Werkgelegenheid en werkloosheid

Arbeidsmarkt in eerste kwartaal van 2021: voorzichtige groei in een aantal sectoren

Werk & Opleiding
Arbeidsmarkt in eerste kwartaal van 2021: voorzichtige groei in een aantal sectoren

In het eerste kwartaal van 2021 is 69% van de 20-64-jarigen aan het werk. Dat blijkt uit nieuwe resultaten van Statbel op basis van de Enquête naar de Arbeidskrachten. De IAB-werkloosheidsgraad loopt op tot 6,7%. Het aantal werkenden is tussen het eerste kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021 het sterkst gedaald in de horeca (-40,4%).

Andere sectoren waar het aantal werkenden sterk daalt zijn de ‘Overige diensten’ (-19,9%) en de ‘Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s en motorfietsen’ (-8,7%). Sectoren die hun werknemersaantallen zien groeien zijn onder andere de ‘Extraterritoriale organisaties en lichamen’ (+18,4%), de sector ‘Informatie en communicatie’ (+9,7%) en de ‘Financiële activiteiten en verzekeringen’ (+7%).

In 2021 trad een nieuw Europees kaderreglement in voege (EU Verordening 2019/1700). De vragenlijst werd grondig herzien, onder meer om ze in overeenstemming te brengen met de aangepaste operationele definities van werkgelegenheid en werkloosheid van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB). De werkgelegenheidsgraad van 2021 kan daarom niet zomaar vergeleken worden met de cijfers van vóór 2021. Eén van de belangrijkste wijzigingen: vanaf dit jaar wordt wie langer dan drie maanden tijdelijk werkloos is, bij de werklozen of inactieven gerekend, en niet meer bij de werkenden, afhankelijk van de antwoorden op de vragen naar het zoeken naar werk en het beschikbaar zijn.

Naast deze aanpassing aan de nieuwe definities van werkgelegenheid en werkloosheid werd er via het nieuwe kaderreglement ook naar gestreefd om meer uniformiteit te brengen in de manier waarop bepaalde concepten gemeten worden, wat voor meer vergelijkbare resultaten moet zorgen op Europees niveau. Om een aantal wijzigingen bevattelijk te maken, publiceren we voor de belangrijkste indicatoren zowel het officiële cijfer als een alternatief, meer vergelijkbaar cijfer.

Verdere details leest u hieronder.

69% van de 20-64-jarigen aan het werk

In het eerste kwartaal van 2021 is 69% van de 20-64-jarigen aan het werk. In het vierde kwartaal van 2020 bedroeg de Belgische werkgelegenheidsgraad 69,9%. De wijziging in de definities over werkloosheid en werkgelegenheid en de aanpassing van de vragenlijst (zie boven) maakt vergelijken moeilijk. Zo wordt wie langer dan drie maanden tijdelijk werkloos is, vanaf nu niet meer bij de werkenden ingedeeld. Al naargelang het zoeken naar werk en het beschikbaar zijn om te werken worden deze langdurig tijdelijk werklozen vanaf nu bij de werklozen of de inactieven geteld. Tijdelijke werkloosheid is door de Covid-19-crisis ook in het eerste kwartaal van 2021 alomtegenwoordig: in het eerste kwartaal ging het om zo’n 80.000 Belgen die al drie maanden of langer ononderbroken tijdelijk werkloos waren. Daarvan komen nu een kleine 10.000 bij de IAB-werklozen terecht, en ruim 70.000 bij de inactieven.

