Werkgelegenheid en werkloosheid

40% van de thuiswerkers in het tweede kwartaal van 2020 doet dit voor het eerst

Werk & Opleiding
40% van de thuiswerkers in het tweede kwartaal van 2020 doet dit voor het eerst

Resultaten enquête naar arbeidskrachten België

Statbel, het Belgische statistiekbureau, publiceert vandaag de resultaten van de Enquête naar de Arbeidskrachten voor het tweede kwartaal van 2020. Terwijl de Covid-19 pandemie in het eerste kwartaal van 2020 nog niet voor grote wijzigingen in de arbeidsmarktindicatoren zorgde, is dit wel het geval in het tweede kwartaal. De werkgelegenheidsgraad daalt maar tegelijk neemt ook de IAB-werkloosheidsgraad verder af. Deze IAB-werkloosheidsgraad wordt opgesteld volgens de definities van het Internationaal Arbeidsbureau waardoor een vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal niveau wordt gewaarborgd. IAB-werklozen zijn alle personen die geen werk hebben, actief op zoek zijn naar werk én beschikbaar zijn om binnen de twee weken te beginnen werken[1]. In tegenstelling tot de administratieve werkloosheidscijfers die in stijgende lijn gaan, daalt de IAB-werkloosheidsgraad in het tweede kwartaal van 2020 omwille van het feit dat een deel van de werklozen niet meer op zoek gaat naar werk of niet meer beschikbaar is om binnen de twee weken te beginnen werken, bijvoorbeeld omdat ze voor de kinderen moeten zorgen[2]. Zij verschuiven dan van de IAB-werkloosheid naar de inactiviteit maar blijven kenmerken vertonen die heel nauw aansluiten bij de IAB-werkloosheid . Merk op dat tijdelijk werklozen niet in de IAB-werkloosheidscijfers maar wel in de werkgelegenheidscijfers vervat zitten. Ze zijn immers tijdelijk afwezig van het werk, net zoals bijvoorbeeld zieken of werkenden die in vakantie zijn.

De grootste impact van de crisis zien we in de arbeidsduur. In het tweede kwartaal van 2020 bedraagt het gemiddeld aantal effectief gewerkte uren 27,3 uur per week tegenover een gemiddelde van 33 uur een jaar eerder.

We zien ook een belangrijke impact op de mate waarin werkenden aan thuiswerk doen. In het tweede kwartaal van 2020 werkt 35,9% van de werkenden soms, regelmatig of altijd van thuis uit, wat een stijging vormt van 40% in vergelijking met hetzelfde kwartaal van vorig jaar.

Gevraagd naar een vergelijking met de situatie van voor de Covid-19 crisis, geeft een grote groep thuiswerkers aan dat zij pas voor het eerst aan thuiswerk zijn beginnen doen naar aanleiding van de Covid-19 crisis (41,1% van de thuiswerkers). Een nog net iets grotere groep, namelijk 44,2% van de thuiswerkers, geeft aan dat ze nu beduidend meer aan thuiswerk doen dan voor de Covid-19 crisis. Voor slechts een minderheid van 14,7% had de crisis geen impact op de mate waarin men aan thuiswerk doet.

Verdere details leest u hieronder.

69,6% van de 20-64-jarigen aan het werk

Tussen het vierde kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal van 2020 merkten we weinig evolutie in de werkgelegenheidsgraad. België ging op 18 maart in lockdown, dit is dus pas op het einde van het eerste kwartaal en de tijdelijke werkloosheid die vele werknemers trof als gevolg ervan had enkel een sterke invloed op de gewerkte uren maar niet op de werkgelegenheid in aantallen personen. Tijdelijk werklozen zijn immers tijdelijk afwezig van het werk maar blijven tot de werkgelegenheid gerekend. Tussen het eerste en tweede kwartaal van 2020 daalt de werkgelegenheidsgraad van 70,4% naar 69,6%. Ook in vergelijking met het tweede kwartaal van 2019 noteren we een sterke afname van de werkgelegenheidsgraad. Toen was 71% van de 20-64-jarigen aan het werk.

