Situatie op de arbeidsmarkt: werkgelegenheid en werkloosheid

Evolutie van vrouwen op de arbeidsmarkt

Census
Evolutie van vrouwen op de arbeidsmarkt

Welke gemeenten in België hebben de grootste gelijkheid tussen mannen en vrouwen?

Historisch gezien is de werkgelegenheidsgraad[1] hoger bij mannen dan bij vrouwen. Dat verschil is grotendeels het gevolg van sociaaldemografische, economische en culturele factoren. In de loop der jaren is de kloof echter kleiner geworden. Statbel, het Belgische statistiekbureau, maakt gebruik van de recente publicatie van de gegevens van de Census 2021 om een stand van zaken op te maken van deze ontwikkelingen en van het soort jobs die door mannen en vrouwen worden uitgevoerd.

Uit de censusdata voor de bevolking tussen 20 en 64 jaar blijkt dat het verschil in de werkgelegenheidsgraad tussen mannen en vrouwen van 10,3 procentpunten in 2011 naar 6,2 procentpunten in 2021 gedaald is. Terwijl de werkgelegenheidsgraad van vrouwen in 2021 68,6% bedroeg, bedroeg die van mannen 74,7%.

Het verschil tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt hangt eveneens af van hun woonplaats. Zo is de kloof in werkgelegenheidsgraad het hoogst in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest: 64,2% voor mannen en 55,7% voor vrouwen.

Bierbeek is de enige gemeente waarbij de werkgelegenheidsgraad hoger is bij vrouwen dan bij mannen

Behalve in de gemeente Bierbeek, is de werkgelegenheidsgraad bij mannen overal hoger dan bij vrouwen. De gemeenten met de hoogste werkgelegenheidsgraden bij vrouwen zijn vooral te vinden in West-Vlaanderen en in de gemeenten dicht bij Brussel. De geografische verdeling van de hoogste werkgelegenheidsgraden bij mannen is meer verspreid en strekt zich uit naar het noorden van het land en naar het oosten, aan de grenzen met Nederland en Duitsland.

Andere gemeenten hebben vergelijkbare werkgelegenheidsgraden per geslacht

Voor sommige gemeenten, verspreid over het hele grondgebied, wordt de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in termen van werkgelegenheidscijfers (bijna) gerespecteerd, met een kleine kloof tussen de seksen, ongeacht het percentage. Dat is het geval voor de gemeenten Beernem met een werkgelegenheidsgraad van 80,8% voor mannen en 80,7% voor vrouwen, Doornik met respectievelijk 65,5% en 65,4%, Verlaine met respectievelijk 79,5% en 78,9%, Hastière met respectievelijk 55,8% en 55,1% en Lierneux met respectievelijk 72% en 71%.

Grotere verschillen in sommige gemeenten

Daartegenover zijn er verschillende gemeenten, voornamelijk in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Wallonië, met een vrij groot verschil in werkgelegenheidsgraad tussen mannen en vrouwen. De kloof is het grootst in Sint-Jans-Molenbeek, waar de werkgelegenheidsgraad van mannen (59,6%) 15,8 procentpunten hoger ligt dan die van vrouwen (43,8%). Het verschil in werkgelegenheidsgraad tussen mannen en vrouwen is ook aanzienlijk in de gemeenten Anderlecht, met een werkgelegenheidsgraad van 63,1% voor mannen en 49,8% voor vrouwen, Koekelberg met een werkgelegenheidsgraad van respectievelijk 67,2% en 54,4%, Farciennes met respectievelijk 57,8% en 42,5%, en Sint-Niklaas met respectievelijk 66% en 52,7%.

Vrouwen zijn vaker loontrekkende

Er zijn nog andere verschillen tussen mannen en vrouwen, en dan vooral wat hun beroepssituatie betreft. Een groter deel van de vrouwen is loontrekkende ten opzichte van mannen, die vaker zelfstandige zijn. Dat verschil is in 2021 toegenomen ten opzichte van 2011 en kan worden verklaard door de proportioneel grotere toename van het aantal mannelijke zelfstandigen.

In de hoofdstad is het verschil groter voor zelfstandigen, die voornamelijk mannen zijn, met een kloof van 10,8 procentpunten met vrouwen, terwijl voor het land als geheel deze kloof slechts 5,2 procentpunten bedraagt in 2021.

