Arbeidsmarktsituatie volgens herkomst nationaliteit

Werk & Opleiding
Arbeidsmarktsituatie volgens herkomst nationaliteit

Nieuwe resultaten van de Enquête naar de Arbeidskrachten

Samenvatting

Recent werd aan de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) een nieuwe demografische achtergrondvariabele toegevoegd die ruimer is dan de klassieke variabelen over nationaliteit en geboorteland. Het gaat om de op basis van populatiegegevens ontwikkelde variabele over de herkomstnationaliteit, die meer informatie geeft over de diversiteit van de Belgische bevolking.

In deze bijdrage wordt ingezoomd op de arbeidsmarktsituatie van acht verschillende herkomstgroepen. In een eerste gedeelte wordt de evolutie geschetst van de klassieke arbeidsmarktindicatoren volgens herkomstgroep en dit over een periode van 20 jaar, terwijl in een tweede gedeelte dieper ingegaan wordt op de economische sector en het soort job van de verschillende herkomstgroepen.

Terwijl alle herkomstcategorieën er zowel qua werkgelegenheidsgraad als qua activiteitsgraad sterk op vooruitgegaan zijn, zien we toch grote verschillen naargelang de herkomstgroep. Globaal gezien is de arbeidsmarktpositie van personen met een herkomst van binnen de EU veel gunstiger dan die van personen van buiten de EU. Daarbij bekleedt de herkomstgroep van landen uit de EU13, ofwel de groep van laatst toegetreden landen tot de EU, een specifieke positie met een activiteits- en werkgelegenheidsgraad die de afgelopen 10-tal jaar opvallend toegenomen is.

Bij personen met een niet-EU-herkomst is de werkgelegenheidsgraad sterk toegenomen over een periode van 20 jaar, wat maakt dat ook de kloof ten opzichte van de werkgelegenheidsgraad van personen van Belgische herkomst kleiner geworden is. Desondanks blijft de kloof bij bepaalde specifieke herkomstgroepen zoals Noord-Afrika, Sub-Saharisch Afrika en kandidaat-EU-lidstaat (d.w.z. voornamelijk Turkije) nog vrij groot met verschillen gaande van 17,6 procentpunt tot 24,5 procentpunt.

Ook de werkloosheidsgraad is de afgelopen twee decennia positief geëvolueerd bij elk van de herkomstgroepen, zowel binnen als buiten de EU. Toch blijft, ondanks een halvering van de indicator, de werkloosheidsgraad bij personen met een herkomst uit Noord-Afrika of uit Sub-Saharisch Afrika hoog met graden die uitstijgen boven de 16%. Bij personen met een herkomst uit een kandidaat-EU-lidstaat is de werkloosheidsgraad sterker gedaald en bereikt die in 2022 het niveau van 10%. Maar ook hier blijft de kloof ten opzichte van personen met een Belgische herkomst groot.

Achter deze globale cijfers schuilen grote verschillen in evolutie tussen de indicatoren van vrouwen en mannen en de kloof tussen beide geslachten. Een vrij algemeen fenomeen dat we bij elke herkomstgroep vaststellen is de toegenomen deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt, in combinatie met de sterk gedaalde werkloosheidsgraad die ervoor gezorgd heeft dat de vrouwelijke werkgelegenheidsgraad veel sterker gestegen is dan de mannelijke werkgelegenheidsgraad. Toch zien we ook hier grote verschillen tussen herkomstgroepen binnen en buiten de EU. Terwijl de deelname aan de arbeidsmarkt (zoals uitgedrukt via de activiteitsgraad) van vrouwen van 15-64 jaar met een herkomst uit Noord-Afrika of uit een kandidaat-EU-lidstaat wel gestegen is in vergelijking met 20 jaar geleden, is in de periode 2020-2021-2022 gemiddeld minder dan 40% van hen aan het werk. Bij vrouwen met herkomst uit Sub-Saharisch Afrika is de situatie iets beter met 52,0% die aan het werk is.

Dankzij de nieuwe herkomstvariabele kunnen we nu voor het eerst ook gaan kijken naar hoe divers verschillende beroepsgroepen en economische sectoren samengesteld zijn. Zo blijken personen met een niet-Europese herkomst veel vaker een job als arbeider te hebben en zijn ze sterk ondervertegenwoordigd bij overheidsjobs. Personen met een herkomst uit de EU13 zien we vaker terug in de bouwsector en personen van Sub-Saharisch Afrika blijken sterk oververtegenwoordigd in de sector van de menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening.

