Werkgelegenheid en werkloosheid

IAB-werkloosheidsgraad stijgt sterk in het derde kwartaal van 2020

Werk & Opleiding
IAB-werkloosheidsgraad stijgt sterk in het derde kwartaal van 2020

De IAB-werkloosheidsgraad is sterk gestegen in het derde kwartaal van 2020, van 4,9% naar 6,5%. Dat blijkt uit nieuwe resultaten van Statbel, het Belgische statistiekbureau, op basis van de Enquête naar de Arbeidskrachten. IAB-werklozen zijn alle personen die geen werk hebben, maar wel actief op zoek zijn naar werk én beschikbaar zijn om binnen de twee weken te beginnen werken. Wie zijn job recent verloor, kreeg ook de vraag of de coronacrisis meespeelde bij dit jobverlies. In 35,2% van de gevallen, goed voor naar schatting 70.000 werkenden, gaf men aan dat dit het geval was.

De verschillen met het tweede kwartaal van 2020 zijn opvallend. Toen was de impact van de coronacrisis vooral zichtbaar in de sterk verminderde arbeidsduur. Daarnaast noteerde Statbel toen een daling van zowel de werkgelegenheidsgraad als de werkloosheidsgraad.

De IAB-werkloosheidsgraad maakt in het derde kwartaal dus de omgekeerde beweging. Een deel van de personen die (tijdelijk) niet actief naar werk zochten of niet beschikbaar waren in het tweede kwartaal, bijvoorbeeld door de zorg voor kinderen, begonnen opnieuw actief te zoeken en werden weer beschikbaar vanaf de zomermaanden.

Ook de werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen neemt toe, van 69,6% in het tweede kwartaal van 2020 naar 70,2% in het derde kwartaal van 2020.

Bij werkenden daalt het percentage van personen dat niet of minder heeft gewerkt, van 34,2% in het tweede kwartaal naar 26,7% in het derde kwartaal. Dit percentage verschilt nauwelijks met dat van vorig jaar. In het derde kwartaal van 2019 was vakantie nog de belangrijkste reden om niet of minder te werken. Dat blijft ook in het derde kwartaal van 2020 zo, maar minder vaak.

Het aandeel mensen dat regelmatig of altijd van thuis uit werkt, blijft met 34,4% hoog. Er is een kleine daling tegenover het tweede kwartaal van 2020 (35,9%), maar een groot verschil met het derde kwartaal van 2019 (22,7%).

Verdere details leest u hieronder.

70,2% van de 20-64-jarigen aan het werk

Na een daling in het tweede kwartaal van 2020, nemen we in het derde kwartaal opnieuw een toename waar van de werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen, van 69,6% naar 70,2%. De werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen blijft wel 0,5 procentpunt onder het niveau van het derde kwartaal van vorig jaar (grafiek 1). Toen was 70,7% van de 20- tot en met 64-jarigen aan het werk. Tijdelijk werklozen zitten in de werkgelegenheidscijfers vervat. Ze zijn immers slechts tijdelijk afwezig van het werk, net zoals bijvoorbeeld zieken of werkenden die in vakantie zijn.

Grafiek 1
ake

Kwartaalschattingen vanaf T1 2017

De werkgelegenheidsgraad stijgt tussen het tweede en derde kwartaal van 2020 bij zowel mannen als vrouwen maar de toename is het sterkst bij vrouwen. In de leeftijdsgroep van 20-54-jarigen neemt het percentage werkenden toe met 0,9 procentpunt. Bij de 55-plussers daarentegen zien we een stabilisatie van de werkgelegenheidsgraad. De werkgelegenheidsgraad stijgt het sterkst in Wallonië (+1,6 procentpunt), gevolgd door Vlaanderen (+0,5 procentpunt). In Brussel daalt de werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen (-1,1 procentpunt). In Brussel, Vlaanderen en Wallonië is in het derde kwartaal van 2020 respectievelijk 60,0%, 74,8% en 65,6% van de 20-64-jarigen aan het werk.

