Transities op de arbeidsmarkt

Hooggeschoolden scoren goed op arbeidsmarkt

Werk & Opleiding
Hooggeschoolden scoren goed op arbeidsmarkt

De cijfers van het eerste trimester van 2022 over de transities op de arbeidsmarkt geven aan dat hoogopgeleiden het goed doen op de arbeidsmarkt: ze blijven meestal aan het werk (98,3%), vinden vrij vlot een job als ze toch even werkloos zijn en blijven minder vaak inactief dan laag- en middengeschoolden. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van Statbel, het Belgische statistiekbureau. Verder zien we dat het aantal veranderingen op de arbeidsmarkt terugkeert naar pré-corona niveaus. Het aantal werklozen die aan het werk gaan of werk blijven zoeken lijkt ook terug naar pré-corona niveaus te evolueren. Het percentage werkenden dat aan het werk blijft, neemt weer toe. Inactieven gaan iets vaker aan de slag dan voor de corona-crisis, maar het percentage inactieven dat een jaar later nog steeds inactief is, blijft met 87,3% zeer hoog. Statbel publiceert vandaag de transities op de arbeidsmarkt tussen het eerste kwartaal van 2021 en het eerste kwartaal van 2022.

Transitiepercentages arbeidsmarkt

Alle respondenten Werkloos T1 2022 Werkend T1 2022 Inactief T1 2022 Totaal
Werkloos T1 2021 35,4 35,2 29,4 100,0
Werkend T1 2021 1,3 95,2 3,5 100,0
Inactief T1 2021 2,8 9,9 87,3 100,0
Totaal 3,3 57,9 38,8 100,0

Inleiding

Om de situatie van de arbeidsmarkt in te schatten, is het niet alleen belangrijk om te weten hoeveel mensen er werkloos, inactief en werkend zijn, maar ook hoeveel mensen van statuut veranderen binnen een gegeven tijdspanne. Hoeveel van de werklozen in dit kwartaal waren een jaar eerder ook al werkzoekend? Hoeveel van hen zijn aan het werk gegaan? Welk percentage werkenden was een jaar eerder ook al werkend? Vragen die beantwoord kunnen worden met de Enquête naar de Arbeidskrachten, omdat dat een panel is waarbij respondenten meerdere keren bevraagd worden.

We bespreken in dit persbericht de evolutie van het arbeidsmarktstatuut van mensen die enerzijds een jaar geleden (eerste kwartaal van 2021) werkend, werkloos en inactief waren en vergelijken dat met hun statuut in het huidige kwartaal (eerste kwartaal van 2022). We publiceren ook de vergelijking tussen het statuut in het vorige kwartaal en het statuut in het huidige kwartaal. Deze cijfers worden in deze tekst niet besproken, maar zijn wel terug te vinden bij ‘cijfers’ op de website.

Werkend

Een zeer hoog percentage van de mensen die een jaar geleden aan het werk was, is ook nu nog aan het werk. 95,2% van de werkenden die in het eerste kwartaal van 2021 aan het werk was, is in het eerste kwartaal van 2022 ook aan het werk. Dat percentage wordt in de hand gewerkt door de krapte op de arbeidsmarkt: werkgevers proberen zoveel mogelijk werknemers aan boord te houden en werkenden die hun job verliezen, kunnen vrij snel terug een job vinden. Ook zelfstandigen blijven vlot aan de slag. Naast werkend, is 1,3% van de werkenden een jaar later werkloos en 3,5% is inactief.

Als we deze cijfers voor verschillende groepen gaan bekijken, dan zien we dat het percentage dat aan het werk blijft overal hoog is: zowel bij mannen als vrouwen, in de drie gewesten en bij mensen met en zonder Belgische nationaliteit. Enkel voor leeftijd en opleidingsniveau zijn er grotere verschillen. Van de 30- tot 74 jarigen blijft 96,4% aan het werk, in vergelijking met 89,3% van de 15- tot 29-jarigen. Hooggeschoolden (die minstens een diploma hoger onderwijs hebben) blijven makkelijk aan het werk: van de werkenden in het eerste kwartaal van 2021 is een jaar later nog 98,3% aan de slag. Bij laaggeschoolden is het percentage dat aan het werk blijft lager: 81,9% van de laaggeschoolden die in het eerste kwartaal van 2021 aan het werk waren, heeft na een jaar nog een job.

Werkloos

Bij de werklozen zien we in het eerste kwartaal van 2022 iets minder mensen die de transitie van werkloosheid naar werk gemaakt hebben dan in de voorgaande kwartalen. Terwijl de vorige kwartalen rond de 40% van de werklozen een jaar later aan de slag was, is dat nu gedaald naar 35,2%. 35,4% van de werklozen is een jaar later nog steeds werkloos en op zoek naar een job. 29,4% is inactief geworden en dus niet meer op zoek naar een job of niet beschikbaar om binnen de twee weken te beginnen werken. In absolute aantallen: van de 339.000 werklozen zijn er een jaar later 120.000 nog steeds werkloos, 119.000 zijn aan het werk en 100.000 zijn inactief geworden.