De daling tussen het eerste en tweede kwartaal van 2020 is sterker bij mannen dan bij vrouwen. De werkgelegenheidsgraad neemt vooral sterk af in de jongste leeftijdsgroepen. Bij de 55-64-jarigen groeit het percentage werkenden nog. De werkgelegenheidsgraad daalt het sterkst in Brussel, gevolgd door Vlaanderen en Wallonië. In Brussel, Vlaanderen en Wallonië is in het tweede kwartaal van 2020 respectievelijk 61,1%, 74,3% en 64,0% van de 20-64-jarigen aan het werk.

Percentage tijdelijk werk loontrekkenden valt terug

Tijdelijke jobs worden in het begin van deze crisisperiode vaker getroffen dan vaste jobs. De werkgelegenheidsdaling in het tweede kwartaal van 2020 vertaalt zich in een vrij sterke afname van het percentage tijdelijk werk bij loontrekkenden, van 10,5% in het eerste kwartaal van 2020 naar 9,8% in het tweede kwartaal van 2020. In het tweede kwartaal van 2019 werkte 10,8% van de loontrekkenden met een tijdelijk contract.

G1_EAK_2020_Q2_nl

De IAB-werkloosheidsgraad van 15-64-jarigen bedraagt 4,9%

De daling van de werkgelegenheidsgraad in het tweede kwartaal van 2020 zet zich niet om in een toename van de IAB-werkloosheidsgraad. De werkloosheidsgraad van 15- tot en met 64-jarigen volgens de definities van het Internationaal Arbeidsbureau (zie tab “Documentatie”) bedraagt in het tweede kwartaal van 2020 4,9% ten opzichte van 5,1% in het eerste kwartaal van 2020. In het tweede kwartaal van 2019 was 5,4% van de beroepsbevolking werkloos. Er is wel een sterke toename van de werkloosheidsgraad van 15-24-jarigen maar vooral bij de 25-49-jarigen en in mindere mate de 50-plussers noteren we een afname van de werkloosheidsgraad. Tussen het eerste en tweede kwartaal van 2020 daalt de werkloosheidsgraad sterk in Brussel en Wallonië en noteren we een lichte toename in Vlaanderen. In Brussel, Vlaanderen en Wallonië bedraagt de werkloosheidsgraad in het tweede kwartaal van 2020 respectievelijk 10,5%, 3,2% en 6,6%.

Verschuiving van IAB-werkloosheid naar inactiviteit

Statbel berekent de werkloosheidsgraad volgens de definitie van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB) en die verschilt van de administratieve werkloosheidsconcepten waardoor de IAB-werkloosheid anders kan evolueren dan de administratieve werkloosheidscijfers, hetgeen in het tweede kwartaal van 2020 het geval is. Om als IAB-werkloze beschouwd te worden moet aan drie criteria tegelijk voldaan zijn:

  • je hebt geen job
  • je bent actief op zoek naar werk
  • je bent beschikbaar om te beginnen werken binnen de twee weken.

Dat de werkloosheidsgraad nog daalt in het tweede kwartaal kan te maken hebben met het feit dat een deel van de IAB-werklozen inactief geworden zijn, omdat ze niet meer actief naar werk zochten, of niet meer beschikbaar waren, bijvoorbeeld omdat ze voor hun kinderen moesten zorgen. Personen die geen job hebben, actief op zoek zijn naar werk maar niet beschikbaar zijn om binnen de twee weken te beginnen werken worden immers bij de inactieven gerekend en niet bij de IAB-werklozen. Hetzelfde geldt voor de personen zonder job die wel beschikbaar zijn om binnen de twee weken te beginnen werken maar niet actief op zoek zijn naar werk.

Het aantal personen in deze twee groepen inactieven die kenmerken hebben die nauw aanleunen bij de IAB-werklozen stijgt sterk in het tweede kwartaal van 2020 waardoor we een verschuiving waarnemen van IAB-werkloosheid naar inactiviteit. Vooral het aantal inactieven dat beschikbaar is om te beginnen werken maar niet actief naar werk zoekt, neemt fors toe: van 107.000 in het eerste kwartaal naar 168.000 personen in het tweede kwartaal van 2020. De groep inactieven dat actief naar werk zoekt maar niet beschikbaar is groeit aan met 7.000 eenheden tot 85.000 personen. Voorlopige cijfers voor de maand juli kondigen echter een ommekeer aan: in de maand juli zien we voor het eerst sinds de start van de Covid-19 crisis een sterke toename van de IAB-werkloosheid die gepaard gaat met een daling van het aantal inactieven.

