Transities op de arbeidsmarkt

Arbeidsmarkt herstelt zich snel

Werk & Opleiding
Arbeidsmarkt herstelt zich snel

Het derde trimester was een hoopvol trimester voor de arbeidsmarkt, zo blijkt uit nieuwe cijfers van Statbel, het Belgische statistiekbureau. Er zijn steeds meer werklozen die in vergelijking met vorig jaar werk vinden. Ook inactieven gaan vaker op zoek naar werk, of gaan aan het werk. Voor de werkenden zien we weinig verschillen met de vorige kwartalen.

Het percentage dat zijn job behoudt ligt wel nog steeds iets lager, vooral bij jongeren en ouderen. Statbel publiceert vandaag de transities op de arbeidsmarkt tussen het derde kwartaal van 2020 en het derde kwartaal van 2021.

 

Inleiding

Om de situatie van de arbeidsmarkt in te schatten, is het belangrijk om te weten hoeveel mensen er werkloos worden en aan het werk blijven. De resultaten van de transities tussen 2020 en 2021 zijn hoopgevend: we zien dat de transitie van werkloosheid naar werkend verhoogt en minder mensen inactief blijven. Enkel het percentage mensen dat na een jaar nog steeds aan het werk is, ligt nog niet op het oude niveau.

We bespreken in dit persbericht de evolutie van het arbeidsmarktstatuut van mensen die enerzijds een jaar geleden (derde kwartaal van 2020) werkend, werkloos en inactief waren en vergelijken dat met hun statuut in het huidige kwartaal (derde kwartaal van 2021). We publiceren ook de vergelijking tussen het statuut in het vorige kwartaal en het statuut in het huidige kwartaal. Deze cijfers worden in deze tekst niet besproken, maar zijn wel terug te vinden bij ‘cijfers’.

Werkend

Meer dan een jaar na het begin van de covid-19-crisis kunnen we al iets duidelijker de impact op de transities in arbeidsmarkstatuut onderscheiden. Van de 4,8 miljoen werkenden een jaar geleden is nog 4,4 miljoen (of 91,9%) aan het werk. Dat cijfer ligt nog iets lager dan de 93-95% van de periode voor de crisis.

Twee groepen blijven consequent aan het werk: hooggeschoolden en 30- tot 74 jarigen. Van de hooggeschoolden (dus minstens een diploma hoger onderwijs) blijft 95,8% aan de slag. Bij laaggeschoolden is dit percentage het laagst: 78,0% van de laaggeschoolden die in het derde kwartaal van 2020 aan het werk waren, heeft na een jaar nog een job.

Van de 30- tot 74 jarigen blijft 94,0% aan het werk, in vergelijking met 81,3% van de 15- tot 29-jarigen. Als we dit nog iets meer in detail gaan bekijken, dan zien we een daling van het percentage dat aan het werk blijft in alle groepen, maar het meest uitgesproken bij de jongeren (15-24 jaar) en de ouderen (65-74 jaar). Jongeren blijven dus minder vaak aan het werk in hun studentenjob en/of eerste jobs. Ook bij de ouderen zien we dat er minder mensen actief blijven na hun 64ste, maar dit gaat om een zeer beperkte groep.

Werkloos

43,4% van de werkzoekenden is een jaar later aan het werk. Dat is het hoogste cijfer van de afgelopen vier jaar. Dat heeft ook tot gevolg dat er minder werklozen inactief worden: slechts 25,8% is niet meer beschikbaar of niet meer op zoek naar werk. 30,8% van de werklozen is een jaar later ook werkloos. In absolute aantallen: van de 332.000 werklozen zijn er een jaar later 102.000 nog steeds werkloos, 144.000 zijn aan het werk en 86.000 zijn inactief geworden. We zien hier zeer grote regionale verschillen: van de Vlaamse werklozen uit het tweede kwartaal van 2020 is 53,5% na een jaar terug aan de slag, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 46,7% en in het Waals Gewest slechts 29,2%. Ook bij vrouwen is de toename zeer groot: waar er tussen het eerste kwartaal van 2020 en 2021 slechts 22,0% van de werkloze vrouwen aan het werk ging, is dit tussen het derde kwartaal van 2020 en 2021 42,8%.

