SILC definitions

Table of Contents

    Risico op armoede of sociale uitsluiting (AROPE)

    Risico op armoede of sociale uitsluiting, afgekort AROPE, verwijst naar de situatie waarin personen geconfronteerd worden met minstens één van de 3 volgende armoederisico’s: monetaire armoede, ernstige materiële deprivatie of leven in een huishouden met zeer lage werkintensiteit. De AROPE-graad, het aandeel van de totale bevolking dat een risico op armoede of sociale uitsluiting loopt, is de belangrijkste indicator om armoede op te volgen in het kader van de strategie “Europa 2020”.

    Armoededrempel

    De armoededrempel is gelijk aan 60% van het nationaal mediaan beschikbaar inkomen na sociale transfers.

    Armoederisico = Risico op monetaire armoede (AROP)

    Het armoederisico (AROP) verwijst naar het percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen (na sociale transfers) dat onder de armoededrempel ligt.

    De indicator meet geen rijkdom of armoede in sé, maar een laag inkomen in vergelijking met anderen in dat land. Dit impliceert niet noodzakelijk een lage levensstandaard.

    Armoederisico voor sociale transfers: Percentage personen waarvan het equivalent inkomen na deductie van alle sociale transfers onder de armoededrempel valt.

    Armoederisico voor sociale transfers, exclusief pensioenen: Percentage personen waarvan het equivalent inkomen na deductie van sociale transfers, met uitzondering van pensioen, onder de armoededrempel valt.

    Beschikbaar inkomen

    Het beschikbaar inkomen omvat alle inkomsten uit arbeid (lonen werknemers en inkomsten uit zelfstandige arbeid); privé-inkomsten uit investeringen en onroerend goed; transfers tussen huishoudens; alle sociale transfers ontvangen in contanten.

    Equivalent inkomen

    Equivalent inkomen is een maatstaf voor het huishoudinkomen die rekening houdt met de verschillen in de grootte en samenstelling van een huishouden, en is dus equivalent of equivalent gemaakt voor alle huishoudensgrootten en -composities. Het wordt gebruikt voor de berekening van indicatoren voor armoede en sociale uitsluiting.

    Het equivalente inkomen wordt berekend door het totale inkomen van het huishouden uit alle bronnen te delen door de equivalente grootte van het huishouden (c.f. equivalentieschaal).

    Equivalentieschaal

    De equivalentieschaal wordt berekend met behulp van de gewijzigde OESO-equivalentieschaal. Deze schaal kent een gewicht toe aan alle leden van het huishouden:

    • 1,0 voor de eerste volwassene;
    • 0,5 voor de tweede en elke volgende persoon van 14 jaar en ouder;
    • 0,3 voor elk kind onder de 14 jaar.

    De equivalente grootte is de som van de gewichten van alle leden van een bepaald huishouden.

    Equivalent beschikbaar inkomen

    Het equivalente beschikbaar inkomen is het totale inkomen van een huishouden, na aftrek van belastingen en andere (transferten naar andere huishoudens), dat beschikbaar is voor besteding of sparen, gedeeld door de equivalentieschaal (cf. equivalent inkomen).

    Het equivalente beschikbare inkomen wordt berekend in drie stappen:

    • alle monetaire inkomsten die van elke bron door elk lid van een huishouden worden ontvangen, worden opgeteld; deze omvatten inkomsten uit werk, investeringen en sociale uitkeringen, plus ander huishoudinkomen; belastingen en sociale premies die zijn betaald, worden van dit bedrag afgetrokken;
    • om de verschillen in de omvang en samenstelling van een huishouden weer te geven, wordt het totale (netto) gezinsinkomen gedeeld door de equivalentieschaal.
    • ten slotte wordt het resulterende cijfer het equivalente beschikbare inkomen genoemd en wordt dit gelijkelijk aan elk gezinslid toegeschreven.

    Gini-coëfficiënt

    De Gini-coëfficiënt meet de mate waarin de inkomensverdeling binnen een land afwijkt van een perfect gelijke verdeling. Een coëfficiënt van 0 geeft een perfecte gelijkheid weer waarin iedereen hetzelfde inkomen heeft, terwijl een coëfficiënt van 100 volledige ongelijkheid weergeeft waarbij slechts één persoon al het inkomen heeft.