Crisis heeft sterke impact op de gewerkte uren

De Covid-19 crisis heeft een sterke impact op de arbeidsduur. In het tweede kwartaal van 2020 gaf gemiddeld 34,2% van de werkende personen aan minder dan gewoonlijk of helemaal niet gewerkt te hebben tijdens de referentieweek waarover ze bevraagd werden. Op het hoogtepunt van de crisis, in april, ging het om 44% van de werkenden. In het eerste kwartaal van 2020 had 18,9% van de werkenden minder dan gewoonlijk of niet gewerkt. In het tweede kwartaal van 2019 ging het om 16,8%.

Dit vertaalt zich in een sterke daling van het gemiddeld aantal gewerkte uren per week. In het tweede kwartaal van 2020 presteerden werkenden gemiddeld 27,3 uur per week. Dat gemiddelde ligt lager dan het eerste kwartaal van 2020, waar de gemiddelde arbeidsduur 31,2 u per week bedroeg. Het ligt ook een stuk lager dan in het tweede kwartaal van 2019, toen gemiddeld 33u per week gewerkt werd.

Bijna 36% van de werkenden werkt thuis

Sinds de lockdown werd aangeraden om zoveel mogelijk van thuis uit te werken. Een eerste effect hiervan zagen we al in de cijfers van het eerste kwartaal van 2020, dat het gemiddelde niveau weergeeft voor de maanden januari, februari en maart 2020. De sterke stijging die zich vermoedelijk vanaf midden maart voordeed in het thuiswerk duwde het niveau van het kwartaalcijfer voor T1 al wat naar omhoog. In vergelijking met hetzelfde kwartaal van 2019 steeg het percentage werkenden dat soms of gewoonlijk thuiswerkt al met 11,2% (van 25,5% naar 28,3%). In het daaropvolgende kwartaal (T2 2020) evolueerde het cijfer tot 35,9%, wat een stijging betekent van 40,3% ten opzichte van hetzelfde kwartaal in 2019.

Niet alleen het percentage thuiswerkers blijkt sterk gestegen, ook de frequentie waarmee men aan thuiswerk doet gaat in het tweede kwartaal 2020 sterk naar omhoog. De meerderheid van de thuiswerkers doet dat doorgaans voor minder dan de helft van de werkdagen, zoals blijkt uit onderstaande grafiek. In het tweede kwartaal van 2019 bijvoorbeeld werkte 17,4% voor minder dan de helft van de werkdagen thuis; 3,2% voor meer dan 50% van de werkdagen (maar niet altijd) en 4,9% werkte altijd thuis. In het tweede kwartaal van 2020 zien we het percentage dat altijd thuiswerkt echter bijna verdrievoudigen ten opzichte van het tweede kwartaal van 2019: van 4,9% naar 12,8%. Ook de groep die meer dan 50% van de werkdagen thuiswerkt (maar niet altijd) verdrievoudigt: van 3,2% in het tweede kwartaal van 2019 naar 9,7% in het tweede kwartaal van 2020. Tegelijk zien we een daling bij de groep die minder dan 50% van de werkdagen thuiswerkt. Deze evolueerde tussen het tweede kwartaal van 2019 en hetzelfde kwartaal van 2020 van 17,4% naar 13,4%.

G2_EAK_2020_Q2_nl

Om de effecten van de Covid-19 crisis beter te kunnen monitoren werden in de loop van het tweede kwartaal van 2020 een aantal vragen toegevoegd aan de Enquête naar de Arbeidskrachten. Eén daarvan peilde specifiek naar de evolutie in het thuiswerken sinds de uitbraak van de Covid-19 pandemie. Aan alle personen die in de enquête antwoordden dat ze gedurende de referentiemaand thuisgewerkt hadden werd gevraagd aan te geven welk van de onderstaande categorieën het beste hun situatie weergaf:

  • Tijdens deze coronacrisis doe ik voor het eerst aan thuiswerk.
  • Ik werkte vroeger al thuis maar doe dat nu meer omwille van de coronacrisis.
  • De coronacrisis heeft geen invloed op de mate waarin ik aan thuiswerk doe