Om een duidelijker beeld te krijgen op de werkelijke evoluties, los van de breuk in de reeks omwille van de gewijzigde definitie, berekenen we naast de officiële werkgelegenheidsgraad ook een alternatieve werkgelegenheidsgraad. Daarbij rekenen we alle personen met het statuut van tijdelijke werkloosheid bij de werkenden, zoals dat voor 2021 gebeurde. In die alternatieve voorstelling stabiliseert het aantal werkenden tussen het vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021. In grafiek 1 wordt de evolutie van de werkgelegenheidsgraad sinds het eerste kwartaal van 2017 weergegeven met voor het eerste kwartaal van 2021 enerzijds de officiële werkgelegenheidsgraad volgens de gewijzigde definities en anderzijds de alternatieve werkgelegenheidsgraad waarbij de langdurig tijdelijk werklozen, zoals vroeger, bij de werkenden opgenomen worden, al kunnen andere wijzigingen aan de vragenlijst ook een (beperkte) impact gehad hebben.
Als we de officiële en alternatieve werkgelegenheidsgraad met elkaar vergelijken, dan ligt de officiële 1,1 procentpunt lager dan de alternatieve. De officiële werkgelegenheidsgraad daalt in de drie gewesten, terwijl de alternatieve, meer vergelijkbare werkgelegenheidsgraad stijgt, uitgezonderd in Wallonië.

De IAB-werkloosheidsgraad van 15-64-jarigen bedraagt 6,7%

In het eerste kwartaal van 2021 bedraagt de IAB-werkloosheidsgraad 6,7%. Dat is 0,9 procentpunt meer dan in het vierde kwartaal van 2020 (5,8%). Op eenzelfde manier als bij de werkgelegenheidsgraad kan naast de officiële werkloosheidsgraad een alternatieve, meer met het verleden vergelijkbare werkloosheidsgraad berekend worden. Die alternatieve werkloosheidsgraad bedraagt 6,5% en ligt dus 0,2 procentpunt lager dan de officiële werkloosheidsgraad. Toch ligt ze ook hoger dan de werkloosheidsgraad in het vierde kwartaal van 2020 (5,8%) en in het eerste kwartaal van 2020 (5,1%). Enkel in Brussel ligt de alternatieve werkloosheidsgraad (12,3%) onder de werkloosheidsgraad in het vierde kwartaal van 2020 (12,9%).

Sterkste daling aantal werkenden in de horeca

Als we het eerste kwartaal van 2020 vergelijken met het eerste kwartaal van 2021, dan waren 111.000 mensen minder aan het werk. 80.000 van hen zijn tijdelijk werkloos, en worden nu dus bij de werklozen of inactieven gerekend. In 2020 vielen ze nog onder de definitie van de werkenden.

Het aantal werkenden daalt het sterkst in de ‘Horeca’ (-40,4%). Uit de analyse van de paneldata waarover de Enquête naar de Arbeidskrachten beschikt, blijkt dat van diegenen die in het eerste kwartaal in de horeca aan het werk waren, slechts de helft een jaar later nog aan het werk is (Transities op de arbeidsmarkt). Andere sectoren waar het aantal werkenden sterk daalt zijn de ‘Overige diensten’ (-19,9%) en de ‘Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s en motorfietsen’ (-8,7%). Sectoren die hun werknemersaantallen zien groeien zijn onder andere de ‘Extraterritoriale organisaties en lichamen’ (+18,4%) , de sector ‘Informatie en communicatie’ (+9,7%) en de ‘Financiële activiteiten en verzekeringen’ (+7%).

Tabel 1: Evolutie van het aantal werkenden tussen T1 2020 en T1 2021 naar economische activiteit (volgens NACE_BEL_2008)

