Risico op armoede of sociale uitsluiting

Ons gemoed lijdt onder onze financiële situatie

Huishoudens
Ons gemoed lijdt onder onze financiële situatie

17 oktober 2019 : Internationale dag voor de uitroeiing van armoede

Vandaag publiceert Statbel, het Belgische statistiekbureau, de resultaten uit de speciale module omtrent welzijn van de enquête naar de inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC). Dit zijn de conclusies:

  • De Belgen rapporteren in 2018 een gemiddelde score voor levenstevredenheid van 7,6 op 10.
  • Voor tevredenheid met de financiële situatie wordt een gemiddelde van 7,0 gegeven.
  • Hetzelfde gemiddelde van 7,0 geldt voor de tevredenheid met de tijd die men kan besteden aan zaken die men graag doet.
  • Voor jobtevredenheid ligt het gemiddelde op 7,5.
  • De tevredenheid met persoonlijke relaties met vrienden, kennissen, collega’s, … krijgt een gemiddelde van 7,9 op 10.
  • Deze resultaten liggen helemaal in de lijn van die van de vorige meting in 2013. De meest recente cijfers op Europees niveau dateren van 2013 en tonen dat België zich samen met onze buurlanden bij de subtop situeert, na de Scandinaviërs.

De resultaten van de EU-SILC enquête tonen echter grote verschillen in welzijn naar gelang de financiële situatie van de Belgen. Belgen die geen monetair armoederisico lopen, voelen zich duidelijk beter in hun vel dan zij die zich wel in een financieel précaire situatie bevinden.

13,1% van de Belgen die geen risico loopt op monetaire armoede rapporteert een (zeer) hoge mate van sociale uitsluiting, terwijl dat bij de individuen die wel dit armoederisico lopen oploopt tot 23,6%. Meer dan 80% van die laatste groep kan wel op een sociaal netwerk van vrienden, kennissen of buren terugvallen om zowel materiële als niet-materiële hulp te vragen (tegenover meer dan 90% van de eerste groep). Daarbij komt eveneens dat 14,1% van de personen met een armoederisico zich meestal of altijd eenzaam voelt, terwijl dat 5,1% is bij de Belgen die geen risico op monetaire armoede lopen.

Ook de emotionele gemoedstoestand verschilt tussen de Belgen met en zonder armoederisico. Zo voelt 20,7% van de individuen met armoederisico zich meestal of altijd zeer nerveus, in vergelijking met 14,1% van de Belgen zonder armoederisico. Voor neerslachtige gevoelens zijn de percentages lager, maar de kloof blijft: 11,7% van de personen in een financieel précaire situatie voelt zich meestal of altijd neerslachtig, tegenover 4,7% van de Belgen die het financieel beter hebben. Hetzelfde geldt voor zich rustig en vreedzaam voelen (51,5% meestal of altijd voor diegene met armoederisico tegenover 65,0% voor diegene zonder armoederisico) en zich down of gedeprimeerd voelen (14,4% meestal of altijd voor diegene met armoederisico tegenover 5,7% voor diegene zonder armoederisico).

Wanneer de vraag wordt gesteld hoe vaak men zich gelukkig voelt, antwoordt 80,2% van de Belgen zonder armoederisico dat dit meestal of altijd het geval is. Voor zij die het financieel minder goed hebben, is dit slechts 55,8%.

Doel en korte beschrijving.

EU-SILC (European Union – Statistics on Income and Living Conditions) is een enquête naar inkomens en levensomstandigheden en een belangrijk instrument om zowel op Belgisch als op Europees niveau armoede en sociale uitsluiting in kaart te brengen.

De doelstelling van deze enquête is te komen tot een globaal kader voor de productie van 'communautaire' statistische gegevens betreffende inkomen en levensomstandigheden (EU-SILC), met inbegrip van zowel coherente cross-sectionele als longitudinale gegevens over inkomen en armoede (niveau, samenstelling, ...) op nationaal en Europees niveau.

Populatie

Private huishoudens

Dataverzamelingsmethode en eventuele steekproefomvang

CAPI (Computer Assisted Personal Interview).

Respons

60% (N= ± 6000 huishoudens).

Frequentie

Jaarlijks.

Timing publicatie

Voorlopige resultaten (materiële deprivatie en module) beschikbaar in januari na het enquêtejaar, finale resultaten beschikbaar in juni na het enquêtejaar.