De IAB-werkloosheidsgraad van 15-64-jarigen stijgt van 4,9% naar 6,5%

Waar de IAB-werkloosheidsgraad in het tweede kwartaal van 2020 nog daalde, zien we in het derde kwartaal een sterke stijging van de werkloosheidsgraad van 15- tot en met 64-jarigen volgens de definities van het Internationaal Arbeidsbureau (zie tab “Documentatie”), van 4,9% naar 6,5%. Ook in vergelijking met het derde kwartaal van vorig jaar noteren we een sterke toename. Toen bedroeg de werkloosheidsgraad 5,4% (grafiek 2). Het feit dat de IAB-werkloosheidsgraad, in tegenstelling tot de administratieve werkloosheid, nog daalde tussen het eerste en tweede kwartaal, had te maken met een verschuiving van IAB-werkloosheid naar inactiviteit. In het derde kwartaal zien we een omgekeerde evolutie, van inactiviteit naar IAB-werkloosheid. Een deel van de personen die (tijdelijk) niet actief naar werk zochten of niet beschikbaar waren in het tweede kwartaal, begonnen opnieuw actief te zoeken en werden weer beschikbaar vanaf de zomermaanden. Personen zonder werk die actief naar werk zoeken en beschikbaar zijn om binnen de twee weken te beginnen werken worden bij de IAB-werklozen gerekend.  

Grafiek 2
ake

Kwartaalschattingen vanaf T1 2017

Tussen het tweede en derde kwartaal van 2020 neemt de werkloosheidsgraad iets meer toe bij vrouwen (+1,7 procentpunt) dan bij mannen (+1,4 procentpunt). In het derde kwartaal is 6,4% van de vrouwelijke beroepsbevolking werkloos ten opzichte van 6,6% van de mannelijke beroepsbevolking. De toename van de werkloosheidsgraad doet zich voor bij alle leeftijdsgroepen maar is relatief gezien het sterkst bij de 25-49-jarigen waar de werkloosheidsgraad evolueert van 4,4% naar 6,2%. De jeugdwerkloosheidsgraad stijgt tussen het tweede en derde kwartaal van 15,3% naar 17,7% en de werkloosheidsgraad van 50-64-jarigen van 3,7% naar 4,1%. Brussel kent de grootste werkloosheidstoename, gevolgd door Vlaanderen en Wallonië. In Brussel, Vlaanderen en Wallonië bedraagt de werkloosheidsgraad in het derde kwartaal van 2020 respectievelijk 15%, 4,4% en 7,7%.

Activiteitsgraad op hetzelfde niveau als vorig jaar

De toename van zowel de werkgelegenheids- als werkloosheidsgraad heeft een sterke stijging van de activiteitsgraad tot gevolg, van 67,6% in het tweede kwartaal naar 69,6% in het derde kwartaal van 2020. De activiteitsgraad of het aandeel van werkenden en werklozen in de totale bevolking van 15 tot en met 64 jaar komt hiermee op hetzelfde niveau te liggen van het derde kwartaal van 2019 (grafiek 3).

Grafiek 3
ake

Kwartaalschattingen vanaf T1 2017

Percentage werkenden dat niet of minder gewerkt heeft dan gewoonlijk verschilt nauwelijks met  vorig jaar

De coronacrisis had een sterke invloed op de gewerkte uren in het tweede kwartaal. Toen gaf gemiddeld 34,2% van de werkende personen aan minder dan gewoonlijk of helemaal niet gewerkt te hebben tijdens de referentieweek waarover ze bevraagd werden. Op het hoogtepunt van de crisis, in april, ging het om 44% van de werkenden. In het derde kwartaal van 2020 had 26,7% van de werkenden minder dan gewoonlijk of niet gewerkt. Dit percentage verschilt weinig van het percentage van het derde kwartaal van vorig jaar (grafiek 4). Toen ging het om 26,1%.