Statbel wenst te beklemtonen dat het hier gaat om een verkennende en beschrijvende analyse van gegevens die gebaseerd zijn op een steekproef. De rijkdom aan mogelijke verklarende variabelen die aanwezig zijn in de Enquête naar de Arbeidskrachten en het gebruik van geavanceerdere statistische modellen moeten toelaten om meer inzicht te krijgen in verklaringen van deze complexe realiteit. In die zin zien we deze bijdrage dan ook eerder als een startpunt voor meer uitgebreide analyses en verder wetenschappelijk onderzoek op basis van de EAK gegevens.

Verdere details leest u hieronder

Inleiding: variabele nationaliteitsgroep van herkomst

Om tegemoet te komen aan de toegenomen nood aan cijfermateriaal om de diversiteit op de arbeidsmarkt in kaart te brengen, werd sinds kort een nieuwe variabele toegevoegd aan de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) die meer informatie verschaft over de herkomst van personen. Deze variabele “herkomstnationaliteit” werd in 2021 door Statbel ontwikkeld op basis van nationaliteitsgegevens uit het Rijksregister. Ze houdt niet alleen rekening met de eigen huidige nationaliteit, maar eveneens met de eerst geregistreerde nationaliteit, alsook met de eerst geregistreerde nationaliteit van beide ouders. In vergelijking met de bestaande variabelen ‘nationaliteit’ en ‘geboorteland’ slaagt de nieuwe herkomstvariabele erin om een grotere groep personen met een buitenlandse herkomst te capteren. De nieuwe informatie over herkomst kon gekoppeld worden aan de Enquête naar de Arbeidskrachten vanaf jaargang 2003, waardoor er een rijke bron van informatie beschikbaar komt over evoluties op de arbeidsmarkt van verschillende herkomstgroepen over een periode van 20 jaar.

Voor meer informatie over de concepten ‘herkomst’ en ‘herkomstnationaliteit’ verwijzen we naar https://statbel.fgov.be/nl/themas/bevolking/structuur-van-de-bevolking/….[1]

Officiële populatiecijfers leren ons dat anno 2022 ongeveer één derde van de Belgische bevolking een buitenlandse herkomst heeft. Zo’n 20 jaar geleden bedroeg dit aandeel minder dan één vijfde (19,5%). We kunnen dus stellen dat de Belgische populatie doorheen de jaren steeds diverser is geworden. In deze bijdrage willen we een beeld schetsen van hoe de arbeidsmarktsituatie er uitziet voor een aantal van de meest voorkomende herkomstgroepen in België.

We maken daarbij gebruik van een indeling in acht nationaliteitsgroepen waarvan de omvang voldoende groot is om er betrouwbare uitspraken over te kunnen doen en die tegelijk vrij sterk verschillen op vlak van hun arbeidsmarktpositie. Naast de groep van personen met een Belgische herkomst onderscheiden we zeven nationaliteitsgroepen met een niet-Belgische herkomst. Veruit de grootste groep daarbij is deze van personen met herkomst uit één van de EU14-landen (uitgezonderd België)[2]. De voornaamste herkomstlanden binnen deze groep zijn Italië, Frankrijk en Nederland. Tussen 2003 en 2022 is deze EU14-herkomstgroep toegenomen met 34%, waardoor die momenteel 12,6% uitmaakt van de Belgische bevolking.

In een tweede categorie, genaamd EU13, zitten de overige landen van de Europese Unie. Deze groep is voornamelijk samengesteld uit personen met een herkomst uit Roemenië, Polen en Bulgarije. Deze herkomstgroep heeft de voorbije twee decennia een enorme groei gekend en is meer dan verviervoudigd in de periode 2003 tot 2022.

Een derde categorie omvat de herkomstlanden die in 2022 het statuut hebben van kandidaat-EU- lidmaatschap. Deze herkomstgroep bestaat voornamelijk uit personen met een Turkse herkomst en is de afgelopen 2 decennia toegenomen met 77%, waardoor het in 2022 gaat om 2,5% van de huidige Belgische bevolking[3].

De vierde groep van ‘Andere Europeanen’ bestaat voor het grootste gedeelte uit personen met een Russische of ex-Sovjet-Unie-herkomst of met een herkomst uit het Verenigd Koninkrijk. Ook deze groep is meer dan verdubbeld over de afgelopen 20-tal jaar.