Formulieren

Definities

Risico op armoede of sociale uitsluiting (AROPE)

Risico op armoede of sociale uitsluiting, afgekort AROPE, verwijst naar de situatie waarin personen geconfronteerd worden met minstens één van de 3 volgende armoederisico’s: monetaire armoede, ernstige materiële deprivatie of leven in een huishouden met zeer lage werkintensiteit. De AROPE-graad, het aandeel van de totale bevolking dat een risico op armoede of sociale uitsluiting loopt, is de belangrijkste indicator om armoede op te volgen in het kader van de strategie “Europa 2020”.

Armoederisico = Risico op monetaire armoede (AROP)

Het armoederisico (AROP) verwijst naar het percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen (na sociale transfers) dat onder de armoededrempel ligt.

De indicator meet geen rijkdom of armoede in sé, maar een laag inkomen in vergelijking met anderen in dat land. Dit impliceert niet noodzakelijk een lage levensstandaard.

Armoederisico voor sociale transfers: Percentage personen waarvan het equivalent inkomen na deductie van alle sociale transfers onder de armoededrempel valt.

Armoederisico voor sociale transfersexclusief pensioenen: Percentage personen waarvan het equivalent inkomen na deductie van sociale transfers, met uitzondering van pensioen, onder de armoededrempel valt.

Ernstige materiële deprivatie (SMD)

De mate van materiële deprivatie is een indicator die het onvermogen uitdrukt om sommige items die door de meeste mensen worden beschouwd als wenselijk of zelfs noodzakelijk om een adequaat leven te leiden, te veroorloven. De indicator maakt onderscheid tussen personen die een bepaald goed of een bepaalde dienst niet kunnen betalen, en degenen die dit goed of deze dienst niet hebben om een andere reden, bijvoorbeeld omdat ze het niet willen of niet nodig hebben.
De indicator meet het percentage van de bevolking dat zich ten minste drie van de volgende negen items niet kan veroorloven:

  1. om hun huur, hypotheek of nutsrekeningen te betalen;
  2. om hun huis voldoende warm te houden;
  3. om onverwachte uitgaven te maken;
  4. regelmatig eten van vlees of eiwitten;
  5. om op vakantie te gaan;
  6. een kleurentelevisie;
  7. een wasmachine;
  8. een auto;
  9. een telefoon.

Ernstige mate van materiële deprivatie (SMD) wordt gedefinieerd als het gedwongen onvermogen om te betalen voor ten minste vier van de bovengenoemde items.

Lage werkintensiteit (LWI)

De indicator personen die leven in huishoudens met een zeer lage werkintensiteit, wordt gedefinieerd als het aantal personen in een huishouden waar de leden in beroepsactieve leeftijd minder dan 20% van hun totale potentieel werkten gedurende de voorgaande twaalf maanden.
De werkintensiteit van een huishouden is de verhouding van het totale aantal maanden dat alle leden van het huishouden in de werkende leeftijd hebben gewerkt tijdens het inkomensreferentiejaar en het totale aantal maanden dat dezelfde leden van het huishouden theoretisch in dezelfde periode zouden kunnen gewerkt hebben.
Een werknemer in de werkende leeftijd is een persoon van 18-59 jaar, met uitsluiting van studenten in de leeftijdsgroep tussen 18 en 24 jaar.
Huishoudens die alleen uit kinderen, studenten van minder dan 25 jaar en/of mensen van 60 jaar of ouder bestaan, zijn volledig uitgesloten van de indicatorberekening.

Meer definities...

Opmerkingen

Breuk in de reeks in 2013 betreffende de werklozen - Tot 2012 werden bruggepensioneerden op basis van de aard van hun inkomen beschouwd als werklozen.

Vanaf 2013 werd deze categorie mensen ingedeeld bij de gepensioneerden, mensen met vervroegd pensioen of mensen ter beschikking gesteld voorafgaand aan het pensioen. Dat sluit beter aan bij de onderverdeling die Eurostat beoogt, en waarin staat dat bruggepensioneerden alleen als werklozen mogen worden beschouwd als ze de intentie hebben om de arbeidsmarkt opnieuw te betreden.

De stijging van het armoedecijfer bij werklozen in 2013 heeft dus een technische oorzaak en geeft geen wijziging van de reële situatie weer.

Metadata

Rapporten en artikels