Mannen even vaak bediende als arbeider

Verder blijkt dat 52,1% van de werkende vrouwen bediende zijn, 18,1% arbeider en 14% ambtenaar, terwijl 33,6% van de mannen bediende zijn, 32,2% arbeider en 10,2% ambtenaar. Voor de eerste twee categorieën is de kloof tussen mannen en vrouwen niettemin lichtjes verkleind ten opzichte van 2011, van 20,5 procentpunten naar 18,5 voor bedienden en van 14,4 procentpunten naar 14,1 voor arbeiders. Daarentegen, is het verschil voor vrouwelijke ambtenaren groter, van 1,7 punten naar 3,8 punten.

Bij de loontrekkenden is de kloof groter in het Waals Gewest, waar vrouwen vaker bediende en mannen vaker arbeider zijn.

De verdeling tussen mannen en vrouwen volgens beroepsstatuut is gelijkmatiger in de gemeente Martelange, die de enige gemeente in België is met een hoger aandeel werkzame mannen die loontrekkende zijn dan werkzame vrouwen. In dezelfde gemeente is het aandeel zelfstandige vrouwen hoger dan dat van mannen. Dat is ook het geval in de gemeenten Habay, Aubange en De Haan. De gemeenten Anderlecht en Koekelberg vertonen daarentegen grotere verschillen in de verdeling naar beroepsstatuut tussen mannen en vrouwen.

Mannen werken vaker buiten hun provincie

Hoewel de verdeling tussen vrouwen en mannen naar werkplaats op provinciaal niveau vrij gelijkmatig en stabiel doorheen de tijd is, kan er een onderscheid worden waargenomen op het gebied van de verplaatsingen volgens de provincie waar men werkt. Zo verlaten mannen vaker hun provincie van woonplaats om te gaan werken. Terwijl 77,4% van de vrouwen in hun provincie van woonplaats werkt, blijft 72,1% van de mannen in de provincie van hun woonplaats om hun job uit te oefenen.

In sommige Belgische gemeenten is de trend omgekeerd en verlaat een hoger aandeel van werkende vrouwen de provincie van hun woonplaats om te gaan werken. Dat is vooral het geval in de gemeenten Drogenbos en Wemmel, waar respectievelijk 67,5% en 58,8% van de mannen hun provincie verlaten om hun job uit te oefenen, tegenover 79,5% en 69,5% van de vrouwen.


[1] De werkgelegenheidsgraad van de 20-64-jarigen geeft het aandeel van de werkende beroepsbevolking in de bevolking van 20 tot en met 64 jaar weer.
De "werkende beroepsbevolking" omvat alle werkzame personen

Activiteitsgraad
Content

De activiteitsgraad van de 15-64-jarigen geeft het aandeel van de beroepsbevolking in de bevolking op beroepsactieve leeftijd (15-64 jaar) weer.

Op 1 januari 2021 was 73% van de 15-64-jarigen in België actief, d.w.z. hadden werk of waren werkloos. Deze activiteitsgraad varieert onder meer in functie van de woonplaats. Met een activiteitsgraad van 66,5% is het aandeel van de beroepsbevolking het laagst in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gevolgd door Wallonië met een activiteitsgraad van 70,7% en tot slot Vlaanderen met een activiteitsgraad van 75,6%.

Hoewel de methodologie voor het opstellen van de variabelen met betrekking tot de arbeidsmarkt verschilt tussen 2011 en 2021, met name wat betreft het identificeren van werklozen en werkzame personen, blijft de geografische verdeling vergelijkbaar. Net als in 2011 onderscheiden bepaalde gebieden met een hogere activiteitsgraad zich: West-Vlaanderen (behalve de kust), het westen van Oost-Vlaanderen, het oosten van de provincie Luik, het noorden van de provincie Antwerpen en de meeste randgemeenten van Brussel. Omgekeerd zijn de laagste activiteitsgraden vooral te vinden in de grote steden, die zich onderscheiden van de andere gemeenten in hun respectieve provincies: Charleroi (63,6%), Bergen (66,2%), Luik (66,7%), Namen (69,9%), Aarlen (70,1%), maar ook Antwerpen (71,3%). Naast het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijft Henegouwen de provincie met de laagste activiteitsgraad.

