Landbouweconomische rekeningen

In 2021 waren energieprijzen en veevoederprijzen een spelbreker voor de landbouwbedrijven

Landbouw & Visserij
In 2021 waren energieprijzen en veevoederprijzen een spelbreker voor de landbouwbedrijven

Statbel[1], het Belgische statistiekbureau, heeft de eerste ramingen van het inkomen van de landbouwers voor het jaar 2021 aan de Europese Commissie (Eurostat) gecommuniceerd.

  • Als gevolg van de stijgende prijzen van de productiemiddelen is de netto toegevoegde waarde van de landbouw in 2021 met 8,2% gedaald.
  • De stijging van het intermediair verbruik wordt geraamd op 15,4%: de kosten van energie, veevoeder en meststoffen hebben een sterke invloed op de financiële rentabiliteit van de landbouwsector.
  • De weersomstandigheden waren ongunstig voor de opbrengsten van graan en sommige tuinbouwgewassen (peren en tomaten).

Evolutie totale waarde

Statbel schat dat de productiewaarde van de landbouwsector in 2021 met 9,0% zal stijgen, terwijl het intermediair verbruik met 15,4% zou moeten toenemen. Deze kostenstijging zou resulteren in een daling van de netto toegevoegde waarde van de landbouw. Rekening houdend met de uitgaven voor de bezoldiging van arbeidskrachten en de overdrachten van de overheid (belastingen en subsidies die niet rechtstreeks verband houden met de productie), zou het inkomen uit de productiefactoren met 7,2% dalen.

De stijging van het intermediair verbruik is grotendeels toe te schrijven aan de evolutie van de prijzen van de productiemiddelen. Terwijl de energieprijzen vorig jaar zijn gedaald, hebben ze dat dit jaar meer dan goedgemaakt. Dit heeft niet alleen gevolgen voor het verbruik van brandstoffen, maar ook voor de prijs van meststoffen (gas is een essentieel element bij de vervaardiging van stikstofhoudende meststoffen). Sommige industriële vestigingen hebben, gezien de stijgende productiekosten, de productie van deze meststoffen opgeschort, waardoor de prijzen verder zijn gestegen en het risico op tekorten is toegenomen. De jaarlijkse prijzen voor meststoffen zullen naar schatting 1,5 keer hoger liggen dan vorig jaar.

Naast energie is ook de prijs van veevoeder gestegen, wat een negatief effect heeft op de rentabiliteit van de verschillende veeteeltsectoren. De uitzonderlijke stijging van de prijzen voor granen en olie-en eiwitrijke gewassen op de Europese en de wereldmarkt heeft een positief effect op de rentabiliteit van deze teelten, maar heeft een negatief effect op de veeteeltsectoren. Ook de prijzen van bereide voedingsmiddelen stijgen zodat het prijseffect van veevoeder op +15,1% wordt geraamd.

Plantaardige productie

Ondanks deze stijgende kosten profiteert de plantaardige sector van een verbetering van de productiewaarde van de teelten. Deze zou met 15,2% moeten stijgen, hoofdzakelijk onder invloed van de prijseffecten, met name voor graanproducten. Op basis van de prijzen aan het begin van de oogst wordt verwacht dat de afzetprijzen voor granen met 26,9% zullen stijgen. Deze stijging compenseert een duidelijke daling van de productievolumes (-7,8%). Met name de opbrengsten van wintertarwe en spelt hebben geleden onder de koude en natte zomermaanden. De oogsten moesten meermaals onderbroken worden en ondanks een toename van de bezaaiingen is de productie van wintertarwe met 7,1% gedaald ten opzichte van vorig jaar. De speltproductie deed het beter, alleen dankzij een toename van het areaal met 22,4%, waardoor de productie ten opzichte van 2020 met 9,1% kon toenemen.

Plantaardige productie

Er wordt verwacht dat ook de opbrengst van oliehoudende planten een daling zal vertonen, waardoor de productie 6,9% lager zal liggen dan bij de vorige oogst. De huidige marktprijzen maken echter een verbetering van de productiewaarde met naar schatting 51,1% mogelijk. Bij de suikerbietenteelt heeft de lichte stijging van de opbrengsten (+2,3%) de vermindering van de beplante oppervlakten (-2,9%) gedeeltelijk gecompenseerd. De prijzen van witte suiker op de Europese markten wijzen op een lichte stijging van de afzetprijs voor de lopende oogst, waardoor de productiewaarde van deze teelt met 3,5% zou toenemen.