Daaruit blijkt nu dat van de 35,9% van de thuiswerkers in het tweede kwartaal van 2020, zo'n 40% dit voor het eerst doet omwille van de Covid-19 crisis. Deze stijging stemt dan ook ongeveer overeen met de hierboven aangehaalde evolutie van het percentage thuiswerkers tussen het tweede kwartaal 2019 en hetzelfde kwartaal 2020. Voor de grootste groep van thuiswerkers in het tweede kwartaal van 2020, namelijk 44,2%, was thuiswerk op zich niet nieuw, maar zorgde de Covid-19 crisis er wel voor dat men beduidend meer aan thuiswerk ging doen. Een kleine minderheid, namelijk 14,7% van de populatie thuiswerkers, gaf aan dat de Covid-19 crisis niet voor een verandering gezorgd had in de thuiswerkfrequentie.

G3_EAK_2020_Q2_nl

Terwijl we globaal genomen dus een sterke evolutie zien van het percentage van de werkende bevolking dat soms of gewoonlijk thuiswerkt, zien we grote verschillen naargelang het type beroep en de sector van deze thuiswerkers.

Zo zien we dat het percentage thuiswerk bij de zelfstandigen nagenoeg stabiel blijft. Tussen het tweede kwartaal van 2019 en dat van 2020 zien we quasi geen evolutie. Het cijfer was reeds hoog, met 60,3% thuiswerkers in het tweede kwartaal van 2019 en het blijft ongeveer even hoog in het tweede kwartaal van 2020. Dit betekent dat de volledige stijging van het algemene percentage thuiswerk zich bij de loontrekkenden situeert. We zien inderdaad dat dit cijfer tussen het tweede kwartaal van 2019 en het tweede kwartaal van 2020 gestegen is met maar liefst 63%. Bijna een derde van alle loontrekkenden (31,2%) deed tijdens het 2de kwartaal van 2020 aan thuiswerk, ten opzichte van slechts 19,2% een jaar eerder.

Binnen de groep van loontrekkenden kunnen we verder nog het onderscheid maken tussen zij die als ambtenaar werken in de publieke sector en zij die in de privé sector werken. Ook daar zien we een aantal opmerkelijke verschillen, zowel in het niveau van thuiswerk als in de evolutie. Bij de ambtenaren lag het aandeel thuiswerkers al vrij hoog met iets meer dan een derde van alle ambtenaren in het tweede kwartaal van 2019. Een jaar later is dit cijfer gestegen met 54% tot iets meer dan de helft van alle ambtenaren. Bij de loontrekkenden, waar het cijfer in het tweede kwartaal van 2019 14,9% bedroeg, steeg het percentage met 60% tot 23,9%.

G4_EAK_2020_Q2_nl

Monitoring Covid-19 crisis

Om de gevolgen van de covid-19 crisis te kunnen opvolgen publiceert Statbel een bijkomende reeks indicatoren die elk kwartaal geactualiseerd worden:

Naar aanleiding van dit persbericht werd het bovenvermelde cijfermateriaal rond thuiswerk hieraan toegevoegd, samen met nog een aantal bijkomende tabellen.

Methodologische noot

De gerapporteerde cijfers vormen schattingen op basis van een steekproefenquête. Met uitzondering van de cijfers over thuiswerk zijn ze gebaseerd op een effectieve steekproef van meer dan 30.000 personen (respondenten) op actieve leeftijd (15 jaar en ouder) in het tweede kwartaal van 2020. Het gaat om ongeveer 14.900 respondenten in Vlaanderen, 11.400 in Wallonië en 3.700 in Brussel. De informatie over de thuiswerkfrequentie wordt uitsluitend bevraagd tijdens de eerste wave van de enquête en is daardoor op een kleinere steekproef gebaseerd.

Ondanks de grote steekproef waarop de cijfers gebaseerd zijn, moet men (zoals bij alle resultaten op basis van een steekproef) rekening houden met een bepaalde onzekerheidsmarge rondom de geschatte cijfers.
Om de leesbaarheid te verhogen wordt niet steeds verwezen naar het al dan niet significant zijn van bepaalde evoluties. Toch dient men er rekening mee te houden dat kleine evoluties van kwartaal op kwartaal meestal niet significant zijn. Daarom bevelen we aan de trends eerder te evalueren over meerdere kwartalen heen, vanuit de redenering dat bepaalde toevallige steekproeffluctuaties op die manier minder zichtbaar zijn.