Werkgelegenheidsgraad van 15-64-jarigen
Content

De werkgelegenheidsgraad van de 15-64-jarigen geeft het aandeel van de werkende beroepsbevolking in de bevolking op beroepsactieve leeftijd (15-64 jaar) weer.

Wat het ganse land betreft, had 66,7% van de bevolking op beroepsactieve leeftijd op 1 januari 2021 een baan. De werkgelegenheidsgraad bedraagt 71,4% in Vlaanderen, tegenover 62,2% in Wallonië en 55,7% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ondanks een hogere werkgelegenheidsgraad in het noorden van het land dan in het zuiden, net zoals in 2011, onderscheidt de Duitstalige gemeenschap zich van de rest van het Waals Gewest, met hogere cijfers in de gemeenten die grenzen aan Duitsland (Bütgenbach, Bullange, Amblève en Sankt Vith) en in de gemeenten ten noorden van de provincie Luik (Dalhem en Thimister-Clermont). Net als in 2011 is de variatie binnen de gewesten zelf kleiner in Vlaanderen dan in Wallonië. In het Vlaams Gewest schommelde de werkgelegenheidsgraad van 15-64-jarigen tussen 69,9% (Provincie Antwerpen) en 73% (Provincie West-Vlaanderen), terwijl hij in het Waals Gewest schommelde tussen 58,9% (Provincie Henegouwen) en 67,4% (Provincie Waals-Brabant).

Werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen
Content

De werkgelegenheidsgraad van de 20-64-jarigen geeft het aandeel van de werkende beroepsbevolking in de bevolking van 20 tot en met 64 jaar weer.

Terwijl de werkgelegenheidsgraad van de 20-64-jarigen in België op 1 januari 2021 71,7% bedroeg, bedroeg deze in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest slechts 59,9%. Hoewel er weinig variatie is in de werkgelegenheidsgraad binnen dit gewest, hebben de gemeenten in het zuiden en in het oosten van Brussel een hogere werkgelegenheidsgraad. In het Vlaams Gewest bedroeg de werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen 76,5%, tegenover 67,2% in het Waalse Gewest. Aan de rand van Brussel hebben de provincies Vlaams-Brabant en Waals-Brabant een van de hoogste werkgelegenheidsgraden van hun respectieve gewest. Binnen deze gewesten zijn er verschillen tussen de gemeenten in het westen en het oosten. West-Vlaanderen is de provincie met de hoogste werkgelegenheidsgraad van het land, gevolgd door Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen, terwijl de provincies Limburg en Antwerpen een werkgelegenheidsgraad hebben die dichter bij die van de Waalse provincies aanleunt. In Wallonië is de werkgelegenheidsgraad daarentegen het hoogst in het oosten en heeft de provincie Henegouwen na het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de laagste werkgelegenheidsgraad van België. Ondanks het feit dat sommige gemeenten van de provincie Luik de hoogste werkgelegenheidsgraad van het Waals Gewest hebben, is de werkgelegenheidsgraad in deze provincie nog steeds laag in vergelijking met de naburige provincies Namen en Luxemburg. De stad Luik maakt deel uit van de 10 gemeenten met de laagste werkgelegenheidsgraad in België.

Werkloosheidsgraad
Content

De werkloosheidsgraad is de verhouding tussen het aantal werklozen en de beroepsbevolking in de desbetreffende leeftijdscategorieën.

In België bedraagt de werkloosheidsgraad 8,6% op 1 januari 2021. Dit is niet homogeen in de verschillende gewesten van het land en varieert van 5,5% in het Vlaams Gewest tot 16,3% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In het Waals Gewest bedraagt dat cijfer 12,1%. Dit verschil tussen de gewesten is echter kleiner dan in 2011. Intra-regionaal zijn de schommelingen groter in het Waals Gewest, van 13,9% in de provincie Henegouwen tot 8% in de provincie Luxemburg, dan in het Vlaams Gewest, waar de werkloosheidsgraad varieert van 6,8% in de provincie Antwerpen tot 4,6% in de provincies Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen.