Wat de tuinbouw betreft, waren de oogsten succesvol voor aardbeien, bessen en appelen. Daarentegen daalt de productie van peren, net als elders in Europa. De vorst in april en de regenachtige zomer hebben de productie doen afnemen. Verwacht wordt dat de huidige afzetprijzen deze verliezen zullen compenseren. De waarde van de fruitproductie zou met 32,6% stijgen. Die van groenten zou slechts met 2,4% toenemen ten opzichte van 2020 met een daling van het productievolume, vooral van tomaten, en een prijsstijging van 6,8%.

Dierlijke productie

Over het algemeen is de waarde van de dierlijke productie stabiel. De jaarlijkse evolutie van het geproduceerde volume zou 2,1 % bedragen en de prijzen zouden met 2,7 % dalen. Natuurlijk kunnen de situaties in de verschillende sectoren sterk uiteenlopen en blijft de varkenssector dit jaar alle aandacht trekken. Hoewel België de ziektevrije status "Afrikaanse varkenspest" (AVP) heeft herwonnen, komt de sector er niet ongeschonden uit. Ten eerste zijn niet alle embargo's opgeheven en ten tweede is er een overschot aan productie op de Europese markt en is de uitvoer naar Azië moeilijk. Het probleem reikt verder dan België. De afzetprijzen staan dan ook in heel Europa onder druk. In België zijn de prijzen naar schatting in één jaar tijd met 17,5% gedaald, terwijl de prijzen in 2020 al gedaald waren. De stijging van de productie met 6,0% zou niet volstaan om de sector, die de waarde van zijn productie tussen 2020 en 2021 naar verwachting met 12,5% zal zien dalen, er weer bovenop te helpen.

De pluimvee-, schapen- en geitensectoren zien hun productiewaarde stijgen als gevolg van de prijsstijgingen: +18,7% in productiewaarde voor pluimvee en +21,8% voor schapen en geiten. Ten slotte kent de rundveehouderij een herstel van de prijzen, zowel voor vlees als voor zuivelproducten. De karkasproductie ligt naar schatting 2,8% lager dan in 2020, maar de prijzen stijgen, vooral voor de best bevleesde karkassen. De waarde van de productie zou met 3,6% moeten stijgen. Na een daling in 2020 zijn de melkprijzen opnieuw aan het stijgen (+14,3%). Aangezien de productie op Belgisch en Europees niveau naar verwachting relatief stabiel zal blijven, zou de productiewaarde in 2021 met 15,7% moeten stijgen.

Dierlijke productie

Landbouweconomische rekeningen (tegen lopende prijzen): waarden tegen basisprijs (mln €)

