Transities op de arbeidsmarkt

Werklozen blijven minder vaak werkloos, maar evolueren vaker naar inactiviteit

Werk & Opleiding
Werklozen blijven minder vaak werkloos, maar evolueren vaker naar inactiviteit

Statbel publiceert vandaag de transities op de arbeidsmarkt tussen het derde kwartaal van 2021 en het derde kwartaal van 2022. Deze geven aan dat dat mensen nog vlot aan het werk blijven en dat werklozen terug makkelijker een job vinden in vergelijking met vorig kwartaal. Daarnaast blijkt de uitstroom van werkloosheid naar inactiviteit terug gestegen. Terwijl tussen het tweede kwartaal van 2021 en 2022 31,1% van de werklozen werk vond, is dit tussen het derde kwartaal van 2021 en het derde kwartaal van 2022 gestegen naar 33,8%. Tegelijk is het percentage werklozen dat de overgang maakte naar het statuut van inactiviteit (zoals gedefinieerd volgens de IAB definitie) gestegen van 26,7% naar 32,8%.

Inleiding

Om de situatie van de arbeidsmarkt in te schatten, is het niet alleen belangrijk om te weten hoeveel mensen er werkloos, inactief en werkend zijn, maar ook hoeveel mensen van statuut veranderen binnen een gegeven tijdspanne. Hoeveel van de werklozen in dit kwartaal waren een jaar eerder ook al werkzoekend? Hoeveel van hen zijn aan het werk gegaan? Welk percentage werkenden was een jaar eerder ook al werkend? Vragen die beantwoord kunnen worden met de Enquête naar de Arbeidskrachten, omdat dit een enquête is waarbij respondenten meerdere keren bevraagd worden.

We bespreken in dit persbericht de evolutie van het arbeidsmarktstatuut van mensen die een jaar geleden (derde kwartaal van 2021) werkend, werkloos en inactief waren en vergelijken dat met hun statuut in het huidige kwartaal (derde kwartaal van 2022). De focus ligt hierbij op de populatie van 15 tot en met 74 jaar. We publiceren daarnaast ook de vergelijking tussen het statuut in het vorige kwartaal (tweede kwartaal van 2022) en het statuut in het huidige kwartaal (derde kwartaal van 2022). Deze cijfers worden in deze tekst niet besproken, maar zijn wel terug te vinden bij Cijfers op de website.

Werkend

Een zeer hoog percentage van de mensen die een jaar geleden aan het werk was, is ook nu nog aan het werk. 94,4% van de werkenden die in het derde kwartaal van 2021 aan het werk was, is dit in het derde kwartaal van 2022 nog steeds. Daarnaast is 1,6% van de werkenden een jaar later werkloos geworden en 4,0% is inactief. Deze cijfers zijn vrij stabiel gebleven in vergelijking met het vorige kwartaal.

Als we deze cijfers voor verschillende groepen gaan bekijken, dan zien we dat het percentage dat aan het werk blijft overal hoog is: zowel bij mannen als vrouwen, in de drie gewesten en bij mensen met en zonder Belgische nationaliteit. Enkel volgens leeftijd en opleidingsniveau zijn er grotere verschillen. Van de 30- tot 74 jarigen blijft 96,6% aan het werk, in vergelijking met 83,9% van de 15- tot 29-jarigen. Hooggeschoolden (die minstens een diploma hoger onderwijs hebben) blijven makkelijk aan het werk: van de werkenden in het derde kwartaal van 2021 is een jaar later nog 96,3% aan de slag. Bij laaggeschoolden is het percentage dat aan het werk blijft lager: 87,5% van de laaggeschoolden die in het derde kwartaal van 2021 aan het werk waren, heeft na een jaar nog een job. De kloof tussen de laaggeschoolden en de hooggeschoolden is dit kwartaal wel iets kleiner geworden dan vorig kwartaal.

Werkloos

Vorig kwartaal viel op dat werklozen het moeilijker leken te hebben om de transitie naar werk te maken. Een vrij groot percentage van de werklozen in het tweede kwartaal van 2021 bleek een jaar later nog steeds werkloos (42,2%). Een kwartaal later is dat percentage flink gedaald. Nog maar 33,4% procent van de werklozen in het derde kwartaal van 2021 is ook werkloos in hetzelfde kwartaal één jaar later.

Opmerkelijk is wel dat deze daling van het aantal personen dat werkloos blijft niet gepaard gaat met een sterke stijging van het percentage dat van werkloos naar werkend gegaan is. Dat percentage is in vergelijking met het vorig kwartaal slechts lichtjes gestegen van 31,1% tot 33,8%. Dat betekent dus dat een aanzienlijk aandeel van de werklozen van in het derde kwartaal van 2021 de overgang gemaakt heeft van werkloosheid naar inactiviteit en dus niet meer actief op zoek is gegaan naar een job of niet beschikbaar is om binnen de twee weken te beginnen werken. Dit percentage evolueerde van 26,7% in het vorig kwartaal naar 32,8% in het huidige kwartaal.

In absolute aantallen betekent dit dat van de 342.500 werklozen in het derde kwartaal van 2021 er een jaar later 114.000 nog steeds werkloos zijn, 116.000 personen zijn aan het werk gegaan en 112.500 personen zijn inactief geworden.

We zien hier grote regionale verschillen: van de Vlaamse werklozen uit het derde kwartaal van 2021 is 31,4% na een jaar nog werkloos, een cijfer dat gelijk gebleven is in vergelijking met een kwartaal eerder. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in het Waals Gewest zien we hogere cijfers, maar ze zijn wel sterk gedaald in vergelijking met een kwartaal eerder. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest komt het percentage dat werkloos blijft over een tijdspanne van 1 jaar daarmee op 38,5% en voor het Waals Gewest op 32,3%.

