Werkgelegenheid en werkloosheid

Minder gunstige arbeidsmarktevoluties in het eerste kwartaal van 2024

Werk & Opleiding
Minder gunstige arbeidsmarktevoluties in het eerste kwartaal van 2024

In het eerste kwartaal van 2024 is 71,9% van de 20-64-jarigen in België aan het werk, wat een daling betekent in vergelijking met het vierde kwartaal van 2023 (72,6%) en een stabilisatie ten opzichte van het eerste kwartaal van 2023. Bij 55-plussers evolueert de werkgelegenheidsgraad echter wel nog gunstig, namelijk van 58,5% in het vierde kwartaal van 2023 naar 59,1% in het eerste kwartaal van 2024. Dat blijkt uit nieuwe resultaten van Statbel op basis van de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK).

De IAB-werkloosheidsgraad van 15-64-jarigen wordt in het eerste kwartaal van 2024 op 5,8% geschat, ten opzichte van 5,5% in het vierde kwartaal van 2023. Maar ook hier zien we een stabilisatie van het cijfer wanneer we vergelijken met een jaar geleden.

De activiteitsgraad daalt lichtjes van 70,9% in het vorige kwartaal naar 70,3% in het eerste kwartaal van 2024. Dit blijkt wel uitsluitend te wijten aan een daling van de vrouwelijke activiteitsgraad, bij mannen blijft het cijfer stabiel.

In de drie gewesten zien we een dalende werkgelegenheidsgraad. Voor Brussel en Vlaanderen gaat dat gepaard met een stijgende werkloosheidsgraad, maar in Wallonië daarentegen daalt de werkloosheid nog lichtjes.

Verdere details met evoluties volgens geslacht, leeftijdsgroep, regio en onderwijsniveau leest u hieronder.

71,9% van de 20-64-jarigen is aan het werk

Werkgelegenheidsgraad daalt ten opzichte van vorig kwartaal

Nadat de werkgelegenheidsgraad gedurende twee kwartalen steeg vertonen de schattingen in het eerste kwartaal van 2024 opnieuw een lichte daling, van 72,6% naar 71,9%. In absolute termen betekent dit dat er in het eerste kwartaal van 2024 naar schatting 4.868.000 mensen van 20 tot en met 64 jaar aan het werk zijn in België. Als we de populatie van 15 jaar en ouder bekijken, gaat het om 5.017.000 werkende personen.

Alhoewel we een daling zien bij zowel mannen als vrouwen, is de daling bij vrouwen iets groter. Bij vrouwen zien we de werkgelegenheidsgraad dalen van 68,8% in het vierde kwartaal van 2023 naar 67,9% in het eerste kwartaal van 2024 en bij de mannen van 76,4% naar 75,9%. In vergelijking met hetzelfde kwartaal vorig jaar blijft de werkgelegenheidsgraad dan weer nagenoeg stabiel en dit zowel bij mannen als bij vrouwen.

In de grafieken stellen de lijnen de geschatte waarden voor en de zone daarrond geeft het 95% betrouwbaarheidsinterval (B.I.) rondom de schatting weer.

Stijgende werkgelegenheidsgraad bij de 55-64-jarigen

Naar leeftijd zien we tegenovergestelde evoluties bij de bevolkingsgroep van 20-54-jarigen en deze van 55-64-jarigen (grafiek 2). Terwijl de schatting voor de werkgelegenheidsgraad bij de 20-54-jarigen daalt met 1,4%, is deze bij de oudste leeftijdsgroep met 1,0% gestegen in vergelijking met het vorige kwartaal. In vergelijking met hetzelfde kwartaal van een jaar geleden is het verschil nog meer uitgesproken. Daar zien we een stijging van 2,4% bij de oudste leeftijdsgroep, ten opzichte van een daling met 0,9% bij de groep 20-54-jarigen toe. Het verschil tussen de werkgelegenheidsgraad van beide leeftijdsgroepen blijft groot: in het eerste kwartaal van 2024 is 75,7% van de 20-54-jarigen aan het werk tegenover 59,1% van de 55-64-jarigen.

In de grafieken stellen de lijnen de geschatte waarden voor en de zone daarrond geeft het 95% betrouwbaarheidsinterval (B.I.) rondom de schatting weer.

