Bevoorradingsbalansen

Daling van de consumptie van rood vlees

Landbouw & Visserij
Daling van de consumptie van rood vlees

Statbel, het Belgische statistiekbureau, heeft een bevoorradingsbalans opgesteld voor de belangrijkste diersoorten voor de jaren 2010 tot 2018. Die balans wijst op een verschil in de evolutie van het binnenlands verbruik en de netto productie. Dit wijst op een intensivering van de handel tussen België en de andere landen, waarbij de uitstroom overheerst. De Belgische handelsbalans vertoont steeds meer overschotten voor (vers of bereid) vlees.

De bruto binnenlandse productie van België is gemiddeld met bijna 7% gestegen in de periode 2015-2018 ten opzichte van de periode 2010-2014. In deze periode is de invoer van levende dieren gedaald (-15,2% van het aantal ton equivalent geslacht gewicht) en is de uitvoer van levende dieren gestegen (+30,8% van het aantal ton equivalent geslacht gewicht). De netto productie is dan weer met 1,4% gestegen.

Naast deze stijging van de bruto binnenlandse productie is het totaal zichtbaar verbruik per inwoner (dit zichtbaar verbruik wordt vastgesteld op basis van de balans en komt overeen met het op de markt ter beschikking gestelde vlees) de afgelopen vier jaar gemiddeld met meer dan 5,0% gedaald in vergelijking met de periode 2010-2014. De schijnbare consumptie per jaar en per inwoner bedraagt 75,2 kg equivalent geslacht gewicht in 2018.

Die daling van het zichtbaar verbruik heeft gevolgen voor de meeste vleessoorten. Als we het gemiddeld zichtbaar verbruik per jaar en per inwoner voor de periode 2010-2014 vergelijken met die van 2015-2018, stellen we de volgende evoluties vast: -9,2 % voor rundvlees, -7,4% voor varkensvlees, -16,9% voor schapen- en geitenvlees, -26,3% voor paardenvlees en -15,4% voor slachtafval.

Het zichtbaar verbruik van gevogelte en andere diersoorten lijkt toe te nemen: +3,1% voor gevogelte en +26,5% voor diersoorten uit andere categorieën (konijnen, duiven, buffels, wild, ...).

Ondanks de daling van de consumptie blijft varkensvlees in 2018 het meest geconsumeerde vlees in België (51,4%), gevolgd door rundvlees (19,6%) en gevogelte (18,3%).

Dashboard
Content
Tabel
Content

Evolutie van de zichtbaar verbruik in slachtgewicht in België (2010 - 2018)

Zichtbaar verbruik (kg/inwoner) 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
Rund- en kalfvlees 18,3 16,4 15,8 15,4 15,5 15,4 14,7 14,3 14,7
Varkensvlees 39,6 44,2 42,4 42,1 42,3 40,7 38,1 38,7 38,6
Schapen- en geitenvlees 1,5 1,7 1,2 1,4 1,4 1,2 1,1 1,1 1,4
Paardenvlees 0,7 0,8 0,8 0,7 0,7 0,6 0,5 0,4 0,7
Gevogelte 15,9 12,4 11,6 10,8 15,0 13,9 13,5 13,0 13,8
Andere diersoorten 4,2 2,7 2,5 2,5 3,3 4,4 3,4 3,9 3,8
Eetbaar slachtafval 2,1 2,9 2,4 2,9 2,6 2,2 2,1 2,1 2,3
Totaal (slachtgewicht) 82,4 81,1 76,7 75,9 80,8 78,4 73,5 73,6 75,2

Doel en korte beschrijving

Balans tussen de bronnen (productie, beginvoorraad, invoer) en de besteding (gebruik, eindvoorraad, uitvoer) van de verschillende landbouwproducten..

Populatie

Landbouwproducten

Frequentie

Onregelmatig (meer dan 1 jaar).

Timing publicatie

Resultaten beschikbaar 6 maanden na de referentieperiode

Waarschuwingen

Statbel publiceert jaarlijks een bevoorradingsbalans voor de belangrijkste diersoorten aan de hand van verschillende informatiebronnen.

Deze balans bepaalt de verhouding tussen productie, consumptie, buitenlandse handel (en voorraden) en maakt het mogelijk om de balans van de middelen en het gebruik ervan voor een bepaald product te beschrijven.

Deze balans wordt uitgedrukt in ton equivalent geslacht gewicht met behulp van technische omrekeningscoëfficiënten van de gemiddelde opbrengst die van product tot product verschillen. Zo bedraagt de coëfficiënt die wordt toegepast op runderen van meer dan 300 kg bijvoorbeeld 56%; dit betekent dat het karkas van deze dieren 56% van hun levend gewicht zal wegen. Het gebruik van deze eenheid maakt het mogelijk de gegevens over levende dieren en vlees in verschillende vormen (bereidingen, stukken, ...) te harmoniseren en te aggregeren.

Om onze producten te verbeteren en als gevolg van het gebruik van nieuwe of geactualiseerde gegevensbronnen, zijn de bevoorradingsbalansen voor vlees sinds 2012 volledig herzien.

Ook de nettoproductie voor pluimvee is in 2010 en 2011 aangepast om de vergelijkbaarheid met de herziening van de balansen vanaf 2012 te waarborgen.

In onze vorige publicaties werd deze netto productie voor pluimvee geschat op basis van fokgegevens van het Vlaams Gewest, de fokkerijkenmerken (productieleeftijd, productieduur, slachtleeftijd) van elke soort, rekening houdend met een percentage verlies en een gemiddeld slachtgewicht. Vandaag wordt deze productie rechtstreeks berekend op basis van de slachtgegevens van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV).

Aangezien de slachtstatistieken, die worden gebruikt om de netto productie te berekenen, vanaf 2010 worden vastgesteld op basis van de gegevens van het FAVV (ter vervanging van de enquêtegegevens) en omdat de resultaten van deze statistieken voor en na 2010 voor verschillende diersoorten continuïteitsonderbrekingen vertoonden, werd besloten om geen balansen van voor 2010 meer te publiceren.

Om al deze redenen zijn de bevoorradingsbalansen voor vlees die in deze publicatie worden voorgesteld niet vergelijkbaar met de balansen die in het verleden zijn gepubliceerd.

De in deze balansen voorgestelde schijnbare consumptie komt in realiteit overeen met de bronnen van het vlees (netto productie + vleesinvoer) waarvan de uitvoer van vlees afgetrokken wordt. Dit begrip stemt dus meer overeen met de terbeschikkingstelling op de binnenlandse markt dan met de uiteindelijke consumptie van het vlees.

Voor sommige categorieën (zoals slachtafval) kan deze schijnbare consumptie overschat worden door het gebrek aan informatie over het aandeel van dergelijk vlees dat in diervoeding wordt gebruikt.

De schijnbare consumptie, uitgedrukt in kg verhandelbaar vlees per jaar en per inwoner, wordt als indicatie gegeven aan de hand van gemiddelde omrekeningsfactoren van karkasgewicht naar verkoopgewicht.

Deze factoren variëren naargelang van de diersoort en binnen dezelfde soort in functie van de verschillende kenmerken van het dier zelf (slachtleeftijd, geslacht, ras, bouw van het karkas, enz.) maar ook van de gebruikte snijtechnieken. De volgende factoren werden gebruikt: 0,70 voor rundvee, 0,78 voor varkens, 0,88 voor schapen, geiten en gevogelte en 0,6 voor paarden

Methodologie