Grafiek 4
ake

Kwartaalschattingen vanaf T1 2017

Ook de gemiddelde effectieve arbeidsduur per week verschilt weinig van vorig jaar. In het derde kwartaal van 2020 presteerden werkenden gemiddeld 28,3 uur per week in hun hoofdjob. In het derde kwartaal vorig jaar ging het om gemiddeld 28,5 uur per week.

Vakantie minder vaak belangrijkste reden om minder of niet te werken dan vorig jaar

De belangrijkste reden om niet of minder dan gewoonlijk te werken in een derde kwartaal is logischerwijs ‘vakantie of verlof’. In het derde kwartaal van 2019 gaf 73% van de werkenden die niet of minder dan gewoonlijk gewerkt hadden vakantie of verlof aan als belangrijkste reden. In het derde kwartaal van 2020 ging het om 63,3% (tabel 1). ‘Ziekte, ongeval of tijdelijke arbeidsongeschiktheid’ werd in het derde kwartaal van 2019 en van 2020 in ongeveer gelijke mate opgegeven als belangrijkste reden om minder of niet te werken. Ongeveer 107.000 personen (8,3%) hebben in het derde kwartaal van 2020 niet of minder gewerkt omwille van tijdelijke werkloosheid en daarnaast nog ongeveer 60.000 personen omwille van andere, corona gerelateerde redenen. Deze cijfers liggen heel wat lager dan in het tweede kwartaal van 2020. Toen gaven meer dan een miljoen personen aan niet of minder gewerkt te hebben omwille van tijdelijke werkloosheid of andere corona gerelateerde redenen als belangrijkste reden. In het derde kwartaal van 2019 ging het om ongeveer 10.000 personen (0,8%) in tijdelijke werkloosheid.

Tabel 1: Belangrijkste reden waarom niet of minder dan gewoonlijk gewerkt werd tijdens de referentieweek – vergelijking derde kwartaal 2019 met derde kwartaal 2020

  T3 2019 T3 2020
Feestdag(en), vakantie, compensatieverlof, verlof zonder wedde 927.565 73,0% 816.159 63,3%
Ziekte, ongeval of tijdelijke arbeidsongeschiktheid 158.277 12,5% 158.453 12,3%
Variabel (keuze van de werknemer) of flexibel (keuze van de werkgever) uurrooster 41.205 3,2% 33.110 2,6%
Technische of economische redenen (tijdelijke werkloosheid) 10.209 0,8% 106.645 8,3%
Zwangerschapsverlof of vaderschapsverlof, ouderschapsverlof, loopbaanonderbreking - tijdskrediet 53.552 4,2% 55.910 4,3%
Persoonlijke of familiale redenen 12.265 1,0% 8.520 0,7%
Andere redenen 67.778 5,3% 50.298 3,9%
Andere redenen - corona* - - 59.418 4,6%
Totaal 1.270.850 100,0% 1.288.513 100,0%
*Deze personen hebben 'andere reden' geantwoord en in de omschrijving opgegeven dat het omwille van corona was

Personen die minder werkten deden dat in 43,1% van de gevallen omwille van de situatie veroorzaakt door het coronavirus  

Los van de belangrijkste reden waarom niet of minder dan gewoonlijk gewerkt werd tijdens de referentieweek bevraagt Statbel sinds juni 2020 ook het feit of het niet, minder of meer werken geheel of gedeeltelijk te maken heeft met de situatie veroorzaakt door het coronavirus.

Van alle personen die niet gewerkt hebben tijdens de referentieweek, geeft 15,8% aan dat dit te maken had met de coronacrisis. Voor wie minder uren gewerkt heeft dan gewoonlijk bedraagt dat cijfer zelfs 43,1%.

Van degene die meer gewerkt hebben dan gewoonlijk, een kleine 130.000 personen, antwoordt 48,3% dat dit meer werken geheel of gedeeltelijk te maken heeft met de situatie veroorzaakt door het coronavirus.

