Transities op de arbeidsmarkt

Werklozen vinden minder snel werk dan in vorig kwartaal

Werk & Opleiding
Werklozen vinden minder snel werk dan in vorig kwartaal

De cijfers van het tweede trimester van 2022 over de transities op de arbeidsmarkt geven aan dat mensen nog vlot aan het werk blijven, al vertraagt de transitie naar werk bij verschillende groepen van werklozen. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van Statbel, het Belgische statistiekbureau. Terwijl tussen het eerste kwartaal van 2021 en 2022 nog 35,2% van de werklozen werk vond, is dit tussen het tweede kwartaal van 2021 en het tweede kwartaal van 2022 gedaald naar 31,1%. Waar 35,4% van de werklozen in het eerste kwartaal van 2021 nog werkloos was na een jaar, is dit nu al 42,2%. Vooral bij de mannen en middengeschoolden zien we meer werklozen die werk blijven zoeken. Statbel publiceert vandaag de transities op de arbeidsmarkt tussen het tweede kwartaal van 2021 en het tweede kwartaal van 2022.

Inleiding

Om de situatie van de arbeidsmarkt in te schatten, is het niet alleen belangrijk om te weten hoeveel mensen er werkloos, inactief en werkend zijn, maar ook hoeveel mensen van statuut veranderen binnen een gegeven tijdspanne. Hoeveel van de werklozen in dit kwartaal waren een jaar eerder ook al werkzoekend? Hoeveel van hen zijn aan het werk gegaan? Welk percentage werkenden was een jaar eerder ook al werkend? Vragen die beantwoord kunnen worden met de Enquête naar de Arbeidskrachten, omdat dit een enquête is waarbij respondenten meerdere keren bevraagd worden.

We bespreken in dit persbericht de evolutie van het arbeidsmarktstatuut van mensen die enerzijds een jaar geleden (tweede kwartaal van 2021) werkend, werkloos en inactief waren en vergelijken dat met hun statuut in het huidige kwartaal (tweede kwartaal van 2022). We publiceren ook de vergelijking tussen het statuut in het vorige kwartaal en het statuut in het huidige kwartaal. Deze cijfers worden in deze tekst niet besproken, maar zijn wel terug te vinden bij Cijfers op de website.

Werkend

Een zeer hoog percentage van de mensen die een jaar geleden aan het werk was, is ook nu nog aan het werk. 94,4% van de werkenden die in het tweede kwartaal van 2021 aan het werk was, is dit in het tweede kwartaal van 2022 nog steeds. Daarnaast is 1,4% van de werkenden een jaar later werkloos en 4,2% is inactief.

Als we deze cijfers voor verschillende groepen gaan bekijken, dan zien we dat het percentage dat aan het werk blijft overal hoog is: zowel bij mannen als vrouwen, in de drie gewesten en bij mensen met en zonder Belgische nationaliteit. Enkel volgens leeftijd en opleidingsniveau zijn er grotere verschillen. Van de 30- tot 74 jarigen blijft 96,2% aan het werk, in vergelijking met 85,0% van de 15- tot 29-jarigen. Hooggeschoolden (die minstens een diploma hoger onderwijs hebben) blijven makkelijk aan het werk: van de werkenden in het tweede kwartaal van 2021 is een jaar later nog 97,5% aan de slag. Bij laaggeschoolden is het percentage dat aan het werk blijft lager: 83,7% van de laaggeschoolden die in het tweede kwartaal van 2021 aan het werk waren, heeft na een jaar nog een job.

Werkloos

Bij de werklozen zien we in het tweede kwartaal van 2022 iets minder mensen die de transitie van werkloosheid naar werk gemaakt hebben dan in de voorgaande kwartalen. Terwijl in de vorige kwartalen rond de 40% van de werklozen een jaar later aan de slag was, is dat nu gedaald naar 31,1%. Dat is een serieuze terugval in vergelijking met de voorbije kwartalen: het lijkt nu moeilijker voor werklozen om werk te vinden dan net na de coronacrisis. 42,2% van de werklozen is een jaar later nog steeds werkloos en op zoek naar een job. 26,7% is inactief geworden en dus niet meer op zoek naar een job of niet beschikbaar om binnen de twee weken te beginnen werken. In absolute aantallen: van de 315.000 werklozen zijn er een jaar later 133.000 nog steeds werkloos, 98.000 zijn aan het werk en 84.000 zijn inactief geworden.

We zien hier grote regionale verschillen: van de Vlaamse werklozen uit het tweede kwartaal van 2021 is 30,9% na een jaar nog werkloos, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedraagt dat percentage 52,0% en in het Waals Gewest 48,2%. Zowel in het Vlaams en Waals Gewest is er een duidelijke toename van mensen die werkloos blijven over een periode van een jaar: van 19,2% vorig kwartaal naar 30,9% dit kwartaal in Vlaanderen en van 42,6% naar 48,2% in het Waals Gewest. Ook bij mannen en middengeschoolden is er een duidelijke toename van personen die werkloos blijven.