Kernindicatoren over de arbeidsmarkt T2 2020

België Percentage tweede kwartaal 2020 Evolutie tov het eerste kwartaal van 2020 in procentpunt Evolutie tov het tweede kwartaal van 2019 in procentpunt
Werkgelegenheidsgraad 20-64-jarigen Totaal 69,6% -0,8 -1,4
Mannen 73,7% -1,0 +1,4
Vrouwen 65,4% -0,6 +1,5
Werkgelegenheidsgraad 55-64-jarigen Totaal 53,5% +0,7 +1,2
Mannen 58,7% +0,0 +1,1
Vrouwen 48,4% +1,4 +1,3
Werkloosheidsgraad 15-64-jarigen Totaal 4,9% -0,2 -0,5
Mannen 5,2% -0,1 +0,5
Vrouwen 4,7% -0,2 +0,3
Werkloosheidsgraad 15-24-jarigen Totaal 15,3% +2,9 +1,7
Mannen 16,0% +4,1 +0,7
Vrouwen 14,5% +1,6 +2,7
Brussels Hoofdstedelijk Gewest Percentage tweede kwartaal 2020 Evolutie tov het eerste kwartaal van 2020 in procentpunt Evolutie tov het tweede kwartaal van 2019 in procentpunt
Werkgelegenheidsgraad 20-64-jarigen Brussels Hoofdstedelijk Gewest Totaal 61,1% -1,5 -0,6
Mannen 68,1% -0,6 +0,8
Vrouwen 54,2% -2,4 -1,9
Werkloosheidsgraad 15-64-jarigen Brussels Hoofdstedelijk Gewest Totaal 10,5% -0,7 -2,3
Mannen 10,0% -0,5 -3,5
Vrouwen 11,1% -1,0 -0,8
Vlaams Gewest Percentage tweede kwartaal 2020 Evolutie tov het eerste kwartaal van 2020 in procentpunt Evolutie tov het tweede kwartaal van 2019 in procentpunt
Werkgelegenheidsgraad 20-64-jarigen Vlaams Gewest Totaal 74,3% -1,1 -1,7
Mannen 78,1% -1,4 -1,6
Vrouwen 70,4% -0,8 -1,8
Werkloosheidsgraad 15-64-jarigen Vlaams Gewest Totaal 3,2% +0,1 -0,1
Mannen 3,4% +0,4 +0,2
Vrouwen 2,9% -0,3 -0,5
Waals Gewest Percentage tweede kwartaal 2020 Evolutie tov het eerste kwartaal van 2020 in procentpunt Evolutie tov het tweede kwartaal van 2019 in procentpunt
Werkgelegenheidsgraad 20-64-jarigen Waals Gewest Totaal 64,0% -0,2 -1,2
Mannen 67,5% -0,7 -1,8
Vrouwen 60,5% +0,3 -0,6
Werkloosheidsgraad 15-64-jarigen Waals Gewest Totaal 6,6% -0,5 -0,3
Mannen 6,9% -1,3 -0,9
Vrouwen 6,3% +0,4 +0,3


[1] De IAB‐werkloosheidscijfers staan los van een eventuele inschrijving bij VDAB, Actiris, FOREM of ADG, evenals van het ontvangen van een uitkering van de RVA, en zijn dus niet vergelijkbaar met de administratieve werkloosheidscijfers.

[2] Een daling van de IAB-werkloosheidsgraad in het tweede kwartaal van 2020 wordt ook in andere EU-lidstaten genoteerd, bijvoorbeeld in Frankrijk en Italië.

Overzicht
Content
Tabel 1

Enquête naar de arbeidskrachten (EAK)

Doel en korte beschrijving

De steekproefenquête naar de arbeidskrachten is een enquête bij particuliere huishoudens, die over het hele jaar wordt gehouden. Ze is gebaseerd op de antwoorden van bijna 123.000 personen (respondenten) op actieve leeftijd (15 jaar en ouder).

