Tussen 2024 en 2025 gingen niet-beroepsactieven vaker aan het werk dan de jaren ervoor
Tussen 2024 en 2025 bleef 93,8% van de werkenden aan het werk, 2,0% werd werkloos en 4,3% niet-beroepsactief. De werkenden die aan het werk blijven, blijven niet allemaal in dezelfde job: ongeveer 370.000 van hen veranderde van job, of 7,9% van degenen die op beide momenten aan het werk waren.
Verder bleef 42,4% van de werklozen werkloos, 30,9% vond een job en 26,8% werd niet-beroepsactief (d.w.z. was niet beschikbaar voor werk en/of zocht niet actief naar werk). Van de niet-beroepsactieven bleef 82,4% niet-beroepsactief, 12,6% ging aan het werk en 5,0% werd werkloos. Dat blijkt uit cijfers van Statbel, het Belgische statistiekbureau, over individuele veranderingen in het arbeidsmarktstatuut in 2025 vergeleken met een jaar eerder.
In dit nieuwsbericht ligt de focus op de transities op de arbeidsmarkt tussen 2024 en 2025, bij een bevolking op beroepsactieve leeftijd (15-64 jaar). Het longitudinale karakter van de Enquête naar de Arbeidskrachten laat toe om de dynamiek op de arbeidsmarkt te meten. Bijvoorbeeld, is iemand die op een bepaald moment aan het werk is, een jaar later nog steeds aan het werk of is die persoon ondertussen werkloos of niet-beroepsactief geworden?
Werken en van job veranderen
De transitiepercentages van de werkenden blijven ongeveer gelijk tegenover vorig jaar. Van de bijna 5 miljoen werkenden tussen 15 en 64 jaar in 2024, zijn er in 2025 nog ongeveer 4,7 miljoen aan het werk, 97.000 personen zijn werkloos geworden en 213.000 niet-beroepsactief.
De werkenden die aan het werk blijven, blijven niet allemaal in dezelfde job: ongeveer 370.000 van hen veranderde van job. Dat is 7,9% van degenen die op beide momenten aan het werk waren. Die verandering van job kan zowel binnen hetzelfde als naar een ander bedrijf zijn, of door als werknemer een zaak op te starten. Dit percentage is vergelijkbaar met de vorige jaren, maar blijft hoger dan het pre-COVID-niveau van 5 à 6%. De jobmobiliteit is hoger bij jongeren, mannen, in het Brussels Gewest, bij mensen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs en bij deeltijds werkenden. Hoewel het percentage dat van job verandert ongeveer stabiel blijft, stijgt het percentage dat in dezelfde sector blijft werken van 49,6% in 2024 naar 53,9% in 2025, het hoogste percentage sinds 2017 het begin van de metingen. Meer dan de helft van de mensen die van job veranderen, doet dat dus in dezelfde sector. We zien dat in het onderwijs en de gezondheidszorg de mensen het vaakst in dezelfde sector blijven: meer dan 60% van zij die van job veranderen, blijft binnen dezelfde sector. Ook in de bouwnijverheid, financiële activiteiten en binnen openbare besturen zijn meer dan de helft van de veranderingen binnen dezelfde sector.
Werkloos
De werklozen zijn de meest volatiele groep. We zien echter dat het percentage dat werkloos blijft, vrij hoog ligt (42,4%). Ook in absolute getallen is dit een grote groep: bijna 130.000 werkzoekenden uit 2024 zijn in 2025 nog steeds op zoek naar werk en beschikbaar om te beginnen werken. 30,9% is een jaar later aan het werk en 26,8% is niet-beroepsactief geworden.
Niet-beroepsactief
Bij de niet-beroepsactieven (15-64 jaar) is 82,4% in 2025 niet-beroepsactief gebleven. Dit was tussen 2023 en 2024 nog 85,8%. 12,6% is aan het werk gegaan en 5,0% is een jaar later werkloos geworden. Van de 2,2 miljoen niet-beroepsactieven van 2024 zijn er dus nog 1,8 miljoen niet-beroepsactief in 2025, waaronder een grote groep studenten die in de enquête aangeeft niet te werken. We zien dus een groter aandeel niet-beroepsactieven dat op zoek gaat naar werk of aan het werk gaat. Een daling van het percentage niet-beroepsactieven dat niet-beroepsactief blijft, observeren we voor mannen en vrouwen, mensen met de Belgische nationaliteit, in alle regio’s (al is de daling iets kleiner in het Waals Gewest (-1.6 procentpunt)) en alle leeftijden (m.u.v. 25-34 jaar). De daling is ook heel markant voor hoogopgeleiden (-15,2 procentpunt).