34,4% van de werkenden werkt thuis

Sinds de lockdown van maart-april werd aangeraden om zoveel mogelijk van thuis uit te werken. Een eerste effect hiervan zagen we al in de cijfers van het eerste kwartaal van 2020, dat het gemiddelde niveau weergeeft voor de maanden januari, februari en maart 2020. De sterke stijging die zich vermoedelijk vanaf midden maart voordeed in het thuiswerk duwde het niveau van het kwartaalcijfer voor T1 al wat naar omhoog. Toen werkte gemiddeld 28,3% van de werkenden soms of gewoonlijk van thuis uit. In het tweede kwartaal van 2020 bedroeg het cijfer 35,9%. In het derde kwartaal noteren we een lichte daling, naar 34,4%. Het percentage werkenden dat altijd thuiswerkt daalt van 12,8% naar 9,9% maar het percentage werkenden dat gewoonlijk maar niet altijd thuiswerkt stijgt van 9,7% naar 11,1%. Het percentage werkenden dat soms van thuis uit werkt stabiliseert op 13,4%.

Grafiek 5
ake

Kwartaalschattingen vanaf T1 2017

Gevraagd naar een vergelijking met de situatie van voor de Covid-19-crisis, geeft een kleine 34% van de thuiswerkers aan dat zij pas voor het eerst aan thuiswerk zijn beginnen doen naar aanleiding van de Covid-19-crisis. Een nog grotere groep, namelijk 44,3% van de thuiswerkers, geeft aan dat ze nu meer aan thuiswerk doen dan voor de Covid-19-crisis. Voor bijna 22% van de thuiswerkers heeft de crisis geen impact op de mate waarin men aan thuiswerk doet.

Jobs beëindigd omwille van de Covid-19-crisis

Sinds juni vraagt Statbel aan personen die geen job meer hebben tijdens de referentieweek waarover ze bevraagd worden maar die wel een job gehad hebben in de periode sinds maart 2020 of hun laatste job beëindigd werd omwille van de coronacrisis. In 35,2% van de gevallen bleek dat geheel of gedeeltelijk het geval. Op een totaal van ongeveer 200.000 personen die hun job verloren gaat het om ongeveer 70.000 personen die hiervoor minstens gedeeltelijk de verklaring leggen bij de coronacrisis.

Monitoring Covid-19-crisis

Om de gevolgen van de Covid-19-crisis te kunnen opvolgen publiceert Statbel een bijkomende reeks indicatoren die elk kwartaal geactualiseerd worden:

Link naar de excel ‘Kwartaalindicatoren: detail’.

Naar aanleiding van dit persbericht werd het bovenvermelde cijfermateriaal rond de impact van de Covid-19-crisis op de werksituatie hieraan toegevoegd.

Methodologische noot

De gerapporteerde cijfers vormen schattingen op basis van een steekproefenquête. Ze zijn gebaseerd op een effectieve steekproef van een kleine  30.000 personen (respondenten) op actieve leeftijd (15 jaar en ouder) in het derde kwartaal van 2020. Het gaat om ongeveer 14.800 respondenten in Vlaanderen, 11.100 in Wallonië en 3.900 in Brussel.

Ondanks de grote steekproef waarop de cijfers gebaseerd zijn, moet men (zoals bij alle resultaten op basis van een steekproef) rekening houden met een bepaalde onzekerheidsmarge rondom de geschatte cijfers. Om de leesbaarheid te verhogen wordt niet steeds verwezen naar het al dan niet significant zijn van bepaalde evoluties. Toch dient men er rekening mee te houden dat kleine evoluties van kwartaal op kwartaal meestal niet significant zijn. Daarom bevelen we aan de trends eerder te evalueren over meerdere kwartalen heen, vanuit de redenering dat bepaalde toevallige steekproeffluctuaties op die manier minder zichtbaar zijn.