Inactief

Bij de inactieven is er een lichte daling: 85,6% van de inactieven blijft inactief. 10,6% vond werk en 3,8% ging op zoek naar werk. Het percentage dat van inactief naar werkend of werkloos gaat, is al een paar kwartalen aan het stijgen. Hoogopgeleide inactieven blijven het minst inactief: 22,5% van hen is na een jaar terug aan het werk. Bij middengeschoolden is dit 10,1% en laaggeschoolden slechts 2,8%. Ook mensen zonder Belgische nationaliteit maken iets vlotter de transitie: slechts 73,0% blijft inactief tegenover 87,4% bij de mensen met Belgische nationaliteit.

Transities

De interpretatie van de transities tussen 2020 en 2021 wordt wel bemoeilijkt door een wijziging in de definitie van de werkenden in het nieuwe Europees kaderreglement: personen die langer dan drie maanden in tijdelijke werkloosheid zijn ('langdurig tijdelijk werklozen'), mogen niet meer bij de werkenden gerekend worden, maar bij de werklozen of inactieven - afhankelijk van de antwoorden op de vragen naar het zoeken naar werk en het beschikbaar zijn. De gehanteerde definities bevinden zich hier

Hoe de statistiek van de transities op de arbeidsmarkt te interpreteren

Methodologische informatie

De hier voorgestelde cijfers zijn het resultaat van de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK), een enquête die geharmoniseerd is op Europees niveau. De definities over werkgelegenheid en werkloosheid die worden gehanteerd zijn die van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), waardoor vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal vlak wordt gewaarborgd. We maken het onderscheid tussen drie IAB-arbeidsmarktstatuten: werkend, werkloos en inactief. De gehanteerde definities bevinden zich hier.

Merk op dat tijdelijk werklozen die tijdelijk afwezig zijn van hun werk (d.w.z. minder dan drie maand) tot de werkenden worden gerekend. Tijdelijk werklozen die langer dan drie maand afwezig zijn ('langdurig tijdelijk werklozen'), worden, afhankelijk van de antwoorden op de vragen naar het zoeken naar werk en het beschikbaar zijn, tot de werklozen of inactieven gerekend.

De Enquête naar de Arbeidskrachten is een continue enquête, wat wil zeggen dat de steekproef gelijk verdeeld is over de 52 weken van het jaar. De geselecteerde respondenten beantwoorden een vragenlijst die hoofdzakelijk betrekking heeft op hun activiteit in de loop van een gegeven referentieweek. De respondenten nemen vier keer deel: in 2 opeenvolgende kwartalen wel, in 2 kwartalen niet en dan weer in 2 kwartalen wel. Daardoor kunnen we observeren wat het arbeidsmarktstatuut van een bepaalde respondent in een kwartaal is, en een kwartaal en/of een jaar later: bv. is iemand die werkloos is ook nog werkloos in het daaropvolgende kwartaal en/of jaar?

Indien men dus spreekt van een bepaalde status in een bepaald kwartaal, is het per definitie de status in de referentieweek. Indien men aangeeft te werken in de referentieweek van kwartaal T en in de referentieweek van kwartaal T+1, dan wordt men tweemaal als werkend geteld. Er zijn natuurlijk een aantal gevallen die intussen bv. werkloos waren, maar dit ligt buiten het bestek van onze data.

De kwartaaltransities zijn de sommen van gewogen observaties van respondenten die in opeenvolgende kwartalen deelnemen (bv. 2019T4-2020T1, 2020T1-2020T2).

De kwartaalspecifieke jaartransities zijn de sommen van gewogen observaties van respondenten die in hetzelfde kwartaal van twee opeenvolgende jaren deelnemen (bv. 2019T1-2020T1).

De jaartransities zijn de gemiddelden van vier kwartaalspecifieke jaartransities voor twee opeenvolgende jaren (bv. 2019-2020).

Respondenten die in één van beide golven (= bevragingen) niet deelnamen, kunnen niet gebruikt worden in deze analyse. Respondenten in de longitudinale steekproef zijn in beide kwartalen minstens 15 en hoogstens 74 jaar oud.

De longitudinale steekproef wordt gekalibreerd naar de geschatte verdelingen van IAB-arbeidsmarktstatuut naar leeftijd, geslacht, regio, opleidingsniveau en nationaliteit in het begin- en eindkwartaal. De gepubliceerde cijfers zijn gebaseerd op de Enquête naar de Arbeidskrachten. Het zijn geen exacte cijfers maar benaderingen die gebaseerd zijn op de extrapolatie van een toevalssteekproef uit de Belgische bevolking. Bij de interpretatie van de cijfers dient hiermee rekening gehouden te worden . Wanneer het ongewogen aantal personen kleiner is dan 30, moeten de gegevens met de nodige omzichtigheid worden geïnterpreteerd.