Verder onderscheiden we twee groepen met een Afrikaanse herkomst, nl. enerzijds de Noord-Afrikaanse landen, waartoe ook de Maghreblanden behoren, en anderzijds de landen die deel uitmaken van Sub-Saharisch Afrika. Beide groepen zijn sterk toegenomen in aantal. De groep met een herkomst uit Noord-Afrika nam tussen 2003 en 2022 toe met 110% en is daarmee in 2022 de grootste herkomstgroep, na de groep uit België en EU14. Het gaat in 2022 om 5,9% van de totale Belgische bevolking. Deze herkomstcategorie bestaat voor het grootste gedeelte uit personen met een Marokkaanse herkomst en daarnaast ook een veel kleiner gedeelte met een herkomst uit Algerije of Tunesië. De groep met een herkomst uit Sub-Saharisch Afrika is eveneens vrij sterk gestegen met 262% en maakt in 2022 zo’n 3% uit van de Belgische bevolking. De voornaamste herkomstnationaliteiten zijn Congo, Kameroen, Guinee en Rwanda.

Tot slot is er een restgroep ‘Andere’ die heel divers samengesteld is uit verschillende landen van Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Oceanië. Naast India en China vinden we hier in 2022 ook verschillende herkomstlanden uit het Midden-Oosten in terug, waaronder Syrië, Afghanistan en Irak. Ook is er nog een vrij grote groep waarvan de exacte herkomst onbepaald is of waarbij het gaat om een land uit het verleden dat in 2022 niet aan één van de bestaande acht herkomstgroepen kan toegewezen worden (voornamelijk ex-Joegoslavië).

Tabel 1. Populatiecijfers volgens categorie van herkomstnationaliteit

  2003  2022  Evolutie 2003-2022
N % N % N
België 8.336.000 80,5% 7.714.000 66,6% -622.000 -7,0%
EU14 (excl. België) 1.082.000 10,5% 1.454.000 12,6% +372.000 +34,0%
EU13 79.000 0,8% 366.000 3,2% +287.000 +363,0%
Kandidaat EU 166.000 1,6% 294.000 2,5% +128.000 +77,0%
Andere Europa 64.000 0,6% 150.000 1,3% +86.000 +134,0%
Noord-Afrika 325.000 3,1% 683.000 5,9% +358.000 +110,0%
Sub-Saharisch Afrika 95.000 0,9% 344.000 3,0% +249.000 +262,0%
Andere 208.000 2,0% 579.000 5,0% +371.000 +178,0%
Totaal 10.355.000 100% 11.584.000 100% +1.229.000 +12,0%

Tot zover deze evolutie van de cijfers in de totale Belgische populatie, gebaseerd op de cijfers uit de rubriek ‘Herkomst’ op de Statbel webpagina. In wat hieronder volgt, wordt verdergegaan met resultaten die gebaseerd zijn op de Enquête naar de Arbeidskrachten en in het bijzonder de populatie binnen de leeftijdsgroepen 15-64 jaar (voor de werkloosheids- en activiteitsgraad) en 20-64 jaar (voor de werkgelegenheidsgraad). Ondanks dat de gegevens gewogen zijn en daardoor voorgesteld worden als populatie-aantallen, mag niet uit het oog verloren worden dat het gaat om cijfers die gebaseerd zijn op een steekproefenquête. Steekproefgegevens hebben onvermijdelijk te maken met vertekeningen en toevalsfluctuaties. Dit is iets waar rekening dient mee gehouden te worden bij de interpretatie van de hierna gepresenteerde cijfers. Naarmate er meer detail weergegeven wordt, betekent dit dat de onzekerheidsmarge rond een cijfer onvermijdelijk ook groter wordt en dat voorzichtig moet omgesprongen worden met het vergelijken van groepen en evoluties.[4]

Toch toont een vergelijking van de verdeling volgens herkomstgroep van de gewogen EAK-steekproef (Tabel 2) met de verdeling van de populatie aan dat de steekproef als vrij representatief kan worden beschouwd en dat de meeste groepen vrij goed vertegenwoordigd zijn in de resultaten. Naast de gewogen aantallen bevat tabel 2 ook de effectieve steekproefaantallen per herkomstcategorie in de EAK steekproef van 2022.

