Werkgelegenheid en werkloosheid

Gunstige evoluties op de Belgische arbeidsmarkt in 2016

Werk & Opleiding
2 vrouwen aan computer

Nieuwe cijfers Enquête naar de Arbeidskrachten

De Algemene Directie Statistiek publiceert vandaag de belangrijkste arbeidsmarktresultaten voor 2016 uit de Enquête naar de Arbeidskrachten. Daaruit blijkt dat:

  • 2016 een gunstig jaar is voor de Belgische arbeidsmarkt: de belangrijkste arbeidsmarktindicatoren evolueren in positieve zin.
  • 67,7% van de 20- tot en met 64-jarigen aan het werk is. In 2015 bedroeg dit percentage 67,2%.
  • de werkloosheidsgraad 7,9% bedraagt in 2016, tegenover 8,6% in 2015.

De werkgelegenheidsgraad van 20- tot en met 64-jarigen neemt toe met 0,5 procentpunt

In 2016 is 67,7% van de 20- tot en met 64-jarigen aan het werk (tabel 1). Na 5 jaar van stabilisatie rond de 67,2 à 67,3%, neemt deze EU2020-indicator met 0,5 procentpunt toe ten opzichte van 2015. De werkgelegenheidsgraad van mannen stijgt met 1 procentpunt naar 72,3% terwijl het percentage werkende vrouwen tussen 20 en 64 jaar stabiliseert op 63%.

De werkgelegenheidsgraad van 55-plussers stijgt ook in 2016

De werkgelegenheidsgraad van 55-64-jarigen, die al jaren in stijgende lijn gaat, neemt ook in 2016 toe. Momenteel is 45,4% van de 55-plussers aan het werk. De sterkste groei van de werkgelegenheidsgraad van 55-plussers wordt genoteerd bij mannen.

Het percentage jongeren dat aan het werk is daalt verder in 2016

De werkgelegenheidsgraad binnen de jongste leeftijdscategorie (15- tot en met 24-jarigen) daalt daarentegen. Ook dit is een evolutie die al jaren aan de gang is en te maken heeft met het toenemend aandeel studenten binnen deze leeftijdsgroep. In 2016 is 2/3de van de jongeren student, tegenover 60,8% tien jaar geleden. De werkgelegenheidsgraad van jongeren daalde in diezelfde periode van 27,6% in 2006 naar 22,7% in 2016.

Sterke afname werkloosheidsgraad van 15-64-jarigen naar 7,9%

De werkloosheidsgraad volgens de definities van het Internationaal Arbeidsbureau (zie definities) bedraagt 7,9% in 2016, tegenover 8,6% in 2015. Ondanks een sterkere daling van de werkloosheidsgraad bij mannen dan bij vrouwen, blijft de werkloosheidsgraad van mannen het hoogst. In 2016 bedraagt de werkloosheidsgraad van mannen 8,1% en die van vrouwen 7,6%.

De werkloosheidsgraad van 15-24-jarigen daalt opnieuw

De jeugdwerkloosheidsgraad - het aantal werkloze jongeren in procent van de beroepsbevolking – daalt voor het derde jaar op rij en komt uit op 20,1% in 2016.

De activiteitsgraad stabiliseert

De samenstelling van de beroepsbevolking van 15- tot en met 64-jarigen wijzigt grondig tussen 2015 en 2016. De werkloosheid neemt immers sterk af en het aantal werkende personen stijgt. Toch blijft de Belgische

activiteitsgraad stabiel op 67,6% in 2016. 72,3% van de mannen en 62,9% van de vrouwen tussen 15 en 64 jaar zijn actief op de arbeidsmarkt als werkende of IAB-werkloze.

 

    Percentage 2016 Evolutie 2015-2016 in procentpunten
Werkgelegenheidsgraad 20-64 jaar Totaal 67,7% 0,5%
Mannen 72,3% 1,0%
Vrouwen 63,0% 0,0%
Werkgelegenheidsgraad 15-64 jaar Totaal 62,3% 0,5%
Mannen 66,5% 0,9%
Vrouwen 58,1% 0,1%
Werkgelegenheidsgraad 55-64 jaar Totaal 45,4% 1,4%
Mannen 50,7% 1,9%
Vrouwen 40,2% 0,9%
Werkloosheidsgraad
15-64 jaar
Totaal 7,9% -0,7%
Mannen 8,1% -1,1%
Vrouwen 7,6% -0,2%
Werkloosheidsgraad
15-24 jaar
Totaal 20,1% -2,0%
Mannen 21,7% -2,1%
Vrouwen 18,2% -1,9%
Activiteitsgraad
15-64 jaar
Totaal 67,6% 0,0%
Mannen 72,3% 0,2%
Vrouwen 62,9% -0,1%

Dit zijn de resultaten voor 2016 van de Enquête naar de arbeidskrachten (Labour Force Survey) van de Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium. De enquête peilt naar de voornaamste evoluties op het vlak van werkgelegenheid en werkloosheid volgens internationale definities, op basis waarvan een aantal belangrijke arbeidsmarktindicatoren worden opgesteld zoals de werkgelegenheids-, de werkloosheids- en de activiteitsgraad. Het gaat daarbij niet om populatiegegevens, maar om schattingen op basis van een representatieve steekproef bij de Belgische bevolking.

