Bevoorradingsbalansen

Belgen hebben de neiging om meer gevogelte te consumeren

Landbouw & Visserij
Belgen hebben de neiging om meer gevogelte te consumeren

Statbel, het Belgische statistiekbureau, heeft een bevoorradingsbalans opgesteld voor de belangrijkste diersoorten voor de jaren 2010 tot 2019.

In 2019 daalde de totale nettoproductie met meer dan 3,7% ten opzichte van 2018. Deze totale nettoproductie is de laagste sinds 2010.

Deze daling van de nettoproductie heeft betrekking op de meeste diersoorten (-4,9% voor runderen, -3,2% voor varkens, -3,1% voor schapen/geiten, -7,4% voor paarden, -4,6% voor pluimvee) en houdt verband met een daling van het aantal slachtingen. Deze daling van de nettoproductie wordt gecompenseerd door een daling van de export.

De export van vlees is in 2019 gedaald ten opzichte van 2018 voor alle diersoorten (-6,7% in totaal): -7,2% voor runderen, -3,8% voor varkens, -8,4% voor schapen, -14,6% voor paarden, -8,4% voor pluimvee en -28,8% voor andere diersoorten.

Het zichtbare vleesverbruik per jaar en per inwoner lijkt zich dus te hebben gestabiliseerd op 75,2 kg equivalent geslacht gewicht in 2018 en 2019. Dit zichtbare verbruik dat op basis van de balans vastgesteld wordt, komt overeen met de hoeveelheid vlees die gedurende één jaar op de interne markt beschikbaar is en in verhouding is tot het aantal inwoners. Het wordt hier uitgedrukt in kg equivalent geslacht gewicht.

Hoewel de totale consumptie tussen 2019 en 2018 stabiel is gebleven, kan niet hetzelfde worden gezegd van de verschillende diersoorten. Zo kunnen we de volgende evoluties opmerken: -3,0% voor rundvlees, -0,8% voor varkensvlees, -6,5% voor schapen- en geitenvlees, -20,9% voor paardenvlees en -9,1% voor slachtafval. De daling van de consumptie van dit vlees wordt gecompenseerd door een stijging van de consumptie van gevogelte (+6,0%) en van andere diersoorten (+9,2%).

Zo blijft varkensvlees in 2019 het meest geconsumeerde vlees in België (51,0%), terwijl gevogelte met 19,4% rundvlees lijkt te evenaren of zelfs te overtreffen (19,0%).

Dashboard
Content
Tabel
Content

Evolutie van de zichtbare consumptie in slachtgewicht in België (2010 - 2019)

Zichtbare consumptie (kg/inwoner) 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
Rund- en kalfvlees 18,3 16,4 15,8 15,4 15,5 15,4 14,7 14,3 14,7 14,3
Varkensvlees 39,6 44,2 42,4 42,1 42,3 40,7 38,1 38,7 38,6 38,3
Schapen- en geitenvlees 1,5 1,7 1,2 1,4 1,4 1,2 1,1 1,1 1,4 1,3
Paardenvlees 0,7 0,8 0,8 0,7 0,7 0,6 0,5 0,4 0,7 0,5
Gevogelte 15,9 12,4 11,6 10,8 15,0 13,9 13,5 13,0 13,8 14,6
Andere diersoorten 4,2 2,7 2,5 2,5 3,3 4,4 3,4 3,9 3,8 4,1
Eetbaar slachtafval 2,1 2,9 2,4 2,9 2,6 2,2 2,1 2,1 2,3 2,1
Totaal (slachtgewicht) 82,4 81,1 76,7 75,9 80,8 78,4 73,5 73,6 75,2 75,2

Doel en korte beschrijving

Balans tussen de bronnen (productie, beginvoorraad, invoer) en de besteding (gebruik, eindvoorraad, uitvoer) van de verschillende landbouwproducten..

Populatie

Landbouwproducten

Frequentie

Onregelmatig (meer dan 1 jaar).

Timing publicatie

Resultaten beschikbaar 6 maanden na de referentieperiode

Waarschuwingen

Statbel publiceert jaarlijks een bevoorradingsbalans voor de belangrijkste diersoorten aan de hand van verschillende informatiebronnen.

Deze balans bepaalt de verhouding tussen productie, consumptie, buitenlandse handel (en voorraden) en maakt het mogelijk om de balans van de middelen en het gebruik ervan voor een bepaald product te beschrijven.

Deze balans wordt uitgedrukt in ton equivalent geslacht gewicht met behulp van technische omrekeningscoëfficiënten van de gemiddelde opbrengst die van product tot product verschillen. Zo bedraagt de coëfficiënt die wordt toegepast op runderen van meer dan 300 kg bijvoorbeeld 56%; dit betekent dat het karkas van deze dieren 56% van hun levend gewicht zal wegen. Het gebruik van deze eenheid maakt het mogelijk de gegevens over levende dieren en vlees in verschillende vormen (bereidingen, stukken, ...) te harmoniseren en te aggregeren.

Om onze producten te verbeteren en als gevolg van het gebruik van nieuwe of geactualiseerde gegevensbronnen, zijn de bevoorradingsbalansen voor vlees sinds 2012 volledig herzien.

Ook de nettoproductie voor pluimvee is in 2010 en 2011 aangepast om de vergelijkbaarheid met de herziening van de balansen vanaf 2012 te waarborgen.

In onze vorige publicaties werd deze netto productie voor pluimvee geschat op basis van fokgegevens van het Vlaams Gewest, de fokkerijkenmerken (productieleeftijd, productieduur, slachtleeftijd) van elke soort, rekening houdend met een percentage verlies en een gemiddeld slachtgewicht. Vandaag wordt deze productie rechtstreeks berekend op basis van de slachtgegevens van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV).

Aangezien de slachtstatistieken, die worden gebruikt om de netto productie te berekenen, vanaf 2010 worden vastgesteld op basis van de gegevens van het FAVV (ter vervanging van de enquêtegegevens) en omdat de resultaten van deze statistieken voor en na 2010 voor verschillende diersoorten continuïteitsonderbrekingen vertoonden, werd besloten om geen balansen van voor 2010 meer te publiceren.

Om al deze redenen zijn de bevoorradingsbalansen voor vlees die in deze publicatie worden voorgesteld niet vergelijkbaar met de balansen die in het verleden zijn gepubliceerd.

De in deze balansen voorgestelde schijnbare consumptie komt in realiteit overeen met de bronnen van het vlees (netto productie + vleesinvoer) waarvan de uitvoer van vlees afgetrokken wordt. Dit begrip stemt dus meer overeen met de terbeschikkingstelling op de binnenlandse markt dan met de uiteindelijke consumptie van het vlees.

Voor sommige categorieën (zoals slachtafval) kan deze schijnbare consumptie overschat worden door het gebrek aan informatie over het aandeel van dergelijk vlees dat in diervoeding wordt gebruikt.

De schijnbare consumptie, uitgedrukt in kg verhandelbaar vlees per jaar en per inwoner, wordt als indicatie gegeven aan de hand van gemiddelde omrekeningsfactoren van karkasgewicht naar verkoopgewicht.

Deze factoren variëren naargelang van de diersoort en binnen dezelfde soort in functie van de verschillende kenmerken van het dier zelf (slachtleeftijd, geslacht, ras, bouw van het karkas, enz.) maar ook van de gebruikte snijtechnieken. De volgende factoren werden gebruikt: 0,70 voor rundvee, 0,78 voor varkens, 0,88 voor schapen, geiten en gevogelte en 0,6 voor paarden

Methodologie