Daling van de werkgelegenheidsgraad in Brussel

Voor Brussel wordt de werkgelegenheidsgraad geschat op 63,3%, tegenover 66,7% in het kwartaal ervoor. In Vlaanderen en Wallonië zien we een lichte daling van respectievelijk 77,0% naar 76,7% in Vlaanderen en 66,7% naar 66,2% in Wallonië.

In de grafieken stellen de lijnen de geschatte waarden voor en de zone daarrond geeft het 95% betrouwbaarheidsinterval (B.I.) rondom de schatting weer.

Evolutie volgens onderwijsniveau

De werkgelegenheidsgraad van laag-, midden- en hooggeschoolden bedraagt respectievelijk 47,2%, 68,1% en 85,6%. In geen enkele van deze drie groepen zien we sterke evoluties. Globaal zien we overal een lichte daling ten opzichte van vorig kwartaal. 

In de grafieken stellen de lijnen de geschatte waarden voor en de zone daarrond geeft het 95% betrouwbaarheidsinterval (B.I.) rondom de schatting weer.

Werkloosheidsgraad bedraagt 5,8%

Toename bij mannen, daling bij vrouwen

De IAB-werkloosheidsgraad neemt in het eerste kwartaal van 2024 lichtjes toe ten opzichte van het vierde kwartaal van 2023 en wordt geschat op 5,8%. Wel zien we tegenovergestelde evoluties bij mannen en vrouwen. Bij mannen zien we een toename van 5,8% naar 6,4%, terwijl we bij vrouwen een lichte afname zien van 5,2% naar 5,0% (grafiek 5). In absolute termen zijn er naar schatting 302.000 IAB-werklozen: 122.000 vrouwen en 180.000 mannen. In vergelijking met vorig jaar blijft de IAB-werkloosheidsgraad nagenoeg stabiel (van 5,7% naar 5,8%) en dit zowel bij mannen als bij vrouwen.

In de grafieken stellen de lijnen de geschatte waarden voor en de zone daarrond geeft het 95% betrouwbaarheidsinterval (B.I.) rondom de schatting weer.

Jeugdwerkloosheidsgraad daalt verder naar 16,0% maar blijft boven het niveau van vorig jaar

De jeugdwerkloosheidsgraad (15-24-jarigen) daalt verder, na een stijging in het derde kwartaal van 2023, door pas afgestudeerden die actief op zoek gaan naar werk. Daarmee bedraagt de IAB-werkloosheidsgraad in die leeftijdsgroep 16,0%, wat een stuk hoger is dan een jaar geleden, toen dit cijfer op 14,4% geschat werd (grafiek 6).

De schattingen voor de overige twee leeftijdsgroepen zijn minder onderhevig aan fluctuaties dan deze voor de jongste leeftijdsgroep. Wel zien we dat de werkloosheidsgraad bij de groep van 25-49-jarigen een stijging kent van 5,1% naar 5,7% en dat bij de 50-plussers 3,3% van de beroepsbevolking IAB-werkloos is.

In de grafieken stellen de lijnen de geschatte waarden voor en de zone daarrond geeft het 95% betrouwbaarheidsinterval (B.I.) rondom de schatting weer.

Stijgende werkloosheidsgraad in Brussel

Naar regio valt de toename van de IAB-werkloosheidsgraad in Brussel het meeste op (grafiek 7). Tussen het vierde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024 stijgt de werkloosheidsgraad van 10,2% naar 11,9%, een vrij grote stijging die weliswaar onvoldoende groot is om statistisch significant te zijn. Ook dient opgemerkt te worden dat de werkloosheidsgraad in het derde en vierde kwartaal op een uitzonderlijk laag niveau lag. In vergelijking met een jaar eerder zien we eveneens een stijging in Brussel, maar deze is veel kleiner (van 11,4% naar 11,9%).

In Wallonië en Vlaanderen zien we veel minder beweging. Ten opzichte van een jaar geleden, toen de IAB-werkloosheidsgraad in Vlaanderen geschat werd op 3,1%, zien we elk kwartaal een lichte stijging, om in het eerste kwartaal van 2024 op 3,7% uit te komen. In Wallonië zien we dan weer een dalende trend in vergelijking met het eerste kwartaal van 2023, namelijk van 8,8% naar 7,7% in het eerste kwartaal van 2024.

