8% bedraagt. De prijs van kalveren is drastisch gedaald sinds april en die van koeien in mindere mate. In het tweede en derde trimester waren de prijzen van stieren hoger dan in het begin van het jaar, waarbij de prijs van de meest bevleesde geslachte dieren het sterkst steeg.De melkproductie laat een omgekeerde tendens optekenen: de melkophaling tijdens de eerste zeven maanden kende een stijging met 3,7%, die hoger is dan het Europees gemiddelde. Dit hoger aanbod resulteerde in een prijsdaling voor de producent (-6,1%).

Tot slot daalde de productiewaarde in de pluimvleessector voor gevogelte (-6,5%) en kende de productiewaarde van eieren daarentegen een stijging (+2,9%).  De prijsdaling van zowel leg- als slachtkippen sinds april was bepalend voor de economische evolutie van de sector: over het ganse jaar genomen zal het prijseffect -5,9% bedragen ten opzichte van 2019.  Wat de eierproductie betreft, zorgt het volume-effect voor een verhoging van de productie met 2,6%.

Landbouweconomische rekeningen (tegen lopende prijzen): waarden tegen basisprijs (mln €)

  2015 2016 2017 2018 2019 2020 voorlopig 2020/2019 (%) Gemiddelde 2015-2019
1. Granen (incl. zaden) 453,8 305,9 376,8 417,8 435,9 482,8 10,8% 398,0
2. Nijverheidsgewassen 217,3 198,6 228,4 222,9 229,6 195,6 -14,8% 219,4
3. Voedergewassen 629,0 600,8 659,4 639,5 681,4 748,1 9,8% 642,0
4. Groenten en tuinbouwproducten 1.337,3 1.336,3 1.342,2 1.407,0 1.561,9 1.683,2 7,8% 1.396,9
Verse groenten 839,9 858,9 845,6 851,3 975,2 1.084,3 11,2% 874,2
Planten en bloemen 497,3 477,5 496,6 555,7 586,6 598,9 2,1% 522,8
5. Aardappelen (incl. zaden) 503,1 697,3 519,7 464,0 483,8 383,8 -20,7% 533,5
6. Fruit 462,7 428,8 421,8 461,3 484,8 592,6 22,2% 451,9
7. Andere plantaardige producten 29,3 27,9 27,9 27,9 27,9 29,0 4,0% 28,2
8. Plantaardige productie (1 tot 7) 3.632,4 3.595,7 3.576,1 3.640,4 3.905,1 4.115,3 5,4% 3.669,9
9. Dieren 3.212,7 3.174,6 3.263,4 3.108,1 3.254,5 3.086,1 -5,2% 3.202,6
Rundvee 1.132,3 1.115,2 1.039,6 1.040,3 953,5 954,5 0,1% 1.056,2
Varkens 1.380,2 1.356,1 1.468,2 1.274,0 1.552,5 1.428,2 -8,0% 1.406,2
Pluimvee 661,7 665,1 714,3 752,1 708,7 662,6 -6,5% 700,4
10. Dierlijke producten 1.297,6 1.129,1 1.469,1 1.377,7 1.475,7 1.443,9 -2,2% 1.349,8
Melk 1.097,2 1.014,9 1.344,9 1.272,7 1.351,3 1.315,9 -2,6% 1.216,2
Eieren 199,9 113,6 123,2 103,9 123,2 126,8 2,9% 132,8
11. Dierlijke productie (9+10) 4.510,3 4.303,6 4.732,5 4.485,8 4.730,1 4.530,0 -4,2% 4.552,5
12. Productie van landbouwgoederen (8+11) 8.142,7 7.899,3 8.308,6 8.126,2 8.635,3 8.645,3 0,1% 8.222,4
13. Productie van landbouwdiensten 81,0 81,8 76,4 77,2 78,0 78,0 0,0% 78,9
14. Landbouwproductie (12+13) 8.223,7 7.981,1 8.385,0 8.203,3 8.713,2 8.723,3 0,1% 8.301,3
15. Intermediair verbruik 5.829,5 5.825,8 6.000,5 6.079,2 6.265,3 6.416,6 2,4% 6.000,0
16. Afschrijving 800,0 796,7 784,8 771,0 778,7 786,4 1,0% 786,2
17. Netto toegevoegde waarde tegen basisprijzen (14-15-16) 1.594,2 1.358,5 1.599,7 1.353,2 1.669,3 1.520,2 -8,9% 1.515,0
18. Beloning van werknemers 633,5 672,1 636,2 670,7 682,5 682,5 0,0% 659,0
19. Andere belastingen op productie 6,7 8,7 3,2 3,8 3,5 3,5 1,0% 5,2
20. Andere subsidies op de productie 644,7 611,1 554,7 607,3 591,7 612,4 3,5% 601,9
21. Opbrengst van de productiefactoren (17-19+20) 2.232,2 1.960,9 2.151,2 1.956,8 2.257,4 2.129,0 -5,7% 2.111,7
Indicator A (2010=100) * 92,7 82,5 89,0 79,1 89,9 84,7 -5,8% 86,6
* Indicator A = index van het reële factorinkomen per arbeidseenheid in de landbouw, na deflatie


[1] In overleg met regionale overheden en experts.

