Levenslang leren

Slechts één op vijf volwassenen volgde in 2021 een opleiding

Werk & Opleiding
Slechts één op vijf volwassenen volgde in 2021 een opleiding

Statbel, het Belgische statistiekbureau, publiceert twee indicatoren die levenslang leren meten bij 25-64-jarigen, op basis van de Enquête naar de Arbeidskrachten. Het afgelopen jaar heeft gemiddeld één op vijf 25-64-jarigen een opleiding gevolgd: 19,9% in 2021, een lichte stijging tegenover 2020, toen het cijfer op 19,6% lag.

In de enquête wordt nagegaan of iemand een opleiding heeft gevolgd, enerzijds de afgelopen vier weken, anderzijds het afgelopen jaar. Met ‘opleiding’ bedoelen we hier alle formele opleidingen en niet-formele opleidingen. Formele opleidingen zijn opleidingen die erkend worden door de ministeries van onderwijs en leiden meestal tot een diploma of getuigschrift zoals een masterdiploma of een opleiding in het volwassenenonderwijs. Niet-formele opleidingen zijn opleidingen buiten deze context maar worden nog steeds gestructureerd georganiseerd, bv. een cursus rond gezondheid georganiseerd door het ziekenfonds of een webinar rond timemanagement georganiseerd door een zelfstandig ondernemer. Zelfstudie en informeel leren horen hier niet bij.

Met één op vijf 25-64-jarigen zit België nog ver onder de Europese doelstelling die in het kader van de European Education Area[1] begin 2021 werd geformuleerd: 47% van de volwassenen (25-64 jaar) zou het afgelopen jaar een opleiding gevolgd moeten hebben tegen 2025. Deze cijfers zijn sinds 2005 beschikbaar voor België.

Als we uitsplitsen naar verschillende groepen, dan zien we amper verschillen naar geslacht. Wel vinden we duidelijke verschillen naar opleidingsniveau: van degenen met maximum een diploma lager onderwijs volgt 7,1% een opleiding, tegenover 15,3% van diegenen met een diploma hoger secundair onderwijs. Van de mensen met een diploma hoger onderwijs volgt 29,3% nog een opleiding. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is de opleidingsgraad het hoogst met 27,1%, in het Vlaams Gewest is dit 20,8% en het Waals Gewest 15,5%. Jongeren van 25-34-jaar volgen meer dan dubbel zo vaak een opleiding dan 55-64-jarigen: 26,9% vs. 12,2%. De andere leeftijdsgroepen zitten ertussen met 22,3% (35-44 jaar) en 18,4% (45-54 jaar).

Naar arbeidsmarktstatuut zien we dat 22,5% van de werkenden een opleiding volgt, 19,4% van de werklozen en slechts 11,0% van de inactieven.

Als we enkel naar de plaats van tewerkstelling kijken, dan zien we dat loontrekkenden die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werken, het vaakst een opleiding volgen (28,1%), meer dan in het Vlaamse (22,7%) en Waalse Gewest (16,8%).

We zien ook markante verschillen tussen sectoren: in extraterritoriale organisaties en de financiële sector volgde meer dan een derde het afgelopen jaar een opleiding. De vier sectoren met de minste opleidingsdeelname (en voldoende observaties) zijn de bouwnijverheid, administratieve en ondersteunende diensten, groot- en detailhandel; reparatie van auto’s en motorfietsen en horeca waar maar één op zes een opleiding volgde.

Loontrekkenden met een tijdelijke job nemen meer deel aan opleiding (32,9%) dan mensen met een vaste job (21,7%). Voltijds werkenden (23,4%) daar tegenover nemen meer deel aan opleiding dan deeltijds (19,4%) werkenden.

Afgelopen vier weken opleiding

Naast de indicator over opleidingsdeelname gedurende de afgelopen 12 maanden peilt de Enquête naar de Arbeidskrachten ook naar de deelname aan opleiding in de afgelopen vier weken. Slechts 10,2% van de Belgen nam de vier weken voor afname van de enquête deel aan een opleiding in 2021, maar 2020 was dit zelfs maar 7,4%. Ook aan deze doelstelling zijn internationale doelstellingen gekoppeld. De duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDGs)[2] streven ernaar dat tegen 2030 15% van de bevolking de afgelopen vier weken een opleiding gevolgd heeft. We zien dus dat het percentage dat de afgelopen vier weken een opleiding volgde, duidelijk stijgt. Mogelijk is het een effect van de nieuwe vragenlijst, het feit dat veel respondenten (een deel van) hun opleiding online kon volgen of een reële stijging. Het valt dus af te wachten of de stijging tussen 2020 en 2021 zicht doorzet in 2022.