Tabel 2. EAK-cijfers 2022 volgens categorie van herkomstnationaliteit (gewogen aantallen en ongewogen steekproefaantallen)

gewogen steekproefaantallen Totale steekproef  Steekproef 15-64 
N % N %
België 7.782.000 67,5% 4.883.000 66,0%
EU14 (excl. België) 1.404.000 12,2% 981.000 13,3%
EU13 355.000 3,1% 248.000 3,4%
Kandidaat EU 278.000 2,4% 190.000 2,6%
Andere Europa 154.000 1,3% 103.000 1,4%
Noord-Afrika 670.000 5,8% 430.000 5,8%
Sub-Saharisch Afrika 316.000 2,7% 207.000 2,8%
Andere 500.000 4,3% 332.000 4,5%
Ontbrekend 62.000 0,5% 22.000 0,3%
Totaal 11.521.000 100% 7.396.000 100%
ongewogen steekproefaantallen Totale steekproef  Steekproef 15-64 
N % N %
België 85.061 68,7% 53.161 67,4%
EU14 (excl. België) 15.687 12,7% 10.799 13,7%
EU13 3.196 2,6% 2.282 2,9%
Kandidaat EU 2.545 2,1% 1.719 2,2%
Andere Europa 1.592 1,3% 1.042 1,3%
Noord-Afrika 6.832 5,5% 4.304 5,5%
Sub-Saharisch Afrika 3.110 2,5% 2.014 2,6%
Andere 5.092 4,1% 3.303 4,2%
Ontbrekend 719 0,6% 270 0,3%
Totaal 123.834 100% 78.894 100%

Arbeidsmarktindicatoren

Werkgelegenheidsgraad

Een eerste belangrijke arbeidsmarktindicator is de werkgelegenheidsgraad van 20- tot 64-jarigen. In grafiek 1 geven we de evolutie weer voor de verschillende herkomstgroepen. Waar de officiële Belgische werkgelegenheidsgraad de voorbije 20 jaar gestegen is van 64,7% in 2003 naar 71,9% in 2022 volgden niet alle herkomstgroepen dezelfde trend[5]. Zo zien we een nogal verschillende evolutie voor de personen met een herkomst uit de EU13 enerzijds en uit de EU14 anderzijds. Waar de werkgelegenheidsgraad van personen met een EU13-herkomst zo’n 20 jaar geleden nog ver onder de werkgelegenheidsgraad van personen met een Belgische herkomst lag, is de kloof sinds 2016 nagenoeg volledig gedicht. Bij de groep met EU14-herkomst blijft het cijfer echter steeds zo’n 5 procentpunt lager dan het cijfer van personen van Belgische herkomst.

Aan de onderkant van de grafiek zien we de werkgelegenheidsgraad van personen van Noord-Afrikaanse herkomst, die geëvolueerd is van 40,5% in 2003 naar 51,3% in 2022, maar de kloof met de werkgelegenheidsgraad van personen van Belgische herkomst blijft groot. In 2003 bedroeg ze 26,8 procentpunt en in 2022 is ze nauwelijks gedaald naar 24,5 procentpunt, ofwel een daling van 9%. Een gelijkaardig beeld zien we bij de groep van personen met een herkomst uit één van de landen van Sub-Saharisch Afrika. De werkgelegenheidsgraad bij deze groep evolueerde van 43,0% in 2003 tot 54,3% in 2022, terwijl de kloof met het Belgische cijfer slechts licht daalde met 11%. In de tussenliggende jaren zien we echter wel periodes waarin de kloof beduidend kleiner was. Globaal gezien zien we grotere fluctuaties, wat gerelateerd kan zijn aan de eerder beperkte steekproefaantallen voor deze herkomstgroep. Dat geldt ook voor de groep van kandidaat-EU-lidstaten die, zoals hierboven aangehaald, voor een groot stuk bestaat uit personen met een Turkse herkomstnationaliteit. Over een periode van 20 jaar is de werkgelegenheidsgraad gunstig geëvolueerd van 38,6% in 2003 naar 58,2% in 2022. Dat betekent een stijging met 51%, wat de grootste toename is van alle herkomstgroepen. Gezien de relatief kleine steekproefaantallen moeten we echter voorzichtig zijn met conclusies op basis van het jaar 2022 alleen. Het valt af te wachten of we dit effect ook nog zullen zien in de cijfers van de komende jaren. Maar zelfs al houden we rekening met een mogelijke overschatting van het cijfer, de sterk gestegen werkgelegenheidsgraad bij personen met een kandidaat-EU-herkomst zorgt ervoor dat de kloof met personen van Belgische herkomst wel sterk gedaald is, maar met een verschil van 17,6 procentpunt toch nog vrij groot blijft in 2022.

De restgroep van andere Europeanen, die relatief klein is en vooral samengesteld is uit personen afkomstig uit Rusland of de ex-Sovjet-Unie enerzijds en het Verenigd Koninkrijk anderzijds, kent een werkgelegenheidsgraad die ongeveer 10 procentpunt lager ligt dan deze van personen met een Belgische herkomst. Tot slot is er de vrij heterogeen samengestelde groep van andere, niet-Europese landen, waarvoor de werkgelegenheidsgraad zich in 2022 met 61,5% eveneens sterk onder het niveau van die van personen met een Belgische herkomst situeert.