Tabel
Content

Landbouweconomische rekeningen (tegen lopende prijzen): waarden tegen basisprijs (mln €)

  2015 2016 2017 2018 2019 2020 voorlopig 2020/2019 (%) Gemiddelde 2015-2019
1. Granen (incl. zaden) 453,8 305,9 376,8 417,8 435,9 482,8 10,8% 398,0
2. Nijverheidsgewassen 217,3 198,6 228,4 222,9 229,6 195,6 -14,8% 219,4
3. Voedergewassen 629,0 600,8 659,4 639,5 681,4 748,1 9,8% 642,0
4. Groenten en tuinbouwproducten 1.337,3 1.336,3 1.342,2 1.407,0 1.561,9 1.683,2 7,8% 1.396,9
Verse groenten 839,9 858,9 845,6 851,3 975,2 1.084,3 11,2% 874,2
Planten en bloemen 497,3 477,5 496,6 555,7 586,6 598,9 2,1% 522,8
5. Aardappelen (incl. zaden) 503,1 697,3 519,7 464,0 483,8 383,8 -20,7% 533,5
6. Fruit 462,7 428,8 421,8 461,3 484,8 592,6 22,2% 451,9
7. Andere plantaardige producten 29,3 27,9 27,9 27,9 27,9 29,0 4,0% 28,2
8. Plantaardige productie (1 tot 7) 3.632,4 3.595,7 3.576,1 3.640,4 3.905,1 4.115,3 5,4% 3.669,9
9. Dieren 3.212,7 3.174,6 3.263,4 3.108,1 3.254,5 3.086,1 -5,2% 3.202,6
Rundvee 1.132,3 1.115,2 1.039,6 1.040,3 953,5 954,5 0,1% 1.056,2
Varkens 1.380,2 1.356,1 1.468,2 1.274,0 1.552,5 1.428,2 -8,0% 1.406,2
Pluimvee 661,7 665,1 714,3 752,1 708,7 662,6 -6,5% 700,4
10. Dierlijke producten 1.297,6 1.129,1 1.469,1 1.377,7 1.475,7 1.443,9 -2,2% 1.349,8
Melk 1.097,2 1.014,9 1.344,9 1.272,7 1.351,3 1.315,9 -2,6% 1.216,2
Eieren 199,9 113,6 123,2 103,9 123,2 126,8 2,9% 132,8
11. Dierlijke productie (9+10) 4.510,3 4.303,6 4.732,5 4.485,8 4.730,1 4.530,0 -4,2% 4.552,5
12. Productie van landbouwgoederen (8+11) 8.142,7 7.899,3 8.308,6 8.126,2 8.635,3 8.645,3 0,1% 8.222,4
13. Productie van landbouwdiensten 81,0 81,8 76,4 77,2 78,0 78,0 0,0% 78,9
14. Landbouwproductie (12+13) 8.223,7 7.981,1 8.385,0 8.203,3 8.713,2 8.723,3 0,1% 8.301,3
15. Intermediair verbruik 5.829,5 5.825,8 6.000,5 6.079,2 6.265,3 6.416,6 2,4% 6.000,0
16. Afschrijving 800,0 796,7 784,8 771,0 778,7 786,4 1,0% 786,2
17. Netto toegevoegde waarde tegen basisprijzen (14-15-16) 1.594,2 1.358,5 1.599,7 1.353,2 1.669,3 1.520,2 -8,9% 1.515,0
18. Beloning van werknemers 633,5 672,1 636,2 670,7 682,5 682,5 0,0% 659,0
19. Andere belastingen op productie 6,7 8,7 3,2 3,8 3,5 3,5 1,0% 5,2
20. Andere subsidies op de productie 644,7 611,1 554,7 607,3 591,7 612,4 3,5% 601,9
21. Opbrengst van de productiefactoren (17-19+20) 2.232,2 1.960,9 2.151,2 1.956,8 2.257,4 2.129,0 -5,7% 2.111,7
Indicator A (2010=100) * 92,7 82,5 89,0 79,1 89,9 84,7 -5,8% 86,6
* Indicator A = index van het reële factorinkomen per arbeidseenheid in de landbouw, na deflatie

Doel en korte beschrijving

De landbouweconomische rekeningen (LER) bieden een systematisch en vergelijkbaar overzicht van de economische activiteit in de bedrijfstak landbouw. Zij omvatten de netto toegevoegde waarde (productierekening, d.i. de vergoeding van alle productiefactoren), het netto overschot van de exploitatie (exploitatierekening, d.i. de opbrengst van de grond, het kapitaal en de niet-bezoldigde arbeidskracht) en het netto bedrijfsinkomen (bedrijfsinkomensrekening, d.i. de vergoeding van de niet-bezoldigde arbeidskracht, van de gronden die eigendom zijn van de bedrijven en van het kapitaal). De netto toegevoegde waarde wordt enerzijds berekend tegen producentenprijzen (d.w.z. zonder rekening te houden met subsidies aan en belastingen op de productie) en anderzijds tegen factorkosten of tegen basisprijzen (waarbij rekening wordt gehouden met deze subsidies en belastingen). Zij worden opgemaakt voor alle landbouweconomische eenheden van het land, die vallen onder de bedrijfstak landbouw. Concreet omvat die bedrijfstak alle landbouwbedrijven die bij de landbouwenquêtes in mei worden bevraagd en die beantwoorden aan de definitie van een landbouwbedrijf die wordt gehanteerd bij die telling.

De LER zijn jaarlijks en worden afgesloten in september van het jaar dat volgt op het referentiejaar. Alle bronnen met statistische gegevens over landbouw, zowel binnen als buiten Statbel, worden gebruikt om deze rekeningen op te maken.