  Aantal werkenden in T1 2021 Evolutie T1 2020 - T1 2021 (b)
Aantallen %
Totaal 4.715.883 -111.159 -2,3%
I Verschaffen van accommodatie en maaltijden (horeca) 96.561 -65.589 -40,4%
S Overige diensten 80.016 -19.829 -19,9%
G Groot- en detailhandel; reparatie van auto's en motorfietsen 560.383 -53.464 -8,7%
N Administratieve en ondersteunende diensten 262.892 -24.648 -8,6%
E Distributie van water; afval- en afval-waterbeheer en sanering 37.074 -3.201 -7,9%
R Kunst, amusement en recreatie 75.569 -3.756 -4,7%
C Industrie 586.770 -15.679 -2,6%
P Onderwijs 458.954 -12.037 -2,6%
O Openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen 401.867 -491 -0,1%
H Vervoer en opslag 267.704 +1.076 +0,4%
Q Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening 743.159 +11.788 +1,6%
L Exploitatie van en handel in onroerend goed 38.168 +1.501 +4,1%
F Bouwnijverheid 330.109 +14.210 +4,5%
A Landbouw, bosbouw en visserij 40.030 +2.067 +5,4%
M Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten 288.371 +15.167 +5,6%
K Financiële activiteiten en verzekeringen 156.283 +10.225 +7,0%
J Informatie en communicatie 198.223 +17.531 +9,7%
U Extraterritoriale organisaties en lichamen 59.507 +9.237 +18,4%
Kleine sectoren zijn weggelaten
(b) Breuk in de resultaten in T1 2021 omwille van de herziening van de vragenlijst en de wijziging van de definities met betrekking tot werkgelegenheid en werkloosheid

Zo’n 15% van de werkenden die niet altijd van thuis uit werken, zou (meer) thuis kunnen werken

In het eerste kwartaal van 2021 was thuiswerk nog steeds verplicht voor alle werkenden wiens functie er zich toe leent. 44,3% van de werkenden werkt in dat eerste kwartaal soms, gewoonlijk of altijd van thuis uit. Het percentage ligt nog iets hoger dan in 2020 maar mogelijks speelt de gewijzigde vragenlijst hier ook een rol.

Aan respondenten wordt sinds 2021 voor het eerst gevraagd of hun functie of situatie het zou toelaten om vaker van thuis uit te werken, om op die manier het thuiswerkpotentieel in te schatten. Van de werkenden die niet altijd van thuis uit werkten, antwoordt 85,1% in het eerste kwartaal van 2021 dat het niet mogelijk is om in zijn/haar functie (meer) van thuis uit te werken. Volgens 5,7% is het wel mogelijk om (meer) thuis te werken maar staat de werkgever, klant of opdrachtgever dat niet toe. Daarnaast geeft 9,2% van de respondenten aan (meer) van thuis uit te kunnen werken, maar zij geven er de voorkeur aan dat niet te doen ofwel is dat moeilijk omwille van de thuissituatie.

Meeste thuiswerkpotentieel in ‘Informatie en communicatie’, ‘Financiële activiteiten en verzekeringen’ en ‘Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten’

Vooral in sectoren waar al veel van thuis uit gewerkt wordt, is er nog bijkomend thuiswerkpotentieel. Zo geeft 41,9% van de personen tewerkgesteld in de sector ‘Informatie en communicatie’, 38,1% van de werkenden in de ‘Financiële activiteiten en verzekeringen’ en 35,2% van de tewerkgestelden in ‘Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten’ aan (nog meer) van thuis uit te kunnen werken. De reden om niet (meer) thuis te werken is vaker werknemers- (eigen voorkeur of thuissituatie die het niet toelaat) dan werkgeversgebonden (werkgever, klant of opdrachtgever staat het niet toe). In de sector ‘Informatie en communicatie’ bijvoorbeeld geeft 15% van de respondenten die niet altijd van thuis uit werken aan (meer) van thuis uit te kunnen werken maar ze doen dit niet omdat de werkgever, klant of opdrachtgever dit niet toestaat. Nog eens 26,9% van de werkenden in die sector geeft aan (meer) thuis te kunnen werken maar geeft er de voorkeur aan dit niet te doen of zegt dat de thuissituatie dit niet toelaat.
Jobs in de sectoren ‘Vervoer en opslag’, ‘Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening’ en ‘Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s en motorfietsen’ lenen zich het minst tot (extra) thuiswerk.