In de grafieken stellen de lijnen de geschatte waarden voor en de zone daarrond geeft het 95% betrouwbaarheidsinterval (B.I.) rondom de schatting weer.

Evolutie volgens onderwijsniveau

Net zoals bij de werkgelegenheidsgraad zien we ook bij de IAB-werkloosheidsgraad weinig noemenswaardige verschuivingen naargelang het onderwijsniveau. Bij de laaggeschoolden stijgt die lichtjes van 12,6% naar 13,3%; bij de middengeschoolden van 6,3% naar 6,5%, terwijl het niveau bij de hooggeschoolden nagenoeg stabiel blijft op 3,1% (grafiek 8).

In de grafieken stellen de lijnen de geschatte waarden voor en de zone daarrond geeft het 95% betrouwbaarheidsinterval (B.I.) rondom de schatting weer.

70,3% van de 15-64-jarigen is beroepsactief

Dalende activiteitsgraad bij vrouwen

De activiteitsgraad, ook wel het aandeel beroepsactieven in de totale bevolking van 15 tot en met 64 jaar genoemd, daalt ten opzichte van het vorige kwartaal lichtjes van naar schatting 70,9% naar 70,3% in het huidige kwartaal (grafiek 9). Ook ten opzichte van een jaar geleden betekent dit een lichte daling (van 70,6% naar 70,3%). Wanneer de activiteitsgraad daalt, dan betekent dit dat het aantal niet-beroepsactieve personen binnen de leeftijdsgroep van 15-64 jaar toeneemt. Tussen het vierde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024 gaat het om een toename met 41.000 personen, waarmee het aantal niet-beroepsactieven van 15-64 jaar op 2.216.000 geschat wordt. De toename situeert zich voornamelijk bij vrouwen (+39.000), bij de mannen blijft het cijfer stabiel.

Dit verschil tussen mannen en vrouwen is ook zichtbaar in de relatieve cijfers. Terwijl de activiteitsgraad tussen het vierde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024 stabiel blijft op 74,5% bij mannen, daalt het percentage van 67,1% naar 66,0% bij vrouwen.

In de grafieken stellen de lijnen de geschatte waarden voor en de zone daarrond geeft het 95% betrouwbaarheidsinterval (B.I.) rondom de schatting weer.

Dalende activiteitsgraad bij jongeren

Bekijken we de activiteitsgraad naar leeftijdsgroep, dan zien we bij de jongeren een vrij normale trend. Elk jaar in het derde kwartaal piekt de activiteitsgraad bij die groep 15-24-jarigen, voornamelijk omwille van studentenjobs en afgestudeerden die zich op de arbeidsmarkt begeven. Maar de kwartalen erna zien we telkens een dalende trend, hetgeen ook het geval is in het eerste kwartaal van 2024. De activiteitsgraad van jongeren wordt in het eerste kwartaal van 2024 geschat op 29,9% (grafiek 10).

Bij de 25-49-jarigen zien we een lichte daling, van 86,6% in het vierde kwartaal van 2023 naar 86,0% in het eerste kwartaal van 2024 en bij de 50-64-jarigen blijft de activiteitsgraad stabiel op 68,5%.

In de grafieken stellen de lijnen de geschatte waarden voor en de zone daarrond geeft het 95% betrouwbaarheidsinterval (B.I.) rondom de schatting weer.

Sterke daling activiteitsgraad in Brussel

Vlaanderen kent met 73,7% de hoogste activiteitsgraad van de drie gewesten, een cijfer dat al een hele tijd vrij stabiel blijft (grafiek 11). Na Vlaanderen komt Brussel met een activiteitsgraad van 66,2%, een cijfer dat vrij sterk gedaald is in vergelijking met zowel het kwartaal ervoor (68,1%) als een jaar eerder (68,3%). Het zorgt ervoor dat de kloof met Wallonië nog maar heel klein is, terwijl de kloof met Vlaanderen dan weer groter wordt.

Ook in Wallonië zien we een daling van de activiteitsgraad, doch minder sterk dan in Brussel. Het cijfer wordt in het eerste kwartaal van 2024 geschat op 65,4% (in vergelijking met 66,3% in het vierde kwartaal van 2023).

In de grafieken stellen de lijnen de geschatte waarden voor en de zone daarrond geeft het 95% betrouwbaarheidsinterval (B.I.) rondom de schatting weer.