Hoe de statistiek van de transities op de arbeidsmarkt te interpreteren
Methodologische informatie
De hier voorgestelde cijfers zijn het resultaat van de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK), een enquête die geharmoniseerd is op Europees niveau. De definities over werkgelegenheid en werkloosheid die worden gehanteerd zijn die van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), waardoor vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal vlak wordt gewaarborgd. We maken het onderscheid tussen drie IAB-arbeidsmarktstatuten: werkend, werkloos en inactief. De gehanteerde definities bevinden zich hier.
Merk op dat tijdelijk werklozen die tijdelijk afwezig zijn van hun werk (d.w.z. minder dan drie maand) tot de werkenden worden gerekend. Tijdelijk werklozen die langer dan drie maand afwezig zijn ('langdurig tijdelijk werklozen'), worden, afhankelijk van de antwoorden op de vragen naar het zoeken naar werk en het beschikbaar zijn, tot de werklozen of inactieven gerekend.
De Enquête naar de Arbeidskrachten is een continue enquête, wat wil zeggen dat de steekproef gelijk verdeeld is over de 52 weken van het jaar. De geselecteerde respondenten beantwoorden een vragenlijst die hoofdzakelijk betrekking heeft op hun activiteit in de loop van een gegeven referentieweek. De respondenten nemen vier keer deel: in 2 opeenvolgende kwartalen wel, in 2 kwartalen niet en dan weer in 2 kwartalen wel. Daardoor kunnen we observeren wat het arbeidsmarktstatuut van een bepaalde respondent in een kwartaal is, en een kwartaal en/of een jaar later: bv. is iemand die werkloos is ook nog werkloos in het daaropvolgende kwartaal en/of jaar?
Indien men dus spreekt van een bepaalde status in een bepaald kwartaal, is het per definitie de status in de referentieweek. Indien men aangeeft te werken in de referentieweek van kwartaal T en in de referentieweek van kwartaal T+1, dan wordt men tweemaal als werkend geteld. Er zijn natuurlijk een aantal gevallen die intussen bv. werkloos waren, maar dit ligt buiten het bestek van onze data.
De kwartaaltransities zijn de sommen van gewogen observaties van respondenten die in opeenvolgende kwartalen deelnemen (bv. 2019T4-2020T1, 2020T1-2020T2).
De kwartaalspecifieke jaartransities zijn de sommen van gewogen observaties van respondenten die in hetzelfde kwartaal van twee opeenvolgende jaren deelnemen (bv. 2019T1-2020T1).
De jaartransities zijn de gemiddelden van vier kwartaalspecifieke jaartransities voor twee opeenvolgende jaren (bv. 2019-2020).
Respondenten die in één van beide golven (= bevragingen) niet deelnamen, kunnen niet gebruikt worden in deze analyse. Respondenten in de longitudinale steekproef zijn in beide kwartalen minstens 15 en hoogstens 74 jaar oud.
De longitudinale steekproef wordt gekalibreerd naar de geschatte verdelingen van IAB-arbeidsmarktstatuut naar leeftijd, geslacht, regio, opleidingsniveau en nationaliteit in het begin- en eindkwartaal. De gepubliceerde cijfers zijn gebaseerd op de Enquête naar de Arbeidskrachten. Het zijn geen exacte cijfers maar benaderingen die gebaseerd zijn op de extrapolatie van een toevalssteekproef uit de Belgische bevolking. Bij de interpretatie van de cijfers dient hiermee rekening gehouden te worden . Wanneer het ongewogen aantal personen kleiner is dan 30, moeten de gegevens met de nodige omzichtigheid worden geïnterpreteerd.
Definities
Onderwijsniveau:
Laaggeschoolden zijn die personen die maximaal een diploma hebben van het lager secundair onderwijs. Middengeschoolden zijn personen die een diploma behaald hebben van het hoger secundair onderwijs, maar geen diploma van het hoger onderwijs. Hooggeschoolden hebben een diploma van het hoger onderwijs.