    Inkomenskwintielgroep

    In sociale statistieken worden inkomenskwintielgroepen berekend op basis van het totale equivalente beschikbare inkomen dat aan elk gezinslid wordt toegerekend.
    De gegevens (van elke persoon) worden gerangschikt volgens de waarde van het totale equivalente beschikbare inkomen. Vier afkapwaarden (de zogenaamde kwintielafkapwaarden) van het inkomen worden geïdentificeerd, waardoor de onderzoekspopulatie wordt onderverdeeld in vijf groepen die in gelijke mate worden vertegenwoordigd door 20% van de individuen:

    • eerste kwintielgroep van equivalent inkomen;
    • tweede kwintielgroep van equivalent inkomen;
    • derde kwintielgroep van equivalent inkomen;
    • vierde kwintielgroep van equivalent inkomen;
    • vijfde kwintielgroep van equivalent inkomen.

    De eerste kwintielgroep vertegenwoordigt 20% van de bevolking met het laagste inkomen (een inkomen dat kleiner is of gelijk is aan de eerste afkapwaarde), en de vijfde kwintielgroep vertegenwoordigt de 20% van de bevolking met het hoogste inkomen (een inkomen dat groter is dan de vierde afkapwaarde).

    Ernstige materiële deprivatie (SMD)

    De mate van materiële deprivatie is een indicator die het onvermogen uitdrukt om sommige items die door de meeste mensen worden beschouwd als wenselijk of zelfs noodzakelijk om een adequaat leven te leiden, te veroorloven. De indicator maakt onderscheid tussen personen die een bepaald goed of een bepaalde dienst niet kunnen betalen, en degenen die dit goed of deze dienst niet hebben om een andere reden, bijvoorbeeld omdat ze het niet willen of niet nodig hebben.
    De indicator meet het percentage van de bevolking dat zich ten minste drie van de volgende negen items niet kan veroorloven:

    1. om hun huur, hypotheek of nutsrekeningen te betalen;
    2. om hun huis voldoende warm te houden;
    3. om onverwachte uitgaven te maken;
    4. regelmatig eten van vlees of eiwitten;
    5. om op vakantie te gaan;
    6. een kleurentelevisie;
    7. een wasmachine;
    8. een auto;
    9. een telefoon.

    Ernstige mate van materiële deprivatie (SMD) wordt gedefinieerd als het gedwongen onvermogen om te betalen voor ten minste vier van de bovengenoemde items.

    Lage werkintensiteit (LWI)

    De indicator personen die leven in huishoudens met een zeer lage werkintensiteit, wordt gedefinieerd als het aantal personen in een huishouden waar de leden in beroepsactieve leeftijd minder dan 20% van hun totale potentieel werkten gedurende de voorgaande twaalf maanden.
    De werkintensiteit van een huishouden is de verhouding van het totale aantal maanden dat alle leden van het huishouden in de werkende leeftijd hebben gewerkt tijdens het inkomensreferentiejaar en het totale aantal maanden dat dezelfde leden van het huishouden theoretisch in dezelfde periode zouden kunnen gewerkt hebben.
    Een werknemer in de werkende leeftijd is een persoon van 18-59 jaar, met uitsluiting van studenten in de leeftijdsgroep tussen 18 en 24 jaar.
    Huishoudens die alleen uit kinderen, studenten van minder dan 25 jaar en/of mensen van 60 jaar of ouder bestaan, zijn volledig uitgesloten van de indicatorberekening

    Armoede-intensiteit (RMG)

    De armoede-intensiteit (relatieve mediane armoederisicokloof) wordt berekend als het verschil tussen het mediaan equivalente beschikbare inkomen van personen onder de armoededrempel en de armoededrempel, uitgedrukt als een percentage van de armoededrempel.

    S80/S20-ratio = Aandeelverhouding in het inkomenskwintiel

    De aandeelverhouding in het inkomenskwintiel of de S80/S20-ratio is een maat voor de ongelijkheid van de inkomensverdeling. Het wordt berekend als de verhouding tussen het totale inkomen van de 20% van de bevolking met het hoogste inkomen (het topkwintiel) en de 20% van de bevolking met het laagste inkomen (het onderste kwintiel).

    Alle inkomens worden samengesteld als equivalente beschikbare inkomens.

    Sociale transferten

    Sociale transferten omvatten de sociale hulp van centrale, provinciale of lokale institutionele eenheden. Ze bevatten:

    • rustpensioenen (gepensioneerden) en overlevingspensioenen (weduwen en weduwnaars);
    • werkloosheidsuitkering;
    • familiale toelagen waaronder kinderbijslagen;
    • ziekte- en invaliditeitsuitkeringen;
    • onderwijsgerelateerde uitkeringen;
    • huurtoelagen;
    • sociale bijstand;
    • andere uitkeringen.

    Bron: Eurostat, Statistics explained, Thematic Glossaries