Meer niet-beroepsactieven vinden of zoeken werk
Arbeidsmarkttransities tussen het derde kwartaal van 2024 en het derde kwartaal van 2025
Statbel publiceert vandaag de transities op de arbeidsmarkt tussen het derde kwartaal van 2024 en het derde kwartaal van 2025 voor de 15 tot 74-jarigen. Daaruit blijkt dat 30,2% van de werklozen van een jaar geleden doorstroomde naar werk en 35,6% werkloos bleef. 34,2% van de werklozen werd niet-beroepsactief. Daarnaast stellen we vast dat 86,7% van de niet-beroepsactieven tussen het derde kwartaal van 2024 en dat van 2025 niet-beroepsactief bleef. De meesten onder hen zijn ofwel gepensioneerd, ofwel student en dus niet onmiddellijk beschikbaar voor de arbeidsmarkt. We zien tussen de laatste kwartalen wel een toename van het percentage niet-beroepsactieven dat een jaar later werk zoekt of aan het werk gegaan is en niet meer beroepsinactief is. De resultaten geven ten slotte ook aan dat mensen nog vlot aan het werk blijven: 93,7% van de mensen die vorig jaar aan het werk waren, zijn nog steeds aan het werk.
Werkloos
Het percentage werklozen dat werkloos blijft, daalt wanneer hun situatie wordt vergeleken met die van een jaar geleden: van 46,0% in het eerste kwartaal naar 40,3% in het tweede, en vervolgens naar 35,6% in het derde kwartaal van 2025. Deze cijfers weerspiegelen echter niet de transitie naar werk. Het percentage werklozen dat niet-beroepsactief is geworden op de arbeidsmarkt neemt in dezelfde verhouding toe: van 24,3% in het eerste kwartaal tot 28,8% in het tweede en vervolgens 34,2% in het derde kwartaal van 2025.
Verder is 30,2% van de werklozen in het derde kwartaal van 2024 een jaar later aan het werk. In absolute aantallen betekent dit dat van de 320.000 werklozen in het derde kwartaal van 2024, een jaar later 114.000 nog steeds werkloos zijn, 97.000 personen aan het werk zijn gegaan en 109.000 personen niet-beroepsactief zijn geworden, dat wil zeggen dat ze niet meer op zoek zijn naar werk en/of niet beschikbaar zijn binnen de twee weken.
We moeten er echter rekening mee houden dat transities, vooral van en naar werkloosheid, gebaseerd zijn op kleine aantallen, wat het moeilijk maakt om ze betrouwbaar te interpreteren, zeker in termen van kortetermijntrends. Deze kortetermijntrends moeten daarom met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Historische evoluties worden daarentegen gekenmerkt door schommelingen die relatief stabiel zijn.
We zien hier grote regionale verschillen: van de Vlaamse werklozen uit het derde kwartaal van 2024 is 30,0% na een jaar nog werkloos. In de twee overige gewesten liggen de cijfers hoger: in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest komt het percentage dat werkloos blijft over een tijdspanne van 1 jaar op 52,4% en in het Waalse Gewest op 33,1% - een duidelijke daling tegenover vorig kwartaal (43,7%). Maar we moeten er wel rekening mee houden dat de transities, zeker van en naar werkloosheid, gebaseerd zijn op kleine aantallen wat een betrouwbare interpretatie bemoeilijkt.
Niet-beroepsactieven
De overgrote meerderheid van de niet-beroepsactieven is een jaar later nog steeds niet-beroepsactief. Van de 3,4 miljoen mensen die in het derde kwartaal van 2024 niet-beroepsactief waren, is 86,7% of 2,9 miljoen dat een jaar later nog steeds. 9,0% of 301.000 personen zijn aan de slag gegaan en een kleiner percentage van 4,4% of 146.000 mensen heeft de overgang gemaakt naar werkloosheid. Merk op dat het hier steeds gaat over de IAB-definitie van werkloosheid, dit betekent dat men werkloos is als men op zoek is naar werk en ook beschikbaar is voor een job.
Wanneer we de transities tussen het derde kwartaal van 2023 en het derde kwartaal van 2024, vergelijken met de transities tussen het derde kwartaal van 2024 en het derde kwartaal van 2025, zien we dat er meer niet-beroepsactieven aan het werk gegaan zijn of actief werk aan het zoeken zijn.