Werkgelegenheidsgraad België EU14 (excl. België) EU13 Kandidaat EU Andere Europa Noord-Afrika Sub-Saharisch Afrika Andere
2003 67,3% 61,2% 57,1% 38,6% 56,4% 40,5% 43,0% 51,2%
2022 75,8% 70,9% 76,4% 58,2% 65,6% 51,3% 54,3% 61,5%
Evolutie (in %) +13,0% +16,0% +34,0% +51,0% +16,0% +27,0% +26,0% +20,0%
 Kloof met BE (in pp)
2003   -6,1 -10,2 -28,7 -10,9 -26,8 -24,3 -16,1
2022   -4,9 +0,6 -17,6 -10,2 -24,5 -21,5 -14,3
Evolutie kloof (in %)   -20,0% -106,0% -39,0% -6,0% -9,0% -11,0% -11,0%

Werkloosheidsgraad

Grafiek 2 geeft de evolutie weer van de werkloosheidsgraad van 15- tot 64-jarigen, volgens herkomstgroep over de afgelopen 20 jaar. Het officiële Belgische cijfer is in die periode gedaald van 8,2% in 2003 tot 5,6% in 2022. Globaal genomen zien we dat de werkloosheidsgraad fors gedaald is in elk van de acht herkomstgroepen. De grootste dalingen zien we logischerwijs bij de groepen waar de werkloosheidsgraad in het begin van de periode zeer hoog was, met name de groep van personen van Sub-Sahara-Afrikaanse herkomst, waar de werkloosheidsgraad in 2003 nog 32,3% bedroeg en de groep personen van Noord-Afrikaanse herkomst, die in 2003 een werkloosheidsgraad kende van 30,4%. Ook bij personen met een herkomst uit een kandidaat-EU-lidstaat was de werkloosheidsgraad erg hoog met 28,2%. In elk van die drie herkomstgroepen is de werkloosheidsgraad over een periode van 20 jaar sterk gedaald met respectievelijk 42% (Sub-Saharisch Afrika), 46% (Noord-Afrika) en zelfs 64% voor de personen met een kandidaat-EU-herkomst. Anno 2022 zien we de hoogste werkloosheidsgraad bij personen van Sub-Sahara-Afrikaanse herkomst en bij personen van Noord-Afrikaanse herkomst met respectievelijk 18,6% en 16,4%.

De groep van personen met een kandidaat-EU-herkomst situeert zich sinds een 10-tal jaar in de middenmoot op vlak van werkloosheidsgraad. In 2022 bedraagt deze 10,0%, wat amper verschilt van de groep met een andere Europese herkomst (9,4%), of de restcategorie met herkomst uit een ander niet-Europees land (10,8%).

De laagste werkloosheidsgraden noteren we bij personen van Belgische herkomst. Dit cijfer is de afgelopen 20 jaar geëvolueerd van 6,2% tot 3,8% in 2022. Tot en met 2015 zagen we dat de werkloosheidsgraad van de groep personen met een EU14-herkomst het dichtste lag bij het cijfer van de groep met Belgische herkomst, maar sinds 2016 zien we een opvallend gunstige evolutie in de groep met een EU13-herkomst. Zoals we eerder al aanhaalden dat de werkgelegenheidsgraad in deze groep sterk steeg vanaf 2016, zien we dat in dezelfde periode de werkloosheidsgraad tegelijk sterk daalde.

Werkloosheidsgraad België EU14 (excl. België) EU13 Kandidaat EU Andere Europa Noord-Afrika Sub-Saharisch Afrika Andere
2003 6,2% 12,4% 12,9% 28,2% 14,4% 30,4% 32,3% 18,9%
2022 3,8% 6,4% 5,0% 10,0% 9,4% 16,4% 18,6% 10,8%
Evolutie (in %) -38,0% -48,0% -61,0% -64,0% -34,0% -46,0% -42,0% -43,0%
 Kloof met BE (in pp)
2003   +6,2 +6,8 +22,0 +8,2 +24,3 +26,2 +12,7
2022   +2,6 +1,2 +6,2 +5,6 +12,6 +14,8 +6,9
Evolutie kloof (in %)   -58,0% -83,0% -72,0% -32,0% -48,0% -44,0% -46,0%

Activiteitsgraad

Een laatste belangrijke arbeidsmarktindicator die we hier bespreken, is de activiteitsgraad, die een beeld geeft van de mate waarin de bevolking op beroepsactieve leeftijd zich ook effectief op de arbeidsmarkt begeeft of wenst te begeven. Het is met andere woorden een goede indicator voor de deelname aan de arbeidsmarkt, hetzij als werkende, hetzij als werkloze.

