Landbouweconomische rekeningen

Tweede prognose van de landbouweconomische rekeningen

Landbouw & Visserij
Tweede prognose van de landbouweconomische rekeningen

Revisie 14 juli 2020

De tweede prognose van de landbouweconomische rekeningen bevestigt een verbetering voor het jaar 2019. De bruto toegevoegde waarde van de sector zou dus opnieuw de grens van 2 miljard overschrijden (2,28 miljard tegenover 1,96 miljard in 2018). De verschillen ten opzichte van de vorige raming hebben betrekking op granen, nijverheidsgewassen en fruit.

Voor de laatste twee categorieën zijn de waarden naar boven bijgesteld na respectievelijk een opwaartse herziening van de opbrengstraming voor bepaalde nijverheidsgewassen en hogere prijzen voor peren dan oorspronkelijk geraamd.

Ten slotte wordt verwacht dat de waarde van graangewassen ten opzichte van 2018 zal dalen, aangezien de stijging van het oogstvolume de daling van de oogstprijzen niet zal kunnen compenseren.
Het onderstaande persbericht werd met betrekking tot deze nieuwe resultaten geactualiseerd.

Enkele gunstige wendingen na een moeilijk jaar 2018 voor de landbouwsector

Statbel1, het Belgische statistiekbureau, heeft de tweede ramingen van het inkomen van de landbouwers voor het jaar 2019 aan de Europese Commissie (Eurostat) gecommuniceerd. 

  • Na een jaar 2018 waarin een groot deel van de landbouwsector zwaar te lijden heeft gehad, blijken de eerste waarnemingen voor dit jaar en de oogst 2019 beter te zijn: de netto toegevoegde waarde van de sector zou met 25,8% stijgen, zonder evenwel de resultaten van 2017 te overschrijden.
  • Zowel de plantaardige als de dierlijke productie zijn met ongeveer 6% in waarde gestegen.

In 2019 steeg de productie van de landbouwtak met 6,1% en het intermediair verbruik met 2,9%. De netto toegevoegde waarde van de sector is dus hoger dan een jaar eerder en hoger dan het gemiddelde van de laatste vijf jaar. Over het algemeen toont de analyse van de waarde van de productie van de landbouwtak op middellange termijn dat er een grote mate van variabiliteit is als gevolg van het wisselvallige karakter van de opbrengst van de landbouwteelten en de volatiliteit van de prijzen.

Evolutie van de totale waarde van de productie, het intermediair verbruik en de netto toegevoegde waarde (miljoen euro).

LER2019_bis_a_nl

In dit onzekere klimaat worden echter twee trends bevestigd. De eerste is de stijging van het intermediair verbruik, met name door de aanhoudende stijging van de energieprijzen. De tweede is de dalende trend van het inkomen uit de productiefactoren. Dit inkomen is gelijk aan de omzet van de sector, verminderd met het intermediair verbruik en belastingen en vermeerderd met subsidies. Als men deze indicator deflateert, stelt men vast dat de afwisselende resultaten van de sector een zekere erosie van de sector verhullen.

Evolutie van het inkomen uit de productiefactoren tegen lopende prijzen en vaste prijzen (basis 2010) (miljoen euro)

LER2019_bis_b_nl

Plantaardige productie

Hoewel de waarde van de productie dit jaar over het geheel genomen is verbeterd, zijn er toch grote verschillen. De granen profiteerden van de gunstige weersomstandigheden in het begin van het jaar en de Europese tarweopbrengsten zouden over het algemeen goed moeten zijn. Rekening houdend met het feit dat de oppervlakte granen in 2019 bovendien is toegenomen, zou het productievolume met 23,3% moeten toenemen, terwijl de prijzen voor deze oogst met bijna 19,4% zouden dalen. Uiteindelijk zou de waarde van de productie voor granen met 0,7% dalen.