Lager opgeleiden zijn het minst geneigd om opleiding te volgen: slechts 4,0% van degenen met maximaal een opleiding lager secundair volgde afgelopen maand een opleiding. Bij de midden en hoger opgeleiden is dit respectievelijk 6,8% en 15,5%. Qua regio zien we hier ook weer dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de hoogste opleidingsgraad heeft: 14,6%, meer dan het Vlaams (10,8%) en Waals Gewest (7,5%). Op een termijn van 4 weken zijn werklozen meer geneigd om opleiding te volgen (14,5%) dan werkenden (10,5%) en inactieven (8,4%). Jongeren zijn veel vaker geneigd om een opleiding te volgen: 16,0% van de 25-34-jarigen volgde de afgelopen vier weken een opleiding. Bij de 35-44-jarigen daalt dit tot 11,5% en verder tot 5,4% bij de 55-64-jarigen.

Loontrekkenden met een tijdelijke job geven ook vaker aan dat ze een opleiding gevolgd hebben (19,8%) de afgelopen weken dan loontrekkenden met een vast contract (9,4%). Voltijds (10,3%) en deeltijds (9,6%) loontrekkenden volgden de afgelopen vier weken ongeveer even vaak een opleiding. Vooral in de sectoren van de ‘Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten’, ‘Extraterritoriale organisaties en lichamen’, ‘Financiële activiteiten en verzekeringen’ en ‘Informatie en communicatie’ werd er de maand voor de enquête opleiding gevolgd (meer dan 14%).

In de sectoren van de ‘Bouwnijverheid’, ‘Vervoer en opslag’, ‘Industrie’ en ‘Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s en motorfietsen’ werd er door minder dan 8% van de werkenden een opleiding gevolgd (sectoren waarvoor we voldoende observaties hebben).


[1] https://ec.europa.eu/eurostat/web/education-and-training/policy-context

[2] https://indicators.be/en/i/G04_LLL/en

Definities

Werkenden, werklozen en inactieven

De enquête is geharmoniseerd op Europees niveau. De definities over werkgelegenheid en werkloosheid die worden gehanteerd zijn die van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), waardoor een vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal vlak wordt gewaarborgd.

Personen met een job (werkende personen) zijn personen die gedurende de referentieweek arbeid verrichtten ‘tegen betaling’ of met als doel ‘winst te maken’ ongeacht de duur (ook al was dit maar één uur), of die een job hadden maar tijdelijk afwezig waren. Men kan bijvoorbeeld tijdelijk afwezig zijn omwille van vakantie, ziekte, technische of economische redenen (tijdelijke werkloosheid),….

Ook de meewerkende familieleden worden tot de werkenden gerekend. Sinds 2021 worden personen die een ononderbroken periode van langer dan drie maanden tijdelijke werkloos zijn bij de werklozen of inactieven gerekend en niet meer bij de werkenden.

Werklozen zijn alle personen die:

  • (a) tijdens de referentieweek geen werk hadden, d.w.z. niet in loondienst of als zelfstandige werkten;
  • (b) voor werk beschikbaar waren, d.w.z. voor werk in loondienst of als zelfstandige beschikbaar waren binnen twee weken na de referentieweek;
  • (c) actief werk zochten, d.w.z. gedurende de laatste vier weken met inbegrip van de referentieweek gerichte stappen hadden ondernomen om werk in loondienst of als zelfstandige te zoeken, of die werk hadden gevonden en binnen ten hoogste drie maanden zouden beginnen te werken.

Laaggeschoolden zijn die personen die maximaal een diploma hebben van het lager secundair onderwijs. Middengeschoolden zijn personen die een diploma behaald hebben van het hoger secundair onderwijs, maar geen diploma van het hoger onderwijs. Hooggeschoolden hebben een diploma van het hoger onderwijs.

Levenslang leren

Levenslang leren wordt gemeten aan de hand van het percentage van de bevolking dat in de afgelopen 12 maand of 4 weken een formele of niet-formele opleiding heeft gevolgd.

Formele opleidingen zijn opleidingen die erkend worden door de ministeries van onderwijs en leiden meestal tot een diploma of getuigschrift zoals een masterdiploma of een opleiding in het volwassenenonderwijs.

Niet-formele opleidingen zijn opleidingen buiten deze context maar worden nog steeds gestructureerd georganiseerd, bv. een cursus rond gezondheid georganiseerd door het ziekenfonds of een webinar rond timemanagement georganiseerd door een zelfstandig ondernemer.

Zelfstudie en informeel leren horen hier niet bij.

Onderwijsniveau

Onderwijsniveau wordt gemeten aan de hand van een gedetailleerde vragenlijst, en de personen worden dan in drie groepen verdeeld.

Laaggeschoolden zijn die personen die maximaal een diploma hebben van het lager secundair onderwijs. Middengeschoolden zijn personen die een diploma behaald hebben van het hoger secundair onderwijs, maar geen diploma van het hoger onderwijs. Hooggeschoolden hebben een diploma van het hoger onderwijs.