In Wallonië tekenen, net als in 2011, de gemeenten langs de Samber en de Maas en de gemeenten aan de grens met Frankrijk hogere werkloosheidscijfers op, terwijl een aantal gemeenten in het zuiden van de provincie Luxemburg (Vaux-sur-Sûre, Léglise, Attert en Etalle) en in het oosten van de provincie Luik (Bütgenbach, Bullange, Amblève, Sankt Vith en Burg-Reuland) zeer lage werkloosheidscijfers hebben. In Vlaanderen zijn het de gemeenten Antwerpen, Turnhout, Oostende en Blankenberge die zich met een hoger werkloosheidspercentage onderscheiden van de andere gemeenten in het gewest. Over het algemeen is de werkloosheidsgraad hoger in de grote steden: Luik (22%), Charleroi (21,3%), Bergen (16,9%), Namen (14,4%), Antwerpen (11,6%), Gent (8,2%) en Brugge (5%) hebben enkele van de hoogste werkloosheidspercentages in hun respectieve provincies.

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vertonen de gemeenten in het zuiden en het oosten lagere werkloosheidscijfers.

Doel en korte beschrijving van de Census

De Census 2021 is een momentopname van de bevolking die in België woont op 1 januari 2021. De Census levert een breed scala aan cijfers op over de woningen en de demografische, socio-economische en onderwijskundige kenmerken van de burgers. Het doel van de Census is dubbel: beantwoorden aan de Europese verordening[1] en statistieken produceren voor specifieke nationale noden (openbaar bestuur, internationale organisaties, onderzoekers, ondernemingen en particulieren).

Vroeger was de Census een exhaustieve enquête onder alle burgers, maar sinds 2011 is deze uitsluitend gebaseerd op administratieve databanken.

Definities

De verschillende statistische eenheden

De bevolking

De bevolking in de Census 2021 is de residentiële bevolking zoals ingeschreven in het Rijksregister van de natuurlijke personen (RRNP) op 1 januari 2021. De Belgische bevolking omvat Belgen en niet-Belgen die toegelaten of gemachtigd zijn om zich te vestigen of om te verblijven op het grondgebied, maar omvat niet de niet-Belgen die minder dan drie maanden op het grondgebied verblijven, de asielzoekers en de niet-Belgen in onregelmatige situatie[2].

Particuliere huishoudens

Deze groep omvat personen die alleen wonen, of meerdere personen die samenwonen en samen voorzien in hun levensonderhoud.

Familiekernen

Een familiekern bestaat uit twee of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde huishouden en die verwant zijn als man en vrouw, als partners in een geregistreerd partnerschap, als samenwonende partners of als ouder en kind.

Woonverblijven

Dit omvat alle verblijven die dienen als onderkomen voor een of meerdere personen.

Conventionele woningen

Conventionele woningen worden gedefinieerd als structureel gescheiden, onafhankelijke ruimten die bestemd zijn voor permanente menselijke bewoning. Op de dag van de telling kunnen ze ofwel bewoond worden, ofwel leeg staan, ofwel als vakantieverblijf of tweede verblijfplaats dienen.

Bewoonde conventionele woningen

Het gaat om conventionele woningen die dienen als gewone verblijfplaats voor één of meerdere particuliere huishoudens.

Definitie van de variabelen

Geslacht

Deze variabele wordt gebruikt om mannen van vrouwen te onderscheiden.

Leeftijd

De leeftijd wordt aangeduid in verstreken jaren op 1 januari 2021.

Gewone verblijfplaats

De verblijfplaats is diegene die geregistreerd staat in het Rijksregister op 1 januari 2021.

Het gaat dus om de wettelijke verblijfplaats.

De Belgische gemeenten werden tussen 2011 en 2021 gewijzigd. In de vergelijkingen op deze site werden de cijfers van 2011 uitgesplitst volgens de gemeenten in 2021.

Agglomeratie

Een agglomeratie is een aaneengesloten bebouwd gebied, d.w.z. een gebied dat gedefinieerd wordt door een groep mensen die in bij elkaar gelegen of aan elkaar grenzende gebouwen wonen. Deze zone bestaat uit een groep gebouwen waarbij geen enkel gebouw meer dan 200 meter van het naaste naburige gebouw verwijderd is.

De Belgische gemeenten werden tussen 2011 en 2021 gewijzigd. In de vergelijkingen op deze site werden de cijfers van 2011 uitgesplitst volgens de gemeenten in 2021.

Arbeidsmarktsituatie

De situatie op de arbeidsmarkt geeft informatie over de economische activiteit van de bevolking (werkzame personen, werklozen, inactieven) tijdens de laatste week van het jaar 2020.