Terwijl het klimaat gunstig was voor granen, was het nefast voor bepaalde nijverheidsgewassen, zowel voor het oogsten als voor het zaaien. De geschatte waarde van de sector zou 8,6% lager zijn dan in 2018. Alleen al voor bieten zou de daling ongeveer 7% bedragen. De bebouwde oppervlakte suikerbieten is met 7,5% gedaald ten opzichte van de Europese markten en wereldmarkten voor suiker die onder druk staan. De suikerprijzen blijven zeer laag, terwijl de voorraden op Europees niveau zelf dalen.

In die context wint de aardappel terrein. De met aardappelen bebouwde oppervlaktes zijn met 5,5% gestegen. Dankzij een betere opbrengst dan het jaar voordien, zou het volume-effect +33,3% bedragen. De prijzen van deze oogst zouden 10,8% lager liggen dan die van het voorgaande jaar, zodat de geschatte waarde voor 2019 uiteindelijk 18,8% hoger zou uitvallen dan in 2018, wat in lijn is met het gemiddelde van de laatste vijf jaar.

Ten slotte zou de plantaardige productie ook profiteren van de stijging van de afzetprijzen voor groenten en fruit met respectievelijk 11,3 % en 3,4%. Volgens deze tweede ramingen zou de fruitproductie met 6,7% dalen en de waarde van de productie zou in 2019 bijgevolg slechts met 3,9% stijgen.

Dierlijke productie

Wat de dierlijke productie betreft, bevestigt de rundvleessector een zekere stabiliteit ten opzichte van een zeer volatiele varkenssector. In 2018 had de Afrikaanse varkenspest (AVP) de prijzen voor onze veehouders op een laag niveau gebracht, nadat ze het jaar voordien opmerkelijk waren gestegen. Dit jaar zijn de gevolgen van deze crisis vooral voelbaar op het Aziatische continent. Met de verspreiding van de Afrikaanse varkenspest is de wereldwijde vraag naar varkensvlees explosief gestegen en hoewel de embargo's op ons vlees (inclusief dat van China) worden gehandhaafd, kan de daaruit voortvloeiende prijsstijging ook gevolgen hebben gehad voor onze veehouders. De stijging van de waarde van de varkensproductie (+21,9%) is volledig toe te schrijven aan deze trendbreuk, aangezien het aantal slachtingen is gedaald.

Ten slotte is ook de waarde van de productie van dierlijke producten in 2019 gestegen. Zowel voor melk als eieren is deze stijging vooral te danken aan een volume-effect van +5,5% voor melk en +2,9% voor eieren.

Evolutie van de dierlijke productie tussen 2018 en 2019

LER2019_bis_c_nl

Landbouweconomische rekeningen (tegen lopende prijzen): waarden tegen basisprijs (mln €)