We zien hier grote regionale verschillen: van de Vlaamse werklozen uit het eerste kwartaal van 2021 is 19,2% na een jaar nog werkloos, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedraagt dat percentage 51,0% en in het Waals Gewest 42,6%. Ook hier is de arbeidsmarktsituatie van de hoger opgeleiden vrij positief: van de werkloze hoogopgeleiden is na een jaar 56,4% terug aan de slag. Bij de midden- en laagopgeleiden is dit percentage respectievelijk 36,5 en 17,1%.

Inactief

Inactieven gaan nog iets vaker aan de slag (9,9%) dan voor de coronacrisis, maar het percentage inactieven dat een jaar later nog steeds inactief is, blijft hoog: 87,3% van de inactieven is een jaar later nog steeds inactief. Op die manier zijn er meer dan 3.000.000 15- tot 74-jarige Belgen niet aan de slag.

We vinden gelijkaardige percentages voor alle groepen, alleen lijkt de situatie voor de hoogopgeleiden ook hier weer iets positiever te zijn. Hoogopgeleide inactieven blijven het minst inactief, hoewel na een jaar nog steeds 77,0% van hen inactief is. Bij middenopgeleiden blijft 85,8% inactief, bij laagopgeleiden maar liefst 95,0%. Hoewel we zouden kunnen denken dat de inactiviteit zich vooral situeert bij de studenten en gepensioneerden, blijkt dat niet het geval: twee op de drie van de 25- tot 44 jarige inactieven is een jaar later nog steeds inactief. Bij de 25- tot 44 jarige inactieve hoogopgeleiden blijft 4 op 10 inactief, bij de laagopgeleiden 8 à 9 op 10.

Hoe de statistiek van de transities op de arbeidsmarkt te interpreteren

Methodologische informatie

De hier voorgestelde cijfers zijn het resultaat van de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK), een enquête die geharmoniseerd is op Europees niveau. De definities over werkgelegenheid en werkloosheid die worden gehanteerd zijn die van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), waardoor vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal vlak wordt gewaarborgd. We maken het onderscheid tussen drie IAB-arbeidsmarktstatuten: werkend, werkloos en inactief. De gehanteerde definities bevinden zich hier.

Merk op dat tijdelijk werklozen die tijdelijk afwezig zijn van hun werk (d.w.z. minder dan drie maand) tot de werkenden worden gerekend. Tijdelijk werklozen die langer dan drie maand afwezig zijn ('langdurig tijdelijk werklozen'), worden, afhankelijk van de antwoorden op de vragen naar het zoeken naar werk en het beschikbaar zijn, tot de werklozen of inactieven gerekend.

De Enquête naar de Arbeidskrachten is een continue enquête, wat wil zeggen dat de steekproef gelijk verdeeld is over de 52 weken van het jaar. De geselecteerde respondenten beantwoorden een vragenlijst die hoofdzakelijk betrekking heeft op hun activiteit in de loop van een gegeven referentieweek. De respondenten nemen vier keer deel: in 2 opeenvolgende kwartalen wel, in 2 kwartalen niet en dan weer in 2 kwartalen wel. Daardoor kunnen we observeren wat het arbeidsmarktstatuut van een bepaalde respondent in een kwartaal is, en een kwartaal en/of een jaar later: bv. is iemand die werkloos is ook nog werkloos in het daaropvolgende kwartaal en/of jaar?

Indien men dus spreekt van een bepaalde status in een bepaald kwartaal, is het per definitie de status in de referentieweek. Indien men aangeeft te werken in de referentieweek van kwartaal T en in de referentieweek van kwartaal T+1, dan wordt men tweemaal als werkend geteld. Er zijn natuurlijk een aantal gevallen die intussen bv. werkloos waren, maar dit ligt buiten het bestek van onze data.

De kwartaaltransities zijn de sommen van gewogen observaties van respondenten die in opeenvolgende kwartalen deelnemen (bv. 2019T4-2020T1, 2020T1-2020T2).

De kwartaalspecifieke jaartransities zijn de sommen van gewogen observaties van respondenten die in hetzelfde kwartaal van twee opeenvolgende jaren deelnemen (bv. 2019T1-2020T1).

De jaartransities zijn de gemiddelden van vier kwartaalspecifieke jaartransities voor twee opeenvolgende jaren (bv. 2019-2020).

Respondenten die in één van beide golven (= bevragingen) niet deelnamen, kunnen niet gebruikt worden in deze analyse. Respondenten in de longitudinale steekproef zijn in beide kwartalen minstens 15 en hoogstens 74 jaar oud.

De longitudinale steekproef wordt gekalibreerd naar de geschatte verdelingen van IAB-arbeidsmarktstatuut naar leeftijd, geslacht, regio, opleidingsniveau en nationaliteit in het begin- en eindkwartaal. De gepubliceerde cijfers zijn gebaseerd op de Enquête naar de Arbeidskrachten. Het zijn geen exacte cijfers maar benaderingen die gebaseerd zijn op de extrapolatie van een toevalssteekproef uit de Belgische bevolking. Bij de interpretatie van de cijfers dient hiermee rekening gehouden te worden . Wanneer het ongewogen aantal personen kleiner is dan 30, moeten de gegevens met de nodige omzichtigheid worden geïnterpreteerd.