  2016 2017 2018 2019 2020 2021 voorlopig 2021/2020 (%) Gemiddelde 2016-2020
1. Granen (incl. zaden) 305,9 376,8 417,8 435,9 486,4 568,9 17,0% 404,5
2. Nijverheidsgewassen 198,6 228,4 222,9 232,8 222,0 261,1 17,6% 220,9
3. Voedergewassen 600,8 659,4 639,5 691,5 713,1 951,5 33,4% 660,8
4. Groenten en tuinbouwproducten 1.336,3 1.342,2 1.407,0 1.561,0 1.627,3 1.681,9 3,4% 1.454,8
Verse groenten 858,9 845,6 851,3 974,4 1.094,8 1.120,8 2,4% 925,0
Planten en bloemen 477,5 496,6 555,7 586,6 532,5 561,2 5,4% 529,8
5. Aardappelen (incl. zaden) 697,3 519,7 464,0 492,1 445,1 472,7 6,2% 523,6
6. Fruit 428,8 421,8 461,3 484,9 527,2 699,2 32,6% 464,8
7. Andere plantaardige producten 27,9 27,9 27,9 27,9 29,0 30,7 6,0% 28,1
8. Plantaardige productie (1 tot 7) 3.595,7 3.576,1 3.640,4 3.926,1 4.050,0 4.666,1 15,2% 3.757,6
9. Dieren 3.174,6 3.263,4 3.108,1 3.268,9 3.270,4 3.248,2 -0,7% 3.217,1
Rundvee 1.115,2 1.039,6 1.040,3 973,1 1.131,7 1.172,6 3,6% 1.060,0
Varkens 1.356,1 1.468,2 1.274,0 1.550,0 1.470,3 1.286,0 -12,5% 1.423,7
Pluimvee 665,1 714,3 752,1 707,3 628,2 745,7 18,7% 693,4
10. Dierlijke producten 1.129,1 1.469,1 1.380,8 1.478,5 1.448,6 1.660,6 14,6% 1.381,2
Melk 1.014,9 1.344,9 1.275,8 1.354,1 1.322,8 1.530,5 15,7% 1.262,5
Eieren 113,6 123,2 103,9 123,2 124,6 129,0 3,5% 117,7
11. Dierlijke productie (9+10) 4.303,6 4.732,5 4.488,9 4.747,4 4.719,0 4.908,8 4,0% 4.598,3
12. Productie van landbouwgoederen (8+11) 7.899,3 8.308,6 8.129,3 8.673,5 8.769,0 9.574,9 9,2% 8.355,9
13. Productie van landbouwdiensten 164,9 163,7 175,5 190,8 195,7 198,8 1,6% 178,1
14. Landbouwproductie (12+13) 8.064,2 8.472,3 8.304,8 8.864,3 8.964,7 9.773,7 9,0% 8.534,1
15. Intermediair verbruik 5.825,8 6.000,5 6.079,2 6.237,1 6.292,2 7.260,3 15,4% 6.086,9
16. Afschrijving 796,7 784,8 771,0 737,4 741,9 741,9 0,0% 766,4
17. Netto toegevoegde waarde tegen basisprijzen (14-15-16) 1.441,6 1.687,1 1.454,7 1.889,9 1.930,6 1.771,5 -8,2% 1.680,8
18. Beloning van werknemers 672,1 636,2 670,7 682,5 722,1 741,7 2,7% 676,7
19. Andere belastingen op productie 8,7 3,2 3,8 3,0 3,0 3,0 0,0% 4,3
20. Andere subsidies op de productie 611,1 554,7 607,3 613,3 645,7 619,1 -4,1% 606,4
21. Opbrengst van de productiefactoren (17-19+20) 2.044,0 2.238,5 2.058,2 2.500,1 2.573,3 2.387,6 -7,2% 2.282,8
Indicator A (2010=100) * 82,5 89,0 79,7 95,2 96,0 86,2 -10,1% 86,6
* Indicator A = index van het reële factorinkomen per arbeidseenheid in de landbouw, na deflatie


[1] In samenwerking met de gewestelijke overheden en experten.

Tabel
Content

Landbouweconomische rekeningen (tegen lopende prijzen): waarden tegen basisprijs (mln €)