Grote verschillen in activiteitsgraad naargelang de scholingsgraad

Net zoals de werkgelegenheid en werkloosheidsgraad verschilt ook de activiteitsgraad sterk naargelang het onderwijsniveau. Bij laaggeschoolden bedraagt de activiteitsgraad 40,2%, bij middengeschoolden 70,2% en bij hooggeschoolden 88,3% (grafiek 12). Deze verschillen blijven vrij constant over de verschillende kwartalen heen.

In de grafieken stellen de lijnen de geschatte waarden voor en de zone daarrond geeft het 95% betrouwbaarheidsinterval (B.I.) rondom de schatting weer.

Transities op de arbeidsmarkt

Op basis van de paneldata waarover de enquête naar de arbeidskrachten beschikt, kunnen we ook verschuivingen of transities in het arbeidsmarktstatuut van individuele personen waarnemen. Meer informatie hierover is hier te vinden. In het meest recente bericht wordt dieper ingegaan op de populatie van de niet-actieve beroepsbevolking.

Methodologische noot

De gerapporteerde cijfers vormen schattingen op basis van een steekproefenquête. Ze zijn gebaseerd op een effectieve steekproef van 27.700 personen (respondenten) tussen 15 en 89 jaar in het eerste kwartaal van 2024. Het gaat om ongeveer 14.000 respondenten in Vlaanderen, 10.300 in Wallonië en 3.500 in Brussel.

De Enquête naar de Arbeidskrachten is een continue enquête. Dat wil zeggen dat de steekproef gelijk verdeeld is over de 52 (referentie)weken van het jaar. De geselecteerde respondenten beantwoorden een vragenlijst die hoofdzakelijk betrekking heeft op hun activiteit in de loop van een gegeven referentieweek. De hier gepresenteerde gegevens geven gemiddelden voor het kwartaal weer.

Aangezien de EAK-vragenlijst sinds het eerste kwartaal van 2021 gewijzigd is, net als de IAB-definities over werkgelegenheid en werkloosheid, starten de hier gepresenteerde grafieken vanaf het eerste kwartaal van 2021 (en niet vroeger omdat er een breuk is tussen het vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021).

Ondanks de grote steekproef waarop de cijfers gebaseerd zijn, moet men (zoals bij alle resultaten op basis van een steekproef) rekening houden met een bepaalde onzekerheidsmarge rondom de geschatte cijfers. Om de leesbaarheid te verhogen wordt niet steeds verwezen naar het al dan niet significant zijn van bepaalde evoluties. Toch dient men er rekening mee te houden dat kleine evoluties van kwartaal op kwartaal meestal niet significant zijn. Daarom bevelen we aan om de trends eerder te evalueren over meerdere kwartalen heen, vanuit de redenering dat bepaalde toevallige steekproeffluctuaties op die manier minder zichtbaar zijn.

De 95% betrouwbaarheidsintervallen voor de werkgelegenheids-, werkloosheids- en activiteitsgraad bevinden zich in bijlagen 1, 2 en 3. Een betrouwbaarheidsinterval vormt een maat voor de precisie van een indicator. Hoe kleiner het interval rondom de geschatte waarde, hoe nauwkeurige de uitspraken over die schatting. Doorgaans wordt gewerkt met een betrouwbaarheidsinterval dat overeenstemt met een significantieniveau van 95%. Dit betekent dat, wanneer verschillende steekproeven uit dezelfde populatie worden getrokken, men mag verwachten dat in 95% van de gevallen, het betrouwbaarheidsinterval (met significantieniveau 95%) de werkelijke waarde zal bevatten. De intervallen worden ook weergegeven in de hierboven afgebeelde grafieken.

Definities

De enquête is geharmoniseerd op Europees niveau. De definities over werkgelegenheid en werkloosheid die worden gehanteerd (zie tab “documentatie") zijn die van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), waardoor een vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal vlak wordt gewaarborgd.

De werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen geeft het percentage werkende personen in de totale bevolking van 20 tot en met 64 jaar weer.

De werkloosheidsgraad van 15-64-jarigen geeft het percentage werklozen in de beroepsbevolking (werkende personen + werklozen) van 15 tot en met 64 jaar weer.