Kernindicatoren over de arbeidsmarkt T3 2020

België Percentage derde kwartaal 2020 Evolutie tov het tweede kwartaal van 2020 in procentpunt Evolutie tov het derde kwartaal van 2019 in procentpunt
Werkgelegenheidsgraad 20-64-jarigen Totaal 70,2% +0,6 -0,5
Mannen 74,2% +0,5 -0,6
Vrouwen 66,2% +0,8 -0,4
Werkgelegenheidsgraad 55-64-jarigen Totaal 53,4% -0,1 +0,5
Mannen 59,1% +0,4 +1,0
Vrouwen 47,7% -0,7 +0,1
Werkloosheidsgraad 15-64-jarigen Totaal 6,5% +1,6 +1,1
Mannen 6,6% +1,4 +1,1
Vrouwen 6,4% +1,7 +1,2
Werkloosheidsgraad 15-24-jarigen Totaal 17,7% +2,4 +4,5
Mannen 17,2% +1,2 +3,4
Vrouwen 18,2% +3,7 +5,7
Brussels Hoofdstedelijk Gewest Percentage derde kwartaal 2020 Evolutie tov het tweede kwartaal van 2020 in procentpunt Evolutie tov het derde kwartaal van 2019 in procentpunt
Werkgelegenheidsgraad 20-64-jarigen Brussels Hoofdstedelijk Gewest Totaal 60,0% -1,1 -1,8
Mannen 65,4% -2,7 -1,1
Vrouwen 54,6% +0,4 -2,6
Werkloosheidsgraad 15-64-jarigen Brussels Hoofdstedelijk Gewest Totaal 15,0% +4,5 +2,4
Mannen 16,0% +6,0 +3,0
Vrouwen 13,9% +2,8 +1,7
Vlaams Gewest Percentage derde kwartaal 2020 Evolutie tov het tweede kwartaal van 2020 in procentpunt Evolutie tov het derde kwartaal van 2019 in procentpunt
Werkgelegenheidsgraad 20-64-jarigen Vlaams Gewest Totaal 74,8% +0,5 -1,2
Mannen 78,3% +0,2 -1,9
Vrouwen 71,2% +0,8 -0,6
Werkloosheidsgraad 15-64-jarigen Vlaams Gewest Totaal 4,4% +1,2 +1,0
Mannen 4,1% +0,7 +0,9
Vrouwen 4,8% +1,9 +1,2
Waals Gewest Percentage derde kwartaal 2020 Evolutie tov het tweede kwartaal van 2020 in procentpunt Evolutie tov het derde kwartaal van 2019 in procentpunt
Werkgelegenheidsgraad 20-64-jarigen Waals Gewest Totaal 65,6% +1,6 +1,4
Mannen 69,9% +2,4 +2,0
Vrouwen 61,3% +0,8 +0,8
Werkloosheidsgraad 15-64-jarigen Waals Gewest Totaal 7,7% +1,1 +0,7
Mannen 8,3% +1,4 +0,7
Vrouwen 7,0% +0,7 +0,8
Overzicht
Content
Tabel 1

Enquête naar de arbeidskrachten (EAK)

Doel en korte beschrijving

De steekproefenquête naar de arbeidskrachten is een enquête bij particuliere huishoudens, die over het hele jaar wordt gehouden. Ze is gebaseerd op de antwoorden van bijna 123.000 personen (respondenten) op actieve leeftijd (15 jaar en ouder).

Haar voornaamste doelstelling is de populatie op actieve leeftijd (vanaf 15 jaar) op te delen in drie groepen (nl. werkende personen, werklozen en niet-actieve personen), en over elk van deze categorieën beschrijvende en verklarende gegevens te verstrekken. Deze enquête wordt ook in de andere EU-lidstaten uitgevoerd en wordt gecoördineerd door de statistische dienst van de Europese Unie, EUROSTAT. In België wordt de EAK georganiseerd door Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium). De bedoeling is informatie te vergaren die op Europees vlak vergelijkbaar is, o.m. inzake werkgelegenheids- en werkloosheidscijfers overeenkomstig de definities van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), en daarnaast gegevens te verzamelen en te verspreiden die elders niet verkregen kunnen worden. Voorbeelden hiervan zijn mobiliteit van de werknemers, motivatie voor deeltijds werken, de verschillende vormen van tijdelijke arbeid, beroep, onderwijsniveau van de bevolking op beroepsactieve leeftijd,…