Werkend
Een zeer groot percentage van de mensen die een jaar geleden aan het werk waren, is ook nu nog aan het werk: 93,7% van de personen die in het derde kwartaal van 2024 aan het werk waren, is dit in het derde kwartaal van 2025 nog steeds. Daarnaast is 1,8% van de werkenden (91.000 personen) een jaar later werkloos en 4,6% (ca. 230.000 personen) is niet-beroepsactief geworden. Deze cijfers zijn vrij stabiel gebleven in vergelijking met de transities tussen de vorige kwartalen.
Hoe de statistiek van de transities op de arbeidsmarkt te interpreteren
Methodologische informatie
De hier voorgestelde cijfers zijn het resultaat van de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK), een enquête die geharmoniseerd is op Europees niveau. De definities over werkgelegenheid en werkloosheid die worden gehanteerd zijn die van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), waardoor vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal vlak wordt gewaarborgd. We maken het onderscheid tussen drie IAB-arbeidsmarktstatuten: werkend, werkloos en inactief. De gehanteerde definities bevinden zich hier.
Merk op dat tijdelijk werklozen die tijdelijk afwezig zijn van hun werk (d.w.z. minder dan drie maand) tot de werkenden worden gerekend. Tijdelijk werklozen die langer dan drie maand afwezig zijn ('langdurig tijdelijk werklozen'), worden, afhankelijk van de antwoorden op de vragen naar het zoeken naar werk en het beschikbaar zijn, tot de werklozen of inactieven gerekend.
De Enquête naar de Arbeidskrachten is een continue enquête, wat wil zeggen dat de steekproef gelijk verdeeld is over de 52 weken van het jaar. De geselecteerde respondenten beantwoorden een vragenlijst die hoofdzakelijk betrekking heeft op hun activiteit in de loop van een gegeven referentieweek. De respondenten nemen vier keer deel: in 2 opeenvolgende kwartalen wel, in 2 kwartalen niet en dan weer in 2 kwartalen wel. Daardoor kunnen we observeren wat het arbeidsmarktstatuut van een bepaalde respondent in een kwartaal is, en een kwartaal en/of een jaar later: bv. is iemand die werkloos is ook nog werkloos in het daaropvolgende kwartaal en/of jaar?
Indien men dus spreekt van een bepaalde status in een bepaald kwartaal, is het per definitie de status in de referentieweek. Indien men aangeeft te werken in de referentieweek van kwartaal T en in de referentieweek van kwartaal T+1, dan wordt men tweemaal als werkend geteld. Er zijn natuurlijk een aantal gevallen die intussen bv. werkloos waren, maar dit ligt buiten het bestek van onze data.
De kwartaaltransities zijn de sommen van gewogen observaties van respondenten die in opeenvolgende kwartalen deelnemen (bv. 2019T4-2020T1, 2020T1-2020T2).
De kwartaalspecifieke jaartransities zijn de sommen van gewogen observaties van respondenten die in hetzelfde kwartaal van twee opeenvolgende jaren deelnemen (bv. 2019T1-2020T1).
De jaartransities zijn de gemiddelden van vier kwartaalspecifieke jaartransities voor twee opeenvolgende jaren (bv. 2019-2020).
Respondenten die in één van beide golven (= bevragingen) niet deelnamen, kunnen niet gebruikt worden in deze analyse. Respondenten in de longitudinale steekproef zijn in beide kwartalen minstens 15 en hoogstens 74 jaar oud.
De longitudinale steekproef wordt gekalibreerd naar de geschatte verdelingen van IAB-arbeidsmarktstatuut naar leeftijd, geslacht, regio, opleidingsniveau en nationaliteit in het begin- en eindkwartaal. De gepubliceerde cijfers zijn gebaseerd op de Enquête naar de Arbeidskrachten. Het zijn geen exacte cijfers maar benaderingen die gebaseerd zijn op de extrapolatie van een toevalssteekproef uit de Belgische bevolking. Bij de interpretatie van de cijfers dient hiermee rekening gehouden te worden . Wanneer het ongewogen aantal personen kleiner is dan 30, moeten de gegevens met de nodige omzichtigheid worden geïnterpreteerd.
Definities
Onderwijsniveau:
Laaggeschoolden zijn die personen die maximaal een diploma hebben van het lager secundair onderwijs. Middengeschoolden zijn personen die een diploma behaald hebben van het hoger secundair onderwijs, maar geen diploma van het hoger onderwijs. Hooggeschoolden hebben een diploma van het hoger onderwijs.