De activiteitsgraad van 15-64-jarigen geeft het percentage beroepsactieven (werkende personen + werklozen) in de totale bevolking van 15 tot en met 64 jaar weer.

Laaggeschoolden zijn personen die maximaal een diploma hebben van het lager secundair onderwijs. Middengeschoolden zijn personen die een diploma behaald hebben van het hoger secundair onderwijs, maar geen diploma van het hoger onderwijs. Hooggeschoolden hebben een diploma van het hoger onderwijs.

Bijlage 1: 95% betrouwbaarheidsintervallen voor de werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen (T1 2024)

  Schatting T1 2024 95% betrouwbaarheidsinterval
Ondergrens Bovengrens
België 71,9% 71,2% 72,6%
Mannen 75,9% 75,0% 76,9%
Vrouwen 67,9% 66,9% 68,9%
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 63,3% 61,1% 65,5%
Vlaams Gewest 76,7% 75,8% 77,7%
Waals Gewest 66,2% 64,9% 67,6%
20-54 jaar 75,7% 74,9% 76,5%
55-64 jaar 59,1% 57,4% 60,7%
Laaggeschoold 47,2% 45,3% 49,2%
Middengeschoold 68,1% 66,8% 69,3%
Hooggeschoold 85,6% 84,6% 86,5%

 

Bijlage 2: 95% betrouwbaarheidsintervallen voor de werkloosheidsgraad van 15-64-jarigen (T1 2024)

  Schatting T1 2024 95% betrouwbaarheidsinterval
Ondergrens Bovengrens
België 5,8% 5,3% 6,2%
Mannen 6,4% 5,8% 7,1%
Vrouwen 5,0% 4,4% 5,6%
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 11,9% 10,0% 13,9%
Vlaams Gewest 3,7% 3,2% 4,2%
Waals Gewest 7,7% 6,8% 8,6%
15-24 jaar 16,0% 13,6% 18,5%
25-49 jaar 5,7% 5,1% 6,3%
50-64 jaar 3,3% 2,7% 3,8%
Laaggeschoold 13,3% 11,6% 15,1%
Middengeschoold 6,5% 5,7% 7,2%
Hooggeschoold 3,1% 2,6% 3,7%

 

Bijlage 3: 95% betrouwbaarheidsintervallen voor de activiteitsgraad van 15-64-jarigen (T1 2024)

  Schatting T1 2024 95% betrouwbaarheidsinterval
Ondergrens Bovengrens
België 70,3% 69,6% 70,9%
Mannen 74,5% 73,7% 75,3%
Vrouwen 66,0% 65,1% 67,0%
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 66,2% 64,5% 67,9%
Vlaams Gewest 73,7% 72,9% 74,6%
Waals Gewest 65,4% 64,3% 66,6%
15-24 jaar 29,9% 28,4% 31,5%
25-49 jaar 86,0% 85,1% 86,8%
50-64 jaar 68,5% 67,3% 69,7%
Laaggeschoold 40,2% 38,7% 41,7%
Middengeschoold 70,2% 69,0% 71,4%
Hooggeschoold 88,3% 87,5% 89,2%
Overzicht
Content
Tabel 1

Enquête naar de arbeidskrachten (EAK)

Doel en korte beschrijving

De steekproefenquête naar de arbeidskrachten is een enquête bij particuliere huishoudens, die gedurende het hele jaar wordt gehouden. Ze is gebaseerd op de antwoorden van ongeveer 110.000 personen (respondenten) van 15-89 jaar.

Haar voornaamste doelstelling is de populatie van 15-89 jaar op te delen in drie groepen (nl. werkende personen, werklozen en niet-beroepsactieve personen), en over elk van deze categorieën beschrijvende en verklarende gegevens te verstrekken. Deze enquête wordt ook in de andere EU-lidstaten uitgevoerd en wordt gecoördineerd door de statistische dienst van de Europese Unie, EUROSTAT. In België wordt de EAK georganiseerd door Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium). De bedoeling is informatie te vergaren die op Europees vlak vergelijkbaar is, o.m. inzake werkgelegenheids- en werkloosheidscijfers overeenkomstig de definities van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), en daarnaast gegevens te verzamelen en te verspreiden die elders niet verkregen kunnen worden. Voorbeelden hiervan zijn mobiliteit van de werknemers, motivatie voor deeltijds werken, de verschillende vormen van tijdelijke arbeid, beroep, onderwijsniveau van de bevolking op beroepsactieve leeftijd,…

Populatie

Leden van privé-huishoudens van 15-89 jaar

Basis van de steekproef

Demografische gegevens van het Rijksregister

Dataverzamelingsmethode en eventuele steekproefomvang

De informatie wordt voor de eerste bevraging verzameld via face to face interviews. Sinds 2017 volgen daarna nog drie kortere opvolgbevragingen die via het web of telefonisch gebeuren.