Werkzame personen

Personen die een betrekking hebben (werkzame personen) zijn:

  • personen van 15 jaar of ouder en die
  • ofwel in de laatste week van het jaar minstens één uur gewerkt hebben voor een loon of tegen betaling in geld of in natura;
  • ofwel tijdens de referentieperiode tijdelijk afwezig zijn geweest van het werk, maar die een formele link met het werk hebben behouden:
Werklozen

Werklozen zijn:

  • Alle personen van 15 jaar of ouder die tijdens de referentieweek:
  • zonder werk waren, dat betekent dat ze tijdens de referentieweek niet in loondienst of als zelfstandige werkten;
  • en direct beschikbaar voor werk waren, d.w.z. gedurende de referentieweek en de twee weken daarna voor werk in loondienst of als zelfstandige beschikbaar waren;
  • en werk zochten, d.w.z. gerichte stappen hebben ondernomen om werk in loondienst of als zelfstandige te zoeken gedurende een periode van vier weken eindigend met de referentieweek.
Pensioentrekkers of ontvangers van kapitaalinkomsten

Ontvangers van pensioen- of kapitaalinkomsten worden enkel toegewezen aan de categorie pensioentrekkers of ontvangers van kapitaalinkomsten als ze

  • de nationale minimumleeftijd voor economische activiteit hebben bereikt (15 jaar of ouder);
  • geen deel uitmaken van de actieve bevolking;
  • een inkomen uit pensioen en/of kapitaal ontvangen.

Zelfs als er een formele band met een bedrijf wordt behouden, worden bruggepensioneerden beschouwd als gepensioneerden aangezien ze niet van plan zijn om weer aan het werk te gaan.

Studenten

Onder studenten worden alle schoolgaande personen verstaan die:

  • de nationale vereiste minimumleeftijd voor economische activiteit hebben bereikt (15 jaar of ouder);
  • geen deel uitmaken van de actieve bevolking;
  • geen pensioentrekker of ontvanger van kapitaalinkomsten zijn.
Beroepsbevolking

De beroepsbevolking omvat alle personen die voldoen aan de criteria om tijdens de referentieweek als werkzaam of als werkloos te worden beschouwd.

Werkende beroepsbevolking

De tewerkgestelde beroepsbevolking omvat alle personen die tijdens de referentieweek werkzaam waren.

Niet-actieve personen

De niet-actieve personen omvatten het geheel aan personen die tijdens de referentieweek noch werk hadden noch werkloos waren. Daarom worden personen jonger dan 15 jaar, pensioentrekkers, ontvangers van kapitaalinkomsten, studenten en andere inactieve personen, zoals huismannen en huisvrouwen, arbeidsongeschikten, personen die een leefloon ontvangen, etc. beschouwd als niet behorend tot de beroepsbevolking voor zover deze personen geen enkele vergoede activiteit uitoefenen, geen werk zoeken of niet onmiddellijk beschikbaar zijn voor werk.

Jobkenmerken

Personen van 15 jaar en ouder die tijdens de referentieweek werkten, worden ingedeeld op basis van de arbeidssituatie van hun laatste baan. Personen met meer dan één job worden ingedeeld volgens hun hoofdactiviteit, die ten eerste wordt bepaald op basis van het inkomen uit werk en ten tweede op basis van de tijd die ze aan het werk zijn (percentage gewerkte uren in verhouding tot een voltijdse werknemer of gemiddeld aantal gewerkte uren).

Opmerking

Vergelijken met de vorige Census vereist enige voorzichtigheid, aangezien deze publicatie zich baseert op de Belgische bevolking en de Census op de Europese definitie van de bevolking. Meer info over verschil tussen de Belgische bevolking en de Census of Europese bevolking.

Ook vergelijkingen met enquêteresultaten zoals de EAK (Enquête naar de Arbeidskrachten) gebieden enige voorzichtigheid.

Er zijn twee soorten verschillen tussen de resultaten van de Census 2011 en de latere census. Allereerst, de concepten en de definities verschillen.

In 2011 werd er onder de werklozen een verschil gemaakt tussen zij die ervoor al hadden gewerkt en zij die nog nooit een functie hadden uitgeoefend. Aangezien verschillende administratieve databanken nodig zijn om de werkgeschiedenis van elke persoon te achterhalen, wordt dit niet meer gedaan.