  2014 2015 2016 2017 2018 2019 voorlopig 2019/2018 (%) Gemiddelde 2014-2018
1. Granen (incl. zaden) 451,6 453,8 305,9 376,8 418,8 415,9 -0,7% 401,4
2. Nijverheidsgewassen 231,3 217,3 198,6 228,4 217,2 198,5 -8,6% 218,6
3. Voedergewassen 684,1 629,0 600,8 659,4 649,8 703,5 8,3% 644,6
4. Groenten en tuinbouwproducten 1.215,5 1.337,3 1.336,3 1.342,2 1.343,2 1.425,3 6,1% 1.314,9
Verse groenten 702,6 839,9 858,9 845,6 851,3 897,7 5,4% 819,7
Planten en bloemen 512,9 497,3 477,5 496,6 491,9 527,6 7,3% 495,3
5. Aardappelen (incl. zaden) 419,4 503,1 697,3 519,7 464,0 551,3 18,8% 520,7
6. Fruit 426,2 462,7 428,8 421,8 461,3 479,2 3,9% 440,2
7. Andere plantaardige producten 29,2 29,3 27,9 27,9 27,9 28,7 3,0% 28,4
8. Plantaardige productie (1 tot 7) 3.457,3 3.632,4 3.595,7 3.576,1 3.582,2 3.802,3 6,1% 3.568,7
9. Dieren 3.086,6 3.212,7 3.174,6 3.263,4 3.153,0 3.339,6 5,9% 3.178,0
Rundvee 1.060,0 1.132,3 1.115,2 1.039,6 1.029,4 989,7 -3,9% 1.075,3
Varkens 1.479,9 1.380,2 1.356,1 1.468,2 1.315,8 1.603,8 21,9% 1.400,0
Pluimvee 506,9 661,7 665,1 714,3 764,4 703,8 -7,9% 662,5
10. Dierlijke producten 1.500,0 1.297,6 1.129,1 1.469,1 1.377,7 1.470,1 6,7% 1.354,7
Melk 1.297,8 1.097,2 1.014,9 1.344,9 1.272,7 1.362,2 7,0% 1.205,5
Eieren 201,7 199,9 113,6 123,2 103,9 106,9 2,9% 148,5
11. Dierlijke productie (9+10) 4.586,5 4.510,3 4.303,6 4.732,5 4.530,7 4.809,8 6,2% 4.532,7
12. Productie van landbouwgoederen (8+11) 8.043,9 8.142,7 7.899,3 8.308,6 8.112,8 8.612,1 6,2% 8.101,5
13. Productie van landbouwdiensten 80,3 81,0 81,8 76,4 77,2 78,7 1,9% 79,3
14. Landbouwproductie (12+13) 8.124,2 8.223,7 7.981,1 8.385,0 8.190,0 8.690,8 6,1% 8.180,8
15. Intermediair verbruik 5.981,7 5.829,5 5.825,8 6.000,5 6.230,7 6.411,4 2,9% 5.973,6
16. Afschrijving 800,1 800,0 796,7 784,8 749,7 757,2 1,0% 786,3
17. Netto toegevoegde waarde tegen basisprijzen (14-15-16) 1.342,3 1.594,2 1.358,5 1.599,7 1.209,6 1.522,1 25,8% 1.420,9
18. Beloning van werknemers 621,3 633,5 672,1 636,2 670,7 688,9 2,7% 646,7
19. Andere belastingen op productie 6,8 6,7 8,7 3,2 2,4 2,4 1,0% 5,6
20. Andere subsidies op de productie 643,0 644,7 611,1 554,7 607,3 560,3 -7,7% 612,1
21. Opbrengst van de productiefactoren (17-19+20) 1.978,5 2.232,2 1.960,9 2.151,2 1.814,5 2.080,0 14,6% 2.027,4
Indicator A (2010=100) * 83,7 92,7 82,6 89,2 73,6 83,1 12,9% 84,4
* Indicator A = index van het reële factorinkomen per arbeidseenheid in de landbouw, na deflatie


1 In overleg met de gewestelijke overheden en met deskundigen.

Tabel
Content

Landbouweconomische rekeningen (tegen lopende prijzen): waarden tegen basisprijs (mln €)