Populatie

Leden van privé-huishoudens van 15 jaar oud of meer

Basis van de steekproef

Demografische gegevens van het Rijksregister

Dataverzamelingsmethode en eventuele steekproefomvang

De informatie wordt voor de eerste bevraging verzameld via face to face interviews. Sinds 2017 volgen daarna nog drie kortere opvolgbevragingen die via het web of telefonisch gebeuren.

Gezinnen die uitsluitend bestaan uit inactieve personen ouder dan 64 jaar mogen ook telefonisch worden bevraagd.

Jaarlijks worden in België ongeveer 47.000 huishoudens aangeschreven om aan deze enquête deel te nemen.

Respons

De respons bedraagt + 75%.

Frequentie

Driemaandelijks.

Timing publicatie

Resultaten beschikbaar +/- 3 maanden na de referentieperiode

Formulieren

Definities

De enquête is geharmoniseerd op Europees niveau. De definities over werkgelegenheid en werkloosheid die worden gehanteerd zijn die van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), waardoor een vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal vlak wordt gewaarborgd.

  • Personen met een betrekking (werkende personen) zijn personen die gedurende de referentieweek minstens één uur werk verrichtten voor loon of salaris of voor winst, of die een baan hadden maar tijdelijk afwezig waren. Men kan bijvoorbeeld tijdelijk afwezig zijn omwille van vakantie, ziekte, technische of economische redenen (tijdelijke werkloosheid),….

    Ook de meewerkende familieleden worden tot de werkenden gerekend.

  • Werklozen zijn alle personen die:

(a) tijdens de referentieweek geen werk hadden, d.w.z. niet in loondienst of als zelfstandige werkten;

(b) voor werk beschikbaar waren, d.w.z. voor werk in loondienst of als zelfstandige beschikbaar waren binnen twee weken na de referentieweek;

(c) actief werk zochten, d.w.z. gedurende de laatste vier weken met inbegrip van de referentieweek gerichte stappen hadden ondernomen om werk in loondienst of als zelfstandige te zoeken, of die werk hadden gevonden en binnen ten hoogste drie maanden zouden beginnen te werken.

Opgelet! De IAB‐werkloosheidscijfers staan los van een eventuele inschrijving bij VDAB, Actiris, FOREM of ADG, evenals van het ontvangen van een uitkering van de RVA, en zijn dus niet vergelijkbaar met de administratieve werkloosheidscijfers.

  • De beroepsbevolking is samengesteld uit de werkloze en de werkende bevolking.
  • Niet‐actieven zijn alle personen die niet beschouwd worden als personen met een betrekking of als werklozen.

 

  • De werkgelegenheidsgraad geeft het percentage werkende personen in een bepaalde leeftijdsgroep weer. 
  • De werkgelegenheidsgraad in het kader van de Europa 2020‐strategie geeft het percentage werkende personen in de bevolking van 20 tot 64 jaar weer. 
  • De werkloosheidsgraad geeft het percentage werklozen in de beroepsbevolking (werkende personen + werklozen) binnen een bepaalde leeftijdsgroep weer.
  • De activiteitsgraad geeft het percentage beroepsbevolking (werkende personen + werklozen) in de totale bevolking binnen een bepaalde leeftijdsgroep weer.

 

Bovenstaande indicatoren (werkgelegenheidsgraad, werkloosheidsgraad en activiteitsgraad) zijn de belangrijkste indicatoren om de arbeidsmarktevolutie op internationaal niveau te vergelijken.

Metadata

Methodologie enquêtes

Wetgeving