56% van de Brusselse huishoudens bezit geen wagen
In 2024 bezat 72% van de Belgische huishoudens ten minste één wagen. Terwijl dit percentage tot bijna 90% stijgt voor koppels met kinderen, bedraagt dit slechts 70% voor alleenstaande ouders. Bovendien bezit één op de twee alleenwonenden geen wagen.
In 2024 bevindt zich in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het hoogste aandeel huishoudens zonder wagen: 56,4% bezit geen wagen. Wallonië en Vlaanderen volgen met respectievelijk 24,7% en 23,6%.
Het is dan ook geen verrassing dat de Brusselse gemeenten het hoogste percentage huishoudens zonder wagen hebben. Sint-Gillis staat aan kop met 72,2%, gevolgd door Sint-Joost-ten-Node (72,1%), Elsene (67,6%), Etterbeek (65,9%) en de stad Brussel (64,7%).
Omgekeerd hebben sommige gemeenten zeer lage percentages. Zo springt Nandrin eruit met slechts 8,5% huishoudens zonder wagen, voor Verlaine (9,8%), La Bruyère (10,0%), Olne (10,5%) en Tinlot (10,6%).
In 2024 bezaten Belgische huishoudens gemiddeld 1,06 wagens
In 2024 bezaten Belgische huishoudens gemiddeld 1,06 wagens. Dit cijfer is ongewijzigd gebleven sinds 2021.
Op gewestelijk niveau ligt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met 0,54 wagens per huishouden ver onder het nationale gemiddelde. Deze waarde ligt 1,8% lager dan in 2023 en blijft sinds 2021 dalen. Waalse huishoudens bezitten gemiddeld 1,12 wagens, wat een lichte stijging is van 0,9% ten opzichte van 2023. De Vlaamse huishoudens bezitten gemiddeld 1,13 wagens, een aantal dat ongewijzigd is sinds 2022.
Op gemeentelijk niveau blijven Sint-Gillis en Sint-Joost-ten-Node met 0,33 wagens per huishouden de gemeentes met het laagste gemiddelde aantal wagens per huishouden, terwijl Lasne met 1,68 wagens per huishouden de gemeente met het hoogste cijfer blijft. Het aantal wagens per huishouden blijft dus van jaar tot jaar heel langzaam veranderen.
49% van de alleenwonenden bezit geen eigen wagen
In 2024 had 49,0% van de alleenwonenden geen eigen wagen en 47,5% van hen bezat er één. Vergeleken met 2023 is het aandeel alleenwonenden zonder wagen met 0,3 procentpunt (pp) gedaald.
Van de koppels zonder inwonende kinderen heeft 12,9% geen wagen, dat is een lichte stijging (+0,1 pp) ten opzichte van het voorgaande jaar. 55,9% heeft er slechts één (-0,4 pp), 26,2% heeft er twee (+0,2 pp) en 5,0% heeft er ten minste drie (+0,1 pp). De verschillen zijn iets duidelijker bij koppels zonder inwonende kinderen, aangezien meer van hen geen wagen bezitten, maar ook meer van hen er minstens twee hebben.
10,3 % van de koppels met ten minste één kind bezit geen wagen
Van de koppels met ten minste één inwonend kind bezit 10,3% geen wagen. Deze stijging van 0,2 procentpunt ten opzichte van 2023 is in lijn met de groei die sinds 2021 werd waargenomen. 36,9% heeft slechts één wagen ter beschikking (-0,3 pp), 38,6% heeft er twee (-0,2 pp) en 14,2% heeft er minstens 3 (+2 pp).
Net als bij koppels zonder inwonende kinderen, zijn de verschillen iets groter bij koppels met kinderen, aangezien meer van hen geen wagen bezitten, maar ook meer van hen er minstens drie hebben.
Het aandeel van koppels dat over drie of meer wagens beschikt, stijgt dus van 5,0% voor koppels zonder inwonend kind tot 14,2% voor koppels met een inwonend kind. Dit cijfer staat in contrast met eenoudergezinnen, waarvan slechts 3,7% drie of meer wagens heeft (+0pp). 30,2% van hen bezit daarentegen helemaal geen wagen (-0,3 pp), en 50,3% bezit er slechts één(+0,1 pp).
Aantal voertuigen per huishouden volgens type huishouden (België, 2024)
| België | Aantal voertuigen per huishouden | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 0 | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | >5 | |
| Eenpersoonshuishoudens | 915.075 | 886.236 | 55.683 | 6.549 | 1.450 | 488 | 514 |
| Koppels zonder inwonende kinderen | 164.984 | 714.886 | 335.282 | 51.220 | 9.226 | 2.479 | 1.852 |
| Koppels met inwonend(e) kind(eren) | 142.845 | 512.962 | 535.947 | 148.222 | 36.507 | 8.592 | 4.120 |
| Eenoudergezinnen | 154.989 | 257.887 | 80.828 | 15.482 | 2.783 | 590 | 305 |
| Andere types huishoudens | 51.354 | 42.768 | 21.932 | 4.084 | 906 | 233 | 251 |
Om huishoudens met wagens die in België geregistreerd zijn te identificeren, hebben we een dubbele koppeling uitgevoerd. De eerste koppeling betreft de jaarlijkse bestanden van de bevolking en het wagenpark (DIV). Hierdoor kunnen wagens worden geïdentificeerd die op naam van een natuurlijke persoon zijn geregistreerd. De tweede koppeling betreft de jaarlijkse bestanden van de bevolking en de fiscale gegevens (Belcotax). Hierdoor kan het aantal bedrijfswagens geteld worden. Deze twee groepen wagens worden in aanmerking genomen voor de berekening van de statistieken over het wagenbezit van huishoudens.
Deze dubbele koppeling is noodzakelijk, omdat bedrijfswagens momenteel niet kunnen worden geïdentificeerd in de administratieve gegevens over het wagenpark (DIV). Deze wagens zijn hierin immers geregistreerd op naam van een onderneming zonder informatie over het soort gebruik van het voertuig. Het is dus niet mogelijk ze te onderscheiden van bijvoorbeeld wagenparken of huurwagens. Het aantal bedrijfswagens kan echter berekend worden op basis van de belastingaangiften[1] . Deze methodologie van dubbele koppeling, die werd ontwikkeld voor de cijfers van 2019, heeft met succes verschillende interne (door vergelijking met onze enquêtes) en externe (door raadpleging van experten) validaties doorstaan. Op basis van de cijfers van 2019 hebben externe experten een onderschatting van ongeveer 150.000 bedrijfswagens gesuggereerd[2] . Dit betekent een potentiële fout van ongeveer 3% op het totale aantal gekoppelde voertuigen (5.311.000 in 2019). We blijven werken aan de verbetering van de kwaliteit van deze statistiek door onze methodologie te verfijnen en het potentieel van aanvullende administratieve bronnen te evalueren.
[1] De aangifte van een voertuig kan voor zelfstandige bedrijfsleiders via opgave van het "voordeel van alle aard omwille van gebruik van een bedrijfswagen" in de fiscale fiche 281.20 en voor werknemers via opgave van het "voordeel van alle aard omwille van gebruik van een bedrijfswagen" in de fiscale fiche 281.10.
[2] De onderschatting van het aantal bedrijfswagens is volgens experten niet te wijten aan het niet aangeven van deze bedrijfswagens door individuele burgers, aangezien de aangiften in de praktijk vaak voorbereid worden door personeelsdiensten en sociale secretariaten.