Haar voornaamste doelstelling is de populatie op actieve leeftijd (vanaf 15 jaar) op te delen in drie groepen (nl. werkende personen, werklozen en niet-actieve personen), en over elk van deze categorieën beschrijvende en verklarende gegevens te verstrekken. Deze enquête wordt ook in de andere EU-lidstaten uitgevoerd en wordt gecoördineerd door de statistische dienst van de Europese Unie, EUROSTAT. In België wordt de EAK georganiseerd door Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium). De bedoeling is informatie te vergaren die op Europees vlak vergelijkbaar is, o.m. inzake werkgelegenheids- en werkloosheidscijfers overeenkomstig de definities van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), en daarnaast gegevens te verzamelen en te verspreiden die elders niet verkregen kunnen worden. Voorbeelden hiervan zijn mobiliteit van de werknemers, motivatie voor deeltijds werken, de verschillende vormen van tijdelijke arbeid, beroep, onderwijsniveau van de bevolking op beroepsactieve leeftijd,…

Populatie

Leden van privé-huishoudens van 15 jaar oud of meer

Basis van de steekproef

Demografische gegevens van het Rijksregister

Dataverzamelingsmethode en eventuele steekproefomvang

De informatie wordt voor de eerste bevraging verzameld via face to face interviews. Sinds 2017 volgen daarna nog drie kortere opvolgbevragingen die via het web of telefonisch gebeuren.

Gezinnen die uitsluitend bestaan uit inactieve personen ouder dan 64 jaar mogen ook telefonisch worden bevraagd.

Jaarlijks worden in België ongeveer 47.000 huishoudens aangeschreven om aan deze enquête deel te nemen.

Respons

De respons bedraagt + 75%.

Frequentie

Driemaandelijks.

Timing publicatie

Resultaten beschikbaar +/- 3 maanden na de referentieperiode

Formulieren

Definities

De enquête is geharmoniseerd op Europees niveau. De definities over werkgelegenheid en werkloosheid die worden gehanteerd zijn die van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), waardoor een vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal vlak wordt gewaarborgd.

  • Personen met een betrekking (werkende personen) zijn personen die gedurende de referentieweek minstens één uur werk verrichtten voor loon of salaris of voor winst, of die een baan hadden maar tijdelijk afwezig waren. Men kan bijvoorbeeld tijdelijk afwezig zijn omwille van vakantie, ziekte, technische of economische redenen (tijdelijke werkloosheid),….

    Ook de meewerkende familieleden worden tot de werkenden gerekend.

  • Werklozen zijn alle personen die:

(a) tijdens de referentieweek geen werk hadden, d.w.z. niet in loondienst of als zelfstandige werkten;

(b) voor werk beschikbaar waren, d.w.z. voor werk in loondienst of als zelfstandige beschikbaar waren binnen twee weken na de referentieweek;

(c) actief werk zochten, d.w.z. gedurende de laatste vier weken met inbegrip van de referentieweek gerichte stappen hadden ondernomen om werk in loondienst of als zelfstandige te zoeken, of die werk hadden gevonden en binnen ten hoogste drie maanden zouden beginnen te werken.

Opgelet! De IAB‐werkloosheidscijfers staan los van een eventuele inschrijving bij VDAB, Actiris, FOREM of ADG, evenals van het ontvangen van een uitkering van de RVA, en zijn dus niet vergelijkbaar met de administratieve werkloosheidscijfers.

  • De beroepsbevolking is samengesteld uit de werkloze en de werkende bevolking.
  • Niet‐actieven zijn alle personen die niet beschouwd worden als personen met een betrekking of als werklozen.

 

  • De werkgelegenheidsgraad geeft het percentage werkende personen in een bepaalde leeftijdsgroep weer. 
  • De werkgelegenheidsgraad in het kader van de Europa 2020‐strategie geeft het percentage werkende personen in de bevolking van 20 tot 64 jaar weer. 
  • De werkloosheidsgraad geeft het percentage werklozen in de beroepsbevolking (werkende personen + werklozen) binnen een bepaalde leeftijdsgroep weer.
  • De activiteitsgraad geeft het percentage beroepsbevolking (werkende personen + werklozen) in de totale bevolking binnen een bepaalde leeftijdsgroep weer.

 

Bovenstaande indicatoren (werkgelegenheidsgraad, werkloosheidsgraad en activiteitsgraad) zijn de belangrijkste indicatoren om de arbeidsmarktevolutie op internationaal niveau te vergelijken.

Metadata

Methodologie enquêtes

Wetgeving