  2016 2017 2018 2019 2020 2021 voorlopig 2021/2020 (%) Gemiddelde 2016-2020
1. Granen (incl. zaden) 305,9 376,8 417,8 435,9 486,4 568,9 17,0% 404,5
2. Nijverheidsgewassen 198,6 228,4 222,9 232,8 222,0 261,1 17,6% 220,9
3. Voedergewassen 600,8 659,4 639,5 691,5 713,1 951,5 33,4% 660,8
4. Groenten en tuinbouwproducten 1.336,3 1.342,2 1.407,0 1.561,0 1.627,3 1.681,9 3,4% 1.454,8
Verse groenten 858,9 845,6 851,3 974,4 1.094,8 1.120,8 2,4% 925,0
Planten en bloemen 477,5 496,6 555,7 586,6 532,5 561,2 5,4% 529,8
5. Aardappelen (incl. zaden) 697,3 519,7 464,0 492,1 445,1 472,7 6,2% 523,6
6. Fruit 428,8 421,8 461,3 484,9 527,2 699,2 32,6% 464,8
7. Andere plantaardige producten 27,9 27,9 27,9 27,9 29,0 30,7 6,0% 28,1
8. Plantaardige productie (1 tot 7) 3.595,7 3.576,1 3.640,4 3.926,1 4.050,0 4.666,1 15,2% 3.757,6
9. Dieren 3.174,6 3.263,4 3.108,1 3.268,9 3.270,4 3.248,2 -0,7% 3.217,1
Rundvee 1.115,2 1.039,6 1.040,3 973,1 1.131,7 1.172,6 3,6% 1.060,0
Varkens 1.356,1 1.468,2 1.274,0 1.550,0 1.470,3 1.286,0 -12,5% 1.423,7
Pluimvee 665,1 714,3 752,1 707,3 628,2 745,7 18,7% 693,4
10. Dierlijke producten 1.129,1 1.469,1 1.380,8 1.478,5 1.448,6 1.660,6 14,6% 1.381,2
Melk 1.014,9 1.344,9 1.275,8 1.354,1 1.322,8 1.530,5 15,7% 1.262,5
Eieren 113,6 123,2 103,9 123,2 124,6 129,0 3,5% 117,7
11. Dierlijke productie (9+10) 4.303,6 4.732,5 4.488,9 4.747,4 4.719,0 4.908,8 4,0% 4.598,3
12. Productie van landbouwgoederen (8+11) 7.899,3 8.308,6 8.129,3 8.673,5 8.769,0 9.574,9 9,2% 8.355,9
13. Productie van landbouwdiensten 164,9 163,7 175,5 190,8 195,7 198,8 1,6% 178,1
14. Landbouwproductie (12+13) 8.064,2 8.472,3 8.304,8 8.864,3 8.964,7 9.773,7 9,0% 8.534,1
15. Intermediair verbruik 5.825,8 6.000,5 6.079,2 6.237,1 6.292,2 7.260,3 15,4% 6.086,9
16. Afschrijving 796,7 784,8 771,0 737,4 741,9 741,9 0,0% 766,4
17. Netto toegevoegde waarde tegen basisprijzen (14-15-16) 1.441,6 1.687,1 1.454,7 1.889,9 1.930,6 1.771,5 -8,2% 1.680,8
18. Beloning van werknemers 672,1 636,2 670,7 682,5 722,1 741,7 2,7% 676,7
19. Andere belastingen op productie 8,7 3,2 3,8 3,0 3,0 3,0 0,0% 4,3
20. Andere subsidies op de productie 611,1 554,7 607,3 613,3 645,7 619,1 -4,1% 606,4
21. Opbrengst van de productiefactoren (17-19+20) 2.044,0 2.238,5 2.058,2 2.500,1 2.573,3 2.387,6 -7,2% 2.282,8
Indicator A (2010=100) * 82,5 89,0 79,7 95,2 96,0 86,2 -10,1% 86,6
* Indicator A = index van het reële factorinkomen per arbeidseenheid in de landbouw, na deflatie

Doel en korte beschrijving

De landbouweconomische rekeningen (LER) bieden een systematisch en vergelijkbaar overzicht van de economische activiteit in de bedrijfstak landbouw. Zij omvatten de netto toegevoegde waarde (productierekening, d.i. de vergoeding van alle productiefactoren), het netto overschot van de exploitatie (exploitatierekening, d.i. de opbrengst van de grond, het kapitaal en de niet-bezoldigde arbeidskracht) en het netto bedrijfsinkomen (bedrijfsinkomensrekening, d.i. de vergoeding van de niet-bezoldigde arbeidskracht, van de gronden die eigendom zijn van de bedrijven en van het kapitaal). De netto toegevoegde waarde wordt enerzijds berekend tegen producentenprijzen (d.w.z. zonder rekening te houden met subsidies aan en belastingen op de productie) en anderzijds tegen factorkosten of tegen basisprijzen (waarbij rekening wordt gehouden met deze subsidies en belastingen). Zij worden opgemaakt voor alle landbouweconomische eenheden van het land, die vallen onder de bedrijfstak landbouw. Concreet omvat die bedrijfstak alle landbouwbedrijven die bij de landbouwenquêtes in mei worden bevraagd en die beantwoorden aan de definitie van een landbouwbedrijf die wordt gehanteerd bij die telling.

De LER zijn jaarlijks en worden afgesloten in september van het jaar dat volgt op het referentiejaar. Alle bronnen met statistische gegevens over landbouw, zowel binnen als buiten Statbel, worden gebruikt om deze rekeningen op te maken.