  2014 2015 2016 2017 2018 2019 voorlopig 2019/2018 (%) Gemiddelde 2014-2018
1. Granen (incl. zaden) 451,6 453,8 305,9 376,8 418,8 415,9 -0,7% 401,4
2. Nijverheidsgewassen 231,3 217,3 198,6 228,4 217,2 198,5 -8,6% 218,6
3. Voedergewassen 684,1 629,0 600,8 659,4 649,8 703,5 8,3% 644,6
4. Groenten en tuinbouwproducten 1.215,5 1.337,3 1.336,3 1.342,2 1.343,2 1.425,3 6,1% 1.314,9
Verse groenten 702,6 839,9 858,9 845,6 851,3 897,7 5,4% 819,7
Planten en bloemen 512,9 497,3 477,5 496,6 491,9 527,6 7,3% 495,3
5. Aardappelen (incl. zaden) 419,4 503,1 697,3 519,7 464,0 551,3 18,8% 520,7
6. Fruit 426,2 462,7 428,8 421,8 461,3 479,2 3,9% 440,2
7. Andere plantaardige producten 29,2 29,3 27,9 27,9 27,9 28,7 3,0% 28,4
8. Plantaardige productie (1 tot 7) 3.457,3 3.632,4 3.595,7 3.576,1 3.582,2 3.802,3 6,1% 3.568,7
9. Dieren 3.086,6 3.212,7 3.174,6 3.263,4 3.153,0 3.339,6 5,9% 3.178,0
Rundvee 1.060,0 1.132,3 1.115,2 1.039,6 1.029,4 989,7 -3,9% 1.075,3
Varkens 1.479,9 1.380,2 1.356,1 1.468,2 1.315,8 1.603,8 21,9% 1.400,0
Pluimvee 506,9 661,7 665,1 714,3 764,4 703,8 -7,9% 662,5
10. Dierlijke producten 1.500,0 1.297,6 1.129,1 1.469,1 1.377,7 1.470,1 6,7% 1.354,7
Melk 1.297,8 1.097,2 1.014,9 1.344,9 1.272,7 1.362,2 7,0% 1.205,5
Eieren 201,7 199,9 113,6 123,2 103,9 106,9 2,9% 148,5
11. Dierlijke productie (9+10) 4.586,5 4.510,3 4.303,6 4.732,5 4.530,7 4.809,8 6,2% 4.532,7
12. Productie van landbouwgoederen (8+11) 8.043,9 8.142,7 7.899,3 8.308,6 8.112,8 8.612,1 6,2% 8.101,5
13. Productie van landbouwdiensten 80,3 81,0 81,8 76,4 77,2 78,7 1,9% 79,3
14. Landbouwproductie (12+13) 8.124,2 8.223,7 7.981,1 8.385,0 8.190,0 8.690,8 6,1% 8.180,8
15. Intermediair verbruik 5.981,7 5.829,5 5.825,8 6.000,5 6.230,7 6.411,4 2,9% 5.973,6
16. Afschrijving 800,1 800,0 796,7 784,8 749,7 757,2 1,0% 786,3
17. Netto toegevoegde waarde tegen basisprijzen (14-15-16) 1.342,3 1.594,2 1.358,5 1.599,7 1.209,6 1.522,1 25,8% 1.420,9
18. Beloning van werknemers 621,3 633,5 672,1 636,2 670,7 688,9 2,7% 646,7
19. Andere belastingen op productie 6,8 6,7 8,7 3,2 2,4 2,4 1,0% 5,6
20. Andere subsidies op de productie 643,0 644,7 611,1 554,7 607,3 560,3 -7,7% 612,1
21. Opbrengst van de productiefactoren (17-19+20) 1.978,5 2.232,2 1.960,9 2.151,2 1.814,5 2.080,0 14,6% 2.027,4
Indicator A (2010=100) * 83,7 92,7 82,6 89,2 73,6 83,1 12,9% 84,4
* Indicator A = index van het reële factorinkomen per arbeidseenheid in de landbouw, na deflatie

Doel en korte beschrijving

De landbouweconomische rekeningen (LER) bieden een systematisch en vergelijkbaar overzicht van de economische activiteit in de bedrijfstak landbouw. Zij omvatten de netto toegevoegde waarde (productierekening, d.i. de vergoeding van alle productiefactoren), het netto overschot van de exploitatie (exploitatierekening, d.i. de opbrengst van de grond, het kapitaal en de niet-bezoldigde arbeidskracht) en het netto bedrijfsinkomen (bedrijfsinkomensrekening, d.i. de vergoeding van de niet-bezoldigde arbeidskracht, van de gronden die eigendom zijn van de bedrijven en van het kapitaal). De netto toegevoegde waarde wordt enerzijds berekend tegen producentenprijzen (d.w.z. zonder rekening te houden met subsidies aan en belastingen op de productie) en anderzijds tegen factorkosten of tegen basisprijzen (waarbij rekening wordt gehouden met deze subsidies en belastingen). Zij worden opgemaakt voor alle landbouweconomische eenheden van het land, die vallen onder de bedrijfstak landbouw. Concreet omvat die bedrijfstak alle landbouwbedrijven die bij de landbouwenquêtes in mei worden bevraagd en die beantwoorden aan de definitie van een landbouwbedrijf die wordt gehanteerd bij die telling.

De LER zijn jaarlijks en worden afgesloten in september van het jaar dat volgt op het referentiejaar. Alle bronnen met statistische gegevens over landbouw, zowel binnen als buiten Statbel, worden gebruikt om deze rekeningen op te maken.