In 2011 voorzag Eurostat twee aparte categorieën tussen de meewerkende gezinsleden die werken in een familiebedrijf en de leden van de productiecoöperaties. In de nieuwe methodologie zijn deze twee groepen terug te vinden onder de modaliteit ‘andere werkzame personen (EMP_OTH)’. Statbel creëert een meer gedetailleerde variabele met betrekking tot het statuut van het beroep waardoor de meewerkende gezinsleden en de leden van een productiecoöperaties van elkaar onderscheiden kunnen worden.

Bovendien, kan door de nieuwe methodologie in de klasse ‘andere inactieve personen (INAC_OTH)’, het verschil gemaakt worden tussen de personen die een leefloon ontvangen, personen die een financiële hulp krijgen omdat ze langdurig arbeidsongeschikt zijn of personen met een handicap die daarom een specifieke uitkering ontvangen Toch zijn de huismannen en huisvrouwen, net als in 2011 niet identificeerbaar in de administratieve databanken.

Verder werd de methodologie verbeterd om deze definities en de economische realiteit dichter bij elkaar te brengen.

Over het algemeen brengt de nieuwe methodologie die gebruikt werd om de arbeidsmarktvariabelen voor de Census op te stellen verschillende administratieve databases uit verschillende bronnen samen. Dat vermindert het aantal ontbrekende waarden en verbetert de kwaliteit van de statistieken.

De nieuwe methodologie integreert gegevens over personen die binnen de Europese en internationale instellingen werken en die rechtstreeks van de belangrijkste instellingen zijn ontvangen. In 2011 werd de informatie alleen verkregen uit de registers 3 en 4 van het Rijksregister en de fiscale gegevens. De kwaliteit van deze bronnen bleek echter onvoldoende.

In tegenstelling tot 2011, gebruikt Statbel voortaan naast de IPCAL-gegevens ook gegevens van het NIC en de WABRO om het aantal werknemers in het buitenland te bepalen.

Aangezien de fiscale gegevens afkomstig van IPCAL een volledig jaar bestrijken, werd in 2011 een algoritme op basis van het bedrag aan beroepsinkomsten gebruikt. Bijgevolg is het zo dat hoe hoger het jaarlijkse beroepsinkomen, hoe groter de kans is dat er tijdens het jaar meer is gewerkt, en dat impliceert een grotere waarschijnlijkheid dat er tijdens de laatste week van het jaar is gewerkt. De methodologie werd aangepast om rekening te houden met de continuïteit van het inkomen tussen twee opeenvolgende fiscale jaren.

De pensioentrekkers werden nu in aanmerking genomen met behulp van de IPCAL-gegevens over inkomen uit onroerend goed en vermogen.

Dankzij de nieuwe DIMONA-gegevens kan studentenwerk vanaf nu worden gedetecteerd tijdens de referentieweek.

In tegenstelling tot 2011 worden studenten niet langer alleen maar bepaald op basis van de kinderbijslag, maar ook op basis van hun inschrijving op school.

Een correctie wordt eveneens uitgevoerd om onder de werklozen rekening te houden met de werkzoekenden die geen uitkering ontvangen.

Om meer details en informatie over het beroep te krijgen, wordt vooraf een vestigingsnummer toegewezen. Naast het bepalen van de provincie van het werk en de gecorrigeerde economische sector, maakt deze manipulatie het mogelijk om de geografische coördinaten van de plaats van tewerkstelling te verkrijgen en een verband te leggen tussen mensen die binnen hetzelfde bedrijf werken.

Dankzij de verzameling van talrijke administratieve databanken van instellingen, grote ondernemingen en beroepsorganisaties heeft Statbel voor de meerderheid van de beroepsbevolking een beroep kunnen bepalen. Er wordt momenteel een imputatiemodel ontwikkeld om de ontbrekende beroepen te bepalen.

Metadata

Methodologische nota


[1] UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/543 VAN DE COMMISSIE van 22 maart 2017 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 763/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende volks- en woningtellingen, wat de technische specificaties voor de thema's en voor de uitsplitsingen daarvan betreft.

[2]Meer informatie over de manier waarop deze bevolking wordt bepaald