Om de werkloosheidscijfers internationaal vergelijkbaar te houden, worden ze volgens de definities van het Internationaal Arbeidsbureau berekend.

Naast deze kernindicatoren over de arbeidsmarkt bevat de enquête naar de arbeidskrachten heel wat aanvullende informatie over de arbeidsmarkt. Dit zijn de resultaten voor 2016:

  • 4,4% van de werkende bevolking heeft een tweede job. Dit percentage ligt het hoogst bij hooggeschoolden (5,8%).
  • Meer dan de helft van de werkende vrouwen (52,5%) heeft een job in de quartaire of non-profitsector. Mannen treffen we het vaakst aan in de tertiaire sector (de commerciële dienstensector) (44%).
  • 85,2% van de werkenden heeft een loontrekkende job tegenover 14,8% een job als niet-loontrekkende of zelfstandige (inclusief meewerkende familieleden). Binnen de groep van de niet-loontrekkenden is 2/3de zelfstandig zonder personeel in dienst.
  • Bijna 45% van de loontrekkende vrouwen werkt deeltijds. Bij mannen werkt 10,8% niet voltijds. 4/5de werken is het populairste deeltijdse regime.
  • 162.000 deeltijds werkende personen wensen meer te werken. In 73% van de gevallen gaat het om personen die min of meer gedwongen deeltijds werken omdat ze geen voltijds werk vinden of omdat de gewenste job enkel deeltijds wordt aangeboden.
  • 9,2% van de loontrekkenden heeft een tijdelijk contract. Bij loontrekkenden jonger dan 25 jaar bedraagt dit percentage 39%.
  • Bijna 23% van de werkende bevolking werkt soms of regelmatig van thuis uit. Nemen we enkel loontrekkenden in beschouwing, dan bedraagt het percentage 16,7%.
  • Ongeveer 43.000 Walen pendelen naar Vlaanderen om er te werken tegenover 25.000 Vlamingen die hun job in Wallonië uitoefenen.
  • Binnen de inactieve bevolking neemt het aantal studenten jaar na jaar toe. In 2016 waren er 870.000 studenten tussen 15 en 24 jaar.
  • België telt 413.000 huisvrouwen tegenover 17.000 huismannen. Het aantal huisvrouwen is spectaculair gedaald in vergelijking met 30 jaar geleden. Het aantal huismannen nam in dezelfde periode sterk toe maar lijkt de laatste jaren te stabiliseren.
  • 12,6% van de kinderen jonger dan 18 jaar leeft in een huishouden waar niemand betaald werk heeft.
  • 8,8% van de 18- tot en met 24-jarigen stopt vroegtijdig met studeren. Het gaat om personen met een leeftijd van 18 tot 24 jaar die geen diploma hoger secundair onderwijs behaald hebben en geen enkele vorm van onderwijs of vorming meer volgen.
  • 9,9% van de 15- tot en met 24-jarigen heeft geen werk en volgt noch onderwijs noch opleiding.
  • 45,6% van de 30- tot 34-jarigen heeft een diploma van het hoger onderwijs behaald.
tabel
Meer cijfers
Content

Enquête naar de arbeidskrachten 2011-2015

Enquête naar de arbeidskrachten 2011

Enquête naar de arbeidskrachten 2012

Enquête naar de arbeidskrachten 2013

Enquête naar de arbeidskrachten 2014

Enquête naar de arbeidskrachten 2015

Arbeidsmarktindicatoren volgens leeftijd en geslacht - absolute en relatieve cijfers (1999 - 4de kwartaal 2016)

Arbeidsmarktindicatoren (1999-2010)

Vierde trimester 2016 : Arbeidsmarktindicatoren (2011-2016)

Werkloosheid en aanvullende indicatoren 2016

Werkloosheid en aanvullende indicatoren 2016

Aandeel van de culturele sector in de totale werkgelegenheid 2010 – 2016

Aandeel van de culturele sector in de totale werkgelegenheid 2010 - 2016

Enquête naar de arbeidskrachten (EAK)