Grafiek 3 volgt in grote lijnen de trends die we ook in de grafiek over de werkgelegenheidsgraad zagen, maar er zijn toch ook een aantal opmerkelijke verschillen. Terwijl personen van Belgische herkomst over nagenoeg de hele periode van 2003 tot 2022 de hoogste werkgelegenheidsgraad noteerden, is dit niet het geval voor de activiteitsgraad. Sinds 2010 kent de groep afkomstig uit een EU13-land de hoogste activiteitgraad, met een cijfer dat schommelt tussen de 72% en 77%. Vooral in de periode 2010-2019 lag de activiteitsgraad daarmee steeds een paar procentpunten boven het cijfer van personen met Belgische herkomst. Daar zien we over de afgelopen 20 jaar een gestage stijging van 66,5% in 2003 tot 73,8% in 2022, het hoogste niveau ooit.

Aan de onderkant van de grafiek zien we dat de lijnen van personen met een Noord-Afrikaanse herkomst en personen afkomstig uit een kandidaat-EU-lidstaat vrij gelijklopen. In de beginperiode van de grafiek lag de activiteitsgraad van de groep kandidaat-EU-lidstaat wel steeds een paar procentpunten onder die van de groep van Noord-Afrikaanse herkomst. Sinds 2012 lopen de curven meer gelijk en opvallend is ook hier de sterke stijging van het afgelopen jaar bij personen met herkomst uit een kandidaat-EU-lidstaat, waardoor de activiteitsgraad in 2022 59,6% bedraagt tegenover 53,5% bij personen van Noord-Afrikaanse herkomst. Net zoals bij de werkgelegenheidsgraad dienen we hier de kanttekening te maken dat we voorzichtig dienen te zijn met dergelijke uitschieters, gezien de relatief kleine steekproefaantallen in bepaalde herkomstcategorieën. We moeten vooral afwachten of deze sterk gestegen activiteitsgraad bij personen met kandidaat-EU-herkomst de komende jaren wordt bevestigd.

Voor wat betreft personen met een herkomst uit Sub-Saharisch Afrika zien we dat de activiteitsgraad over de periode 2003-2022 quasi altijd hoger lag dan deze van de herkomstgroepen ‘Noord-Afrika’ en ‘kandidaat-EU-lidstaat’, gemiddeld ongeveer 5 procentpunten, met uitzondering van een aantal jaargangen en in het bijzonder het jaar 2022, waar de groep ‘kandidaat-EU-lidstaat’ met 59,6% een lichtjes hogere activiteitsgraad optekent dan de groep met herkomst uit Sub-Saharisch Afrika (57,9%). Globaal genomen is de activiteitsgraad in die laatste herkomstgroep slechts weinig geëvolueerd. Tussen het niveau van 2003 en 2022 zien we een evolutie van slechts 2%, wat veel lager is dan alle andere herkomstgroepen.

De hoogste activiteitsgraden vinden we net zoals bij de werkgelegenheidsgraad bij de groepen met een herkomst binnen de EU. Een verschil met de werkgelegenheidsgraad is echter dat het sinds 2010 niet de groep van personen met een Belgische herkomst is die de hoogste activiteitsgraad laat optekenen, maar wel de groep van personen met een EU13-herkomst. In 2022 lag het cijfer voor België weliswaar opnieuw net iets hoger, maar de grafiek geeft duidelijk aan dat de activiteitsgraad bij personen met een EU13-herkomst gedurende de periode daarvoor steeds een paar procentpunten hoger lag. Beide cijfers schommelen anno 2022 rond de 73,5%. Waar de groep met een EU13-herkomst het qua activiteitsgraad minstens even goed doet als de groep van Belgische herkomst, geldt dat niet voor de groep met een EU14-herkomst. Net zoals bij de werkgelegenheidsgraad ligt ook de activiteitsgraad over de hele periode van de afgelopen 20 jaar gemiddeld 3 tot 5 procentpunten lager dan bij de Belgische herkomstgroep. Opmerkelijk is bovendien dat de kloof met personen met een Belgische herkomst juist groter geworden is, iets wat we ook vaststellen voor beide Afrikaanse herkomstgroepen. Voor personen met een Noord-Afrikaanse herkomst is de kloof gestegen van 15,9 procentpunt in 2003 tot 20,3 procentpunt in 2022 (+28%) en voor personen met een Sub-Sahara-Afrikaanse herkomst evolueerde de kloof van 9,5 procentpunt naar 15,9 procentpunt (+67%).