 

Tabel 2: Thuiswerkpotentieel volgens economische activiteit (volgens NACE_BEL_2008) – T1 2021

Zou u uw functie (nog meer) van thuis uit kunnen uitoefenen? Ja, maar mijn werkgever, klant of opdrachtgever staat dit niet toe Ja, maar ik geef er de voorkeur aan om niet thuis te werken of mijn thuissituatie laat dit niet toe Neen, dit is in mijn functie niet mogelijk
C Industrie 6,2% 7,1% 86,7%
F Bouwnijverheid 3,6% 7,5% 89,0%
G Groot- en detailhandel; reparatie van auto's en motorfietsen 2,4% 5,6% 92,0%
H Vervoer en opslag 2,4% 3,7% 93,9%
J Informatie en communicatie 15,0% 26,9% 58,1%
K Financiële activiteiten en verzekeringen 11,6% 26,6% 61,9%
M Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten 12,6% 22,6% 64,8%
N Administratieve en ondersteunende diensten 4,3% 6,6% 89,1%
O Openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen 11,9% 15,4% 72,6%
P Onderwijs 6,1% 11,2% 82,7%
Q Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening 3,4% 3,7% 92,9%
S Overige diensten 10,7% 15,8% 73,4%
Totaal 5,7% 9,2% 85,1%
De vraag wordt gesteld aan werkende personen die niet altijd thuis werken.
Enkel grote sectoren werden weerhouden.

Gevraagd naar een vergelijking met de situatie van voor de Covid-19-crisis, geeft 42,8% van de thuiswerkers aan dat zij voor het eerst aan thuiswerk zijn beginnen doen naar aanleiding van de Covid-19-crisis. 38,2% van de thuiswerkers geeft aan dat ze nu meer aan thuiswerk doen dan voor de Covid-19-crisis. Voor 19% van de thuiswerkers heeft de crisis geen impact op de mate waarin men aan thuiswerk doet.

Methodologische noot

De gerapporteerde cijfers vormen schattingen op basis van een steekproefenquête. Ze zijn gebaseerd op een effectieve steekproef van een kleine 30.000 personen (respondenten) tussen 15 en 89 jaar in het eerste kwartaal van 2021. Het gaat om ongeveer 14.500 respondenten in Vlaanderen, 11.000 in Wallonië en 4.000 in Brussel.

Ondanks de grote steekproef waarop de cijfers gebaseerd zijn, moet men (zoals bij alle resultaten op basis van een steekproef) rekening houden met een bepaalde onzekerheidsmarge rondom de geschatte cijfers. Om de leesbaarheid te verhogen wordt niet steeds verwezen naar het al dan niet significant zijn van bepaalde evoluties. Toch dient men er rekening mee te houden dat kleine evoluties van kwartaal op kwartaal meestal niet significant zijn. Daarom bevelen we aan de trends eerder te evalueren over meerdere kwartalen heen, vanuit de redenering dat bepaalde toevallige steekproeffluctuaties op die manier minder zichtbaar zijn.

Overzicht
Content
Tabel 1

Enquête naar de arbeidskrachten (EAK)

Doel en korte beschrijving

De steekproefenquête naar de arbeidskrachten is een enquête bij particuliere huishoudens, die over het hele jaar wordt gehouden. Ze is gebaseerd op de antwoorden van bijna 123.000 personen (respondenten) op actieve leeftijd (15 jaar en ouder).

Haar voornaamste doelstelling is de populatie op actieve leeftijd (vanaf 15 jaar) op te delen in drie groepen (nl. werkende personen, werklozen en niet-actieve personen), en over elk van deze categorieën beschrijvende en verklarende gegevens te verstrekken. Deze enquête wordt ook in de andere EU-lidstaten uitgevoerd en wordt gecoördineerd door de statistische dienst van de Europese Unie, EUROSTAT. In België wordt de EAK georganiseerd door Statbel (Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium). De bedoeling is informatie te vergaren die op Europees vlak vergelijkbaar is, o.m. inzake werkgelegenheids- en werkloosheidscijfers overeenkomstig de definities van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), en daarnaast gegevens te verzamelen en te verspreiden die elders niet verkregen kunnen worden. Voorbeelden hiervan zijn mobiliteit van de werknemers, motivatie voor deeltijds werken, de verschillende vormen van tijdelijke arbeid, beroep, onderwijsniveau van de bevolking op beroepsactieve leeftijd,…

Populatie

Leden van privé-huishoudens van 15 jaar oud of meer

Basis van de steekproef

Demografische gegevens van het Rijksregister

Dataverzamelingsmethode en eventuele steekproefomvang

De informatie wordt voor de eerste bevraging verzameld via face to face interviews. Sinds 2017 volgen daarna nog drie kortere opvolgbevragingen die via het web of telefonisch gebeuren.