Gezinnen die uitsluitend bestaan uit niet-beroepsactieve personen ouder dan 64 jaar mogen ook telefonisch worden bevraagd.

Jaarlijks nemen in België ongeveer 34.000 unieke huishoudens deel aan deze enquête.

Respons

Gemiddeld bedraagt de respons in de eerste bevraging 68% en in de opvolgbevragingen tussen de 90% en 95%.

Frequentie

Driemaandelijks.

Timing publicatie

Resultaten beschikbaar +/- 3 maanden na de referentieperiode

Formulieren

Definities

De enquête is geharmoniseerd op Europees niveau. De definities over werkgelegenheid en werkloosheid die worden gehanteerd zijn die van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), waardoor een vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal vlak wordt gewaarborgd.

  • Personen met een job (werkende personen) zijn personen die gedurende de referentieweek arbeid verrichtten ‘tegen betaling’ of met als doel ‘winst te maken’ ongeacht de duur (ook al was dit maar één uur), of die een job hadden maar tijdelijk afwezig waren. Men kan bijvoorbeeld tijdelijk afwezig zijn omwille van vakantie, ziekte, technische of economische redenen (tijdelijke werkloosheid),….

Ook de meewerkende familieleden worden tot de werkenden gerekend.

Sinds 2021 worden personen die een ononderbroken periode van langer dan drie maanden tijdelijke werkloos zijn bij de werklozen of niet-beroepsactieven gerekend en niet meer bij de werkenden.

  • Werklozen zijn alle personen die:

(a) tijdens de referentieweek geen werk hadden, d.w.z. niet in loondienst of als zelfstandige werkten;

(b) voor werk beschikbaar waren, d.w.z. voor werk in loondienst of als zelfstandige beschikbaar waren binnen twee weken na de referentieweek;

(c) actief werk zochten, d.w.z. gedurende de laatste vier weken met inbegrip van de referentieweek gerichte stappen hadden ondernomen om werk in loondienst of als zelfstandige te zoeken, of die werk hadden gevonden en binnen ten hoogste drie maanden zouden beginnen te werken.

Opgelet! De IAB‐werkloosheidscijfers staan los van een eventuele inschrijving bij VDAB, Actiris, FOREM of ADG, evenals van het ontvangen van een uitkering van de RVA, en zijn dus niet vergelijkbaar met de administratieve werkloosheidscijfers.

  • De beroepsbevolking is samengesteld uit de werkloze en de werkende bevolking.
  • Niet‐beroepsactieven zijn alle personen die niet beschouwd worden als personen met een betrekking of als werklozen.
  • De werkgelegenheidsgraad geeft het percentage werkende personen in een bepaalde leeftijdsgroep weer. 
  • De werkgelegenheidsgraad in het kader van de Europa 2020‐strategie geeft het percentage werkende personen in de bevolking van 20 tot 64 jaar weer. 
  • De werkloosheidsgraad geeft het percentage werklozen in de beroepsbevolking (werkende personen + werklozen) binnen een bepaalde leeftijdsgroep weer.
  • De activiteitsgraad geeft het percentage beroepsbevolking (werkende personen + werklozen) in de totale bevolking binnen een bepaalde leeftijdsgroep weer.

Bovenstaande indicatoren (werkgelegenheidsgraad, werkloosheidsgraad en activiteitsgraad) zijn de belangrijkste indicatoren om de arbeidsmarktevolutie op internationaal niveau te vergelijken.

Laaggeschoolden zijn die personen die maximaal een diploma hebben van het lager secundair onderwijs. Middengeschoolden zijn personen die een diploma behaald hebben van het hoger secundair onderwijs, maar geen diploma van het hoger onderwijs. Hooggeschoolden hebben een diploma van het hoger onderwijs.

Metadata

Methodologie enquêtes

Wetgeving