Eenoudergezinnen, werklozen en huurders meest kwetsbaar voor armoede

Huishoudens
Eenoudergezinnen, werklozen en huurders meest kwetsbaar voor armoede

Armoede-indicatoren in België in 2018 (EU-SILC)

Vandaag publiceert Statbel, het Belgische statistiekbureau, de nieuwe armoedecijfers voor 2018 uit de enquête naar de inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC). Dit zijn de belangrijkste conclusies:

  • In 2018 werd 16,4% van de Belgische bevolking beschouwd als een risicogroep voor monetaire armoede. Het gaat om mensen die in een huishouden wonen waarvan het totale beschikbare inkomen lager ligt dan 1.187 euro per maand voor een alleenstaande. In 2017 ging het om 15,9%, maar het verschil is statistisch gezien niet significant. Ook de andere resultaten tonen geen statistisch significante verschillen.
  • Deze indicator van het risico op monetaire armoede (16,4%) is het hoogst ooit verkregen op basis van de SILC-enquête. Bij lancering van de enquête in 2004 bedroeg het percentage 14,3.
  • 12,1% van de bevolking leeft in een huishouden met een lage werkintensiteit. In 2017 ging het om 13,5%.
  • 4,9% van de Belgen werd in 2018 geconfronteerd met ernstige materiële deprivatie. In 2017 ging het om 5,1%.
  • Mensen die te maken krijgen met minstens één van bovenstaande situaties, worden beschouwd als risicogroep voor armoede of sociale uitsluiting volgens de Europese armoede-indicator in het kader van de Europa 2020-strategie. Voor 2018 betrof dit 19,8% van de bevolking, tegenover 20,3% in 2017.
  • Deze indicator van het risico op armoede of sociale uitsluiting (19,8%) is het laagst ooit verkregen op basis van de SILC-enquête. In 2005 bedroeg het percentage 22,6.

Eenoudergezinnen, werklozen en huurders lopen groter risico

Werklozen[1] (49,4%) zijn een stuk kwetsbaarder voor monetaire armoede dan de werkende bevolking (5,2%). Leden van eenoudergezinnen (41,3%) lopen vier keer meer risico dan bijvoorbeeld een gezin met twee volwassenen en twee kinderen (9,8%). Datzelfde geldt ook voor huurders (37,2%) in vergelijking met zij die eigenaar zijn van hun woning (9,1%). Ook bij de laagst opgeleiden (27,8%), die hoogstens een diploma lager secundair onderwijs hebben, ligt het risico op monetaire armoede vier keer hoger dan bij de hoogst opgeleiden (6,4%).

Ook de Europese armoede-indicator toont dat diezelfde groepen een groter risico hebben op armoede of sociale uitsluiting: 63,1% voor werklozen, 50,5% voor eenoudergezinnen, 44,5% voor huurders en 32,9 % voor laagopgeleiden.

Deze resultaten zijn gebaseerd op de EU-SILC-enquête 2018. Het onderzoek wordt sinds 2004 georganiseerd door Statbel en bevraagt jaarlijks ongeveer 6.000 Belgische huishoudens. Via deze enquête, die op Europees niveau is geharmoniseerd, worden de voornaamste evoluties op vlak van armoede en sociale uitsluiting opgevolgd.

Risico op armoede of sociale uitsluiting

  Mensen met een risico op monetaire armoede (%) Mensen uit een huishouden dat met ernstige materiële deprivatie wordt geconfronteerd (%) Mensen (jonger dan 60 jaar) uit een huishouden met een lage arbeidsintensiteit (%) Risico op armoede of sociale uitsluiting (Europese indicator) (%)
Totaal 16,4% 4,9% 12,1% 19,8%
LEEFTIJD
0-17 jaar 20,6% 7,0% 11,5% 23,2%
18-64 jaar 14,9% 5,2% 12,3% 19,3%
65 jaar en + 16,7% 1,7% - 17,6%
STATUUT HOOFDACTIVITEIT
Werkende 5,2% 1,6% 0,2% 6,2%
Werkloos 49,4% 17,5% 60,6% 63,1%
Pensioen/Brugpensioen 14,3% 1,7% 56,9% 16,2%
Inactief, andere 34,4% 11,9% 33,5% 44,1%
GESLACHT
Man 15,6% 4,5% 11,2% 18,8%
Vrouw 17,2% 5,3% 13,1% 20,7%
SOORT HUISHOUDEN
1 persoon 23,8% 9,2% 27,7% 29,9%
2 volwassenen < 65 jaar zonder kinderen 8,9% 3,5% 11,7% 14,6%
2 volwassenen, minstens 1 > 65 jaar, zonder kinderen 15,7% 0,6% 32,7% 16,9%
Overig huishouden zonder kinderen 4,5% 1,5% 6,3% 7,4%
Alleenstaande ouder met kind(eren) 41,3% 16,8% 34,6% 50,5%
2 volwassenen, 1 kind 12,0% 2,5% 7,4% 13,7%
2 volwassenen, 2 kinderen 9,8% 3,4% 5,4% 10,8%
2 volwassenen, 3 kinderen of + 25,0% 5,5% 8,4% 27,2%
Overig huishouden met kind(eren) 13,9% 5,8% 7,9% 15,9%


[1] In de SILC-enquête wordt een persoon op basis van een zelfbepaalde status als "werkloos" beschouwd: hij heeft verklaard dat hij voor ten minste 7 van de 12 maanden werkloos is.