Voor wat betreft de overgang van werkloosheid naar werk zien we opnieuw een verschil in evolutie tussen het Vlaamse Gewest enerzijds en het Waals en Brussels Hoofdstedelijk Gewest anderzijds. Verhoudingsgewijs maken Vlaamse werklozen minder frequent de overgang naar werk in vergelijking met een kwartaal eerder. Dit percentage daalde van 48,2% naar 41,9%, maar blijft een stuk hoger liggen dan in de twee overige Gewesten. In het Waals Gewest zien we dan weer een duidelijke stijging in het aandeel dat van werkloos naar werkend gaat: van 15,0% naar 26,4% en ook in Brussel evolueert het percentage van 30,8% tot 34,2%. De evolutie van werkloosheid naar inactiviteit is dan weer gestegen in elk van de drie gewesten.

Inactief

De overgrote meerderheid van de inactieven is dat een jaar later nog steeds. Van de 3,3 miljoen die in het derde kwartaal van 2021 inactief was is 89,6% of 2,99 miljoen dat een jaar later nog steeds. Slechts 7,3% of 242.000 personen is (opnieuw?) aan de slag gegaan en een klein percentage van 3,1% of 105.000 heeft de overgang gemaakt naar werkloosheid volgens de IAB definities. Dit betekent dat men nu wel op zoek is naar werk en ook beschikbaar is voor een job, terwijl men dat een jaar eerder niet was.

In het Vlaams Gewest en Waals Gewest blijven mensen vaker inactief dan in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met percentages van respectievelijk 89,7% in het Vlaams Gewest, 91,1% in het Waals Gewest en 84,3% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Hoe de statistiek van de transities op de arbeidsmarkt te interpreteren

Methodologische informatie

De hier voorgestelde cijfers zijn het resultaat van de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK), een enquête die geharmoniseerd is op Europees niveau. De definities over werkgelegenheid en werkloosheid die worden gehanteerd zijn die van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), waardoor vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal vlak wordt gewaarborgd. We maken het onderscheid tussen drie IAB-arbeidsmarktstatuten: werkend, werkloos en inactief. De gehanteerde definities bevinden zich hier.

Merk op dat tijdelijk werklozen die tijdelijk afwezig zijn van hun werk (d.w.z. minder dan drie maand) tot de werkenden worden gerekend. Tijdelijk werklozen die langer dan drie maand afwezig zijn ('langdurig tijdelijk werklozen'), worden, afhankelijk van de antwoorden op de vragen naar het zoeken naar werk en het beschikbaar zijn, tot de werklozen of inactieven gerekend.

De Enquête naar de Arbeidskrachten is een continue enquête, wat wil zeggen dat de steekproef gelijk verdeeld is over de 52 weken van het jaar. De geselecteerde respondenten beantwoorden een vragenlijst die hoofdzakelijk betrekking heeft op hun activiteit in de loop van een gegeven referentieweek. De respondenten nemen vier keer deel: in 2 opeenvolgende kwartalen wel, in 2 kwartalen niet en dan weer in 2 kwartalen wel. Daardoor kunnen we observeren wat het arbeidsmarktstatuut van een bepaalde respondent in een kwartaal is, en een kwartaal en/of een jaar later: bv. is iemand die werkloos is ook nog werkloos in het daaropvolgende kwartaal en/of jaar?

Indien men dus spreekt van een bepaalde status in een bepaald kwartaal, is het per definitie de status in de referentieweek. Indien men aangeeft te werken in de referentieweek van kwartaal T en in de referentieweek van kwartaal T+1, dan wordt men tweemaal als werkend geteld. Er zijn natuurlijk een aantal gevallen die intussen bv. werkloos waren, maar dit ligt buiten het bestek van onze data.

De kwartaaltransities zijn de sommen van gewogen observaties van respondenten die in opeenvolgende kwartalen deelnemen (bv. 2019T4-2020T1, 2020T1-2020T2).

De kwartaalspecifieke jaartransities zijn de sommen van gewogen observaties van respondenten die in hetzelfde kwartaal van twee opeenvolgende jaren deelnemen (bv. 2019T1-2020T1).

De jaartransities zijn de gemiddelden van vier kwartaalspecifieke jaartransities voor twee opeenvolgende jaren (bv. 2019-2020).

Respondenten die in één van beide golven (= bevragingen) niet deelnamen, kunnen niet gebruikt worden in deze analyse. Respondenten in de longitudinale steekproef zijn in beide kwartalen minstens 15 en hoogstens 74 jaar oud.

De longitudinale steekproef wordt gekalibreerd naar de geschatte verdelingen van IAB-arbeidsmarktstatuut naar leeftijd, geslacht, regio, opleidingsniveau en nationaliteit in het begin- en eindkwartaal. De gepubliceerde cijfers zijn gebaseerd op de Enquête naar de Arbeidskrachten. Het zijn geen exacte cijfers maar benaderingen die gebaseerd zijn op de extrapolatie van een toevalssteekproef uit de Belgische bevolking. Bij de interpretatie van de cijfers dient hiermee rekening gehouden te worden . Wanneer het ongewogen aantal personen kleiner is dan 30, moeten de gegevens met de nodige omzichtigheid worden geïnterpreteerd.

Onderwijsniveau

Laaggeschoolden zijn die personen die maximaal een diploma hebben van het lager secundair onderwijs. Middengeschoolden zijn personen die een diploma behaald hebben van het hoger secundair onderwijs, maar geen diploma van het hoger onderwijs. Hooggeschoolden hebben een diploma van het hoger onderwijs.