Gezinnen die uitsluitend bestaan uit inactieve personen ouder dan 64 jaar mogen ook telefonisch worden bevraagd.

Jaarlijks worden in België ongeveer 47.000 huishoudens aangeschreven om aan deze enquête deel te nemen.

Respons

De respons bedraagt + 75%.

Frequentie

Driemaandelijks.

Timing publicatie

Resultaten beschikbaar +/- 3 maanden na de referentieperiode

Formulieren

Definities

De enquête is geharmoniseerd op Europees niveau. De definities over werkgelegenheid en werkloosheid die worden gehanteerd zijn die van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), waardoor een vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal vlak wordt gewaarborgd.

  • Personen met een job (werkende personen) zijn personen die gedurende de referentieweek arbeid verrichtten ‘tegen betaling’ of met als doel ‘winst te maken’ ongeacht de duur (ook al was dit maar één uur), of die een job hadden maar tijdelijk afwezig waren. Men kan bijvoorbeeld tijdelijk afwezig zijn omwille van vakantie, ziekte, technische of economische redenen (tijdelijke werkloosheid),….

Ook de meewerkende familieleden worden tot de werkenden gerekend.

Sinds 2021 worden personen die een ononderbroken periode van langer dan drie maanden tijdelijke werkloos zijn bij de werklozen of inactieven gerekend en niet meer bij de werkenden.

  • Werklozen zijn alle personen die:

(a) tijdens de referentieweek geen werk hadden, d.w.z. niet in loondienst of als zelfstandige werkten;

(b) voor werk beschikbaar waren, d.w.z. voor werk in loondienst of als zelfstandige beschikbaar waren binnen twee weken na de referentieweek;

(c) actief werk zochten, d.w.z. gedurende de laatste vier weken met inbegrip van de referentieweek gerichte stappen hadden ondernomen om werk in loondienst of als zelfstandige te zoeken, of die werk hadden gevonden en binnen ten hoogste drie maanden zouden beginnen te werken.

Opgelet! De IAB‐werkloosheidscijfers staan los van een eventuele inschrijving bij VDAB, Actiris, FOREM of ADG, evenals van het ontvangen van een uitkering van de RVA, en zijn dus niet vergelijkbaar met de administratieve werkloosheidscijfers.

  • De beroepsbevolking is samengesteld uit de werkloze en de werkende bevolking.
  • Niet‐actieven zijn alle personen die niet beschouwd worden als personen met een betrekking of als werklozen.
  • De werkgelegenheidsgraad geeft het percentage werkende personen in een bepaalde leeftijdsgroep weer. 
  • De werkgelegenheidsgraad in het kader van de Europa 2020‐strategie geeft het percentage werkende personen in de bevolking van 20 tot 64 jaar weer. 
  • De werkloosheidsgraad geeft het percentage werklozen in de beroepsbevolking (werkende personen + werklozen) binnen een bepaalde leeftijdsgroep weer.
  • De activiteitsgraad geeft het percentage beroepsbevolking (werkende personen + werklozen) in de totale bevolking binnen een bepaalde leeftijdsgroep weer.

 

Bovenstaande indicatoren (werkgelegenheidsgraad, werkloosheidsgraad en activiteitsgraad) zijn de belangrijkste indicatoren om de arbeidsmarktevolutie op internationaal niveau te vergelijken.

Metadata

Methodologie enquêtes

Wetgeving