Inactief

Inactieven gaan nog iets vaker aan de slag (8,5%) dan voor de coronacrisis, maar het percentage inactieven dat een jaar later nog steeds inactief is, blijft hoog: 88,8% van de inactieven is een jaar later nog steeds inactief. 2,7% is op zoek naar werk. Zo zijn er meer dan 3 miljoen 15- tot 74-jarige Belgen niet aan de slag.

Mannen (87,2%) blijven iets minder lang inactief dan vrouwen (90,1%); jongeren (15-29 jaar; 84,8%) ook minder lang dan dertigplussers (90,6%). Hoogopgeleide inactieven blijven verhoudingsgewijs het minst inactief, hoewel ook bij hen na een jaar nog steeds 84,6% inactief blijft. Bij middenopgeleiden blijft 87,5% inactief, bij laagopgeleiden 92,1%.

Hoe de statistiek van de transities op de arbeidsmarkt te interpreteren

Methodologische informatie

De hier voorgestelde cijfers zijn het resultaat van de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK), een enquête die geharmoniseerd is op Europees niveau. De definities over werkgelegenheid en werkloosheid die worden gehanteerd zijn die van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), waardoor vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal vlak wordt gewaarborgd. We maken het onderscheid tussen drie IAB-arbeidsmarktstatuten: werkend, werkloos en inactief. De gehanteerde definities bevinden zich hier.

Merk op dat tijdelijk werklozen die tijdelijk afwezig zijn van hun werk (d.w.z. minder dan drie maand) tot de werkenden worden gerekend. Tijdelijk werklozen die langer dan drie maand afwezig zijn ('langdurig tijdelijk werklozen'), worden, afhankelijk van de antwoorden op de vragen naar het zoeken naar werk en het beschikbaar zijn, tot de werklozen of inactieven gerekend.

De Enquête naar de Arbeidskrachten is een continue enquête, wat wil zeggen dat de steekproef gelijk verdeeld is over de 52 weken van het jaar. De geselecteerde respondenten beantwoorden een vragenlijst die hoofdzakelijk betrekking heeft op hun activiteit in de loop van een gegeven referentieweek. De respondenten nemen vier keer deel: in 2 opeenvolgende kwartalen wel, in 2 kwartalen niet en dan weer in 2 kwartalen wel. Daardoor kunnen we observeren wat het arbeidsmarktstatuut van een bepaalde respondent in een kwartaal is, en een kwartaal en/of een jaar later: bv. is iemand die werkloos is ook nog werkloos in het daaropvolgende kwartaal en/of jaar?

Indien men dus spreekt van een bepaalde status in een bepaald kwartaal, is het per definitie de status in de referentieweek. Indien men aangeeft te werken in de referentieweek van kwartaal T en in de referentieweek van kwartaal T+1, dan wordt men tweemaal als werkend geteld. Er zijn natuurlijk een aantal gevallen die intussen bv. werkloos waren, maar dit ligt buiten het bestek van onze data.

De kwartaaltransities zijn de sommen van gewogen observaties van respondenten die in opeenvolgende kwartalen deelnemen (bv. 2019T4-2020T1, 2020T1-2020T2).

De kwartaalspecifieke jaartransities zijn de sommen van gewogen observaties van respondenten die in hetzelfde kwartaal van twee opeenvolgende jaren deelnemen (bv. 2019T1-2020T1).

De jaartransities zijn de gemiddelden van vier kwartaalspecifieke jaartransities voor twee opeenvolgende jaren (bv. 2019-2020).

Respondenten die in één van beide golven (= bevragingen) niet deelnamen, kunnen niet gebruikt worden in deze analyse. Respondenten in de longitudinale steekproef zijn in beide kwartalen minstens 15 en hoogstens 74 jaar oud.

De longitudinale steekproef wordt gekalibreerd naar de geschatte verdelingen van IAB-arbeidsmarktstatuut naar leeftijd, geslacht, regio, opleidingsniveau en nationaliteit in het begin- en eindkwartaal. De gepubliceerde cijfers zijn gebaseerd op de Enquête naar de Arbeidskrachten. Het zijn geen exacte cijfers maar benaderingen die gebaseerd zijn op de extrapolatie van een toevalssteekproef uit de Belgische bevolking. Bij de interpretatie van de cijfers dient hiermee rekening gehouden te worden . Wanneer het ongewogen aantal personen kleiner is dan 30, moeten de gegevens met de nodige omzichtigheid worden geïnterpreteerd.

Onderwijsniveau

Laaggeschoolden zijn die personen die maximaal een diploma hebben van het lager secundair onderwijs. Middengeschoolden zijn personen die een diploma behaald hebben van het hoger secundair onderwijs, maar geen diploma van het hoger onderwijs. Hooggeschoolden hebben een diploma van het hoger onderwijs.