Doel en korte beschrijving

De enquête naar de arbeidskrachten (EAK) is een sociaal-economische steekproefenquête bij huishoudens. Haar voornaamste doelstelling is de populatie op actieve leeftijd (vanaf 15 jaar) op te delen in drie groepen (nl. werkende personen, werklozen en niet-actieve personen), en over elk van deze categorieën beschrijvende en verklarende gegevens te verstrekken. Deze enquête wordt ook in de andere EU-lidstaten uitgevoerd en wordt gecoördineerd door de statistische dienst van de Europese Unie, EUROSTAT. In België wordt de EAK georganiseerd door Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium). De bedoeling is informatie te vergaren die op Europees vlak vergelijkbaar is, o.m. inzake werkgelegenheids- en werkloosheidscijfers overeenkomstig de definities van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), en daarnaast gegevens te verzamelen en te verspreiden die elders niet verkregen kunnen worden. Voorbeelden hiervan zijn mobiliteit van de werknemers, motivatie voor deeltijds werken, de verschillende vormen van tijdelijke arbeid, beroep, onderwijsniveau van de bevolking op beroepsactieve leeftijd,…

Populatie

Leden van privé-huishoudens van 15 jaar oud of meer

Basis van de steekproef

Demografische gegevens van het Rijksregister

Dataverzamelingsmethode en eventuele steekproefomvang

De informatie wordt voor de eerste bevraging verzameld via face to face interviews. Sinds 2017 volgen daarna nog drie kortere opvolgbevragingen die via het web of telefonisch gebeuren.

Gezinnen die uitsluitend bestaan uit inactieve personen ouder dan 64 jaar mogen ook telefonisch worden bevraagd.

Jaarlijks worden in België ongeveer 47.000 huishoudens aangeschreven om aan deze enquête deel te nemen.

Respons

De respons bedraagt + 75%.

Frequentie

Driemaandelijks.

Timing publicatie

Resultaten beschikbaar +/- 3 maanden na de referentieperiode

Formulieren

Definities

Werklozen (IAB): Volgens de criteria van het Internationaal Arbeidsbureau, behoren tot de werklozen alle personen van 15 jaar en ouder die: (a) tijdens de referentieweek zonder werk waren (b) voor werk beschikbaar waren, d.w.z. voor werk in loondienst of als zelfstandige beschikbaar waren binnen twee weken na de referentieweek (c) actief werk zochten, d.w.z. gedurende de laatste vier weken met inbegrip van de referentieweek gerichte stappen hadden ondernomen om werk in loondienst of als zelfstandige te zoeken, of die werk hadden gevonden en binnen ten hoogste drie maanden zouden beginnen te werken.

Personen met een betrekking (IAB): Personen met een betrekking zijn alle personen van 15 jaar en ouder die gedurende de referentieweek minstens één uur werk verrichtten voor loon of salaris of voor winst, of die een baan hadden maar tijdelijk afwezig waren. Daar horen ook de meewerkende familieleden bij. De personen met een betrekking worden onderverdeeld in drie groepen volgens hun beroepssituatie:

Loontrekkenden: Loontrekkenden zijn alle personen van 15 jaar of ouder die tijdens de referentieweek minstens één uur werk verrichtten (met of zonder formeel contract) voor loon of salaris, of die tijdelijk niet op het werk aanwezig waren (omwille van ziekte, zwangerschapsverlof, vakantie, sociaal conflict, weersomstandigheden of andere redenen) en die een formele band met hun baan hebben.

Niet-loontrekkenden: Niet-loontrekkenden zijn alle personen die niet in dienst werken van een werkgever en die gedurende de referentieweek minstens één uur werk verrichtten voor winst of die tijdens de referentieweek tijdelijk afwezig waren. Hierbij horen de zelfstandigen (zonder personeel) en werkgevers (met personeel) en de niet-vergoede helpers.

Beroepsbevolking: De beroepsbevolking of de actieve bevolking (15 jaar en meer) bestaat uit de personen met een betrekking (werkende personen) en de werklozen.

Werkloosheidsgraad: De werkloosheidsgraad geeft het percentage werklozen in de beroepsbevolking (werkenden + werklozen) van 15 tot 64 jaar weer.

Werkgelegenheidsgraad: De werkgelegenheidsgraad geeft het percentage werkende personen in een bepaalde leeftijdsgroep (15-64 jaar, 20-64 jaar,…) weer.

Activiteitsgraad: De activiteitsgraad geeft het percentage beroepsbevolking (werkende personen en werklozen) in de bevolking van 15 tot en met 64 jaar weer.

Onderwijsniveau (3 klassen): Laaggeschoolden zijn die personen die maximaal een diploma hebben van het lager secundair onderwijs. Middengeschoolden zijn personen die een diploma behaald hebben van het hoger secundair onderwijs, maar geen diploma van het hoger onderwijs. Hooggeschoolden hebben een diploma van het hoger onderwijs.

Metadata

Methodologie enquêtes

Wetgeving

D1_1.svg

Zijn er vragen over dit thema?