Activiteitsgraad België EU14 (excl. België) EU13 Kandidaat EU Andere Europa Noord-Afrika Sub-Saharisch Afrika Andere
2003 66,5% 63,4% 60,6% 47,0% 59,6% 50,6% 57,0% 55,6%
2022 73,8% 69,1% 73,4% 59,6% 65,8% 53,5% 57,9% 62,5%
Evolutie (in %) +11,0% +9,0% +21,0% +27,0% +10,0% +6,0% +2,0% +12,0%
 Kloof met BE (in pp)
2003   -3,1 -5,9 -19,5 -6,8 -15,9 -9,5 -10,8
2022   -4,7 -0,4 -14,1 -7,9 -20,3 -15,9 -11,3
Evolutie kloof (in %)   +50,0% -93,0% -27,0% +16,0% +28,0% +67,0% +4,0%

Arbeidsmarktsituatie van vrouwen met een buitenlandse herkomst

De afgelopen twee decennia is de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt in België sterk geëvolueerd. Volgens de officiële EAK-jaarcijfers is de activiteitsgraad van vrouwen geëvolueerd van 56,8% in 2003 tot 66,8% in 2022, terwijl we bij de mannen in dezelfde periode slechts een lichte stijging zagen, van 72,9% naar 74,2%. De kloof tussen mannen en vrouwen is daardoor veel kleiner geworden, iets wat we ook zien bij de werkgelegenheidsgraad en de werkloosheidsgraad. Qua werkloosheidsgraad doen vrouwen het de laatste jaren zelfs iets beter dan de mannen, zoals blijkt uit de recent door Statbel gepubliceerde cijfers van 2022.

Om na te gaan of de arbeidsmarktsituatie van mannen en vrouwen in België de afgelopen 20-tal jaar verschillend evolueerde naargelang de herkomst wordt in tabel 3 een vergelijking gemaakt tussen de periode 2003-2004-2005 enerzijds en de periode 2020-2021-2022 anderzijds. Door drie jaargangen samen te nemen behouden we, ondanks de meer gedetailleerde opsplitsing van de cijfers volgens geslacht, toch nog voldoende grote steekproeven en beperken we op die manier de foutenmarge. De hier gepresenteerde cijfers zijn bijgevolg niet gelijk aan de officiële jaarcijfers, maar vormen gemiddelden over drie jaargangen.

In elke herkomstgroep zien we verhoudingsgewijs een sterkere stijging van de vrouwelijke activiteitsgraad dan van de mannelijke activiteitsgraad in de afgelopen 20-tal jaar, waardoor de kloof tussen mannen en vrouwen kleiner wordt. Wel zijn er grote verschillen in de mate waarin die kloof kleiner geworden is. De sterkste daling van de kloof zien we bij personen van Belgische herkomst. Daar bedraagt het verschil in activiteitsgraad tussen mannen en vrouwen nog slechts 5,0 procentpunt voor de periode 2020-2021-2022, terwijl de kloof een kleine 20 jaar eerder nog 14,2 procentpunt bedroeg, ofwel een daling met 65%.

Sterke dalingen van de kloof tussen mannen en vrouwen zien we ook bij de groep van ‘andere Europeanen’ (-53%), bij de groep met herkomst uit EU14 (-46%), bij de groep met een Sub-Sahara-Afrikaanse herkomst (-45%) en bij de groep met herkomst uit EU13 (-31%). De kloof in de activiteitsgraad van mannen en vrouwen bedraagt bij elk van deze groepen minder dan 10 procentpunten. Wat opmerkelijk is, is dat de activiteitsgraad van mannen met een EU13-herkomst (79,1%) boven het niveau van dat van de mannen met Belgische herkomst (75,4%) uitstijgt.

Opvallend is dat de groepen waar de kloof tussen mannen en vrouwen in de periode 2003-2004-2005 het grootste was, ook de groepen zijn waar de kloof over een periode van een 20-tal jaar het minst gedaald is. Dat maakt dat we ook in 2020-2021-2022 nog grote verschillen zien tussen de mannelijke en vrouwelijke activiteitsgraad bij personen van Noord-Afrikaanse herkomst (24,7 procentpunt in 2020-2021-2022) en personen afkomstig uit een kandidaat-EU-lidstaat (25,0 procentpunt in 2020-2021-2022). Voor beide groepen is de kloof tussen mannen en vrouwen wel gedaald, maar slechts met respectievelijk 17% (Noord-Afrika) en 22% (kandidaat-EU). Voor de periode 2020-2021-2022 komt de activiteitsgraad van vrouwen van Noord-Afrikaanse herkomst op 39,4% te liggen, wat een stijging betekent van 8% ten opzichte van zo’n 20 jaar geleden. Bij vrouwen afkomstig uit een kandidaat-EU-lidstaat is de stijging groter (+25%) en bedraagt de activiteitsgraad voor de periode 2020-2021-2022 41,2%.

Wanneer we deze cijfers naast de evolutie van de werkgelegenheidsgraad leggen, dan valt vooral op dat de werkgelegenheidsgraad bij vrouwen veel sterker gestegen is dan de activiteitsgraad in deze beide herkomstgroepen, namelijk met respectievelijk 63% (kandidaat-EU) en 38% (Noord-Afrika). Deze sterke stijging is het resultaat van een combinatie van twee effecten, namelijk enerzijds de hogere deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt en anderzijds de sterke daling van de vrouwelijke werkloosheidsgraad. Bij mannen daalt de werkloosheid in ongeveer gelijke mate, maar doordat de activiteitsgraad van mannen eerder stabiel blijft, is de stijging van de werkgelegenheidsgraad minder spectaculair bij de mannen dan bij de vrouwen nl. respectievelijk +18% (Noord-Afrika) en +17% (kandidaat EU).

Dit is een vrij algemeen fenomeen dat we ook bij de andere herkomstgroepen zien, namelijk de grotere deelname aan de arbeidsmarkt van vrouwen (zoals uitgedrukt door de hogere activiteitsgraad) in combinatie met de sterk dalende werkloosheidsgraad bij vrouwen zorgt ervoor dat de vrouwelijke werkgelegenheidsgraad veel sterker gestegen is dan die van de mannen. Toch blijft er een groot verschil tussen enerzijds de groepen met een EU-herkomst (hetzij België, EU14 of EU13) waar de werkgelegenheidsgraad van vrouwen voor de periode 2020-2021-2022 steeds boven de 65% uitkomt en anderzijds de groepen met een kandidaat-EU-herkomst en een Noord-Afrikaanse herkomst, waar ook in 2020-2021-2022 minder dan 40% van de vrouwen aan het werk is. Opnieuw dient de verklaring gezocht te worden bij zowel de lagere arbeidsmarktdeelname van vrouwen als de hogere werkloosheidsgraad. Voor vrouwen van Noord-Afrikaanse herkomst geldt dit zelfs nog in sterkere mate dan voor vrouwen van kandidaat-EU-herkomst. Hierboven bleek reeds dat de werkloosheidsgraad in die eerste groep merkelijk hoger lag dan in de tweede groep.

Een verschillend beeld zien we bij de vrouwen van Sub-Sahara-Afrikaanse herkomst. Terwijl we in deze groep de op één na hoogste werkloosheidsgraad noteren (16,6% bij vrouwen), zorgt de hogere activiteitsgraad (55,2%) er wel voor dat in de periode 2020-2021-2022 iets meer dan de helft van de vrouwen van Sub-Sahara-Afrikaanse herkomst aan het werk is. Daarmee ligt het percentage 20- tot 64-jarige vrouwen dat aan het werk is bij deze herkomstgroep meer dan 10 procentpunten hoger dan bij de groepen met herkomst uit Noord-Afrika of een kandidaat-EU-lidstaat. Ook is de kloof in werkgelegenheidsgraad tussen mannen en vrouwen beduidend minder groot met een verschil van 6,6 procentpunt.

Tabel 3: Evolutie arbeidsmarktindicatoren volgens geslacht

Werkloosheidsgraad 2003/2004/2005 2020/2021/2022 Evolutie
België Man 5,5% 4,2% -25,0%
Vrouw 7,3% 3,5% -52,0%
Kloof M/V (in pp) +1,7 -0,7 -140,0%
EU14 (excl. België) Man 10,8% 7,2% -34,0%
Vrouw 13,5% 7,1% -48,0%
Kloof M/V (in pp) +2,7 -0,1 -104,0%
EU13 Man 13,1% 7,3% -44,0%
Vrouw 16,6% 7,2% -57,0%
Kloof M/V (in pp) +3,6 -0,1 -102,0%
Kandidaat EU Man 24,5% 11,2% -54,0%
Vrouw 36,5% 14,3% -61,0%
Kloof M/V (in pp) +11,9 +3,1 -74,0%
Andere Europa Man 9,1% 8,8% -3,0%
Vrouw 15,8% 13,3% -16,0%
Kloof M/V (in pp) +6,7 +4,5 -33,0%
Noord-Afrika Man 30,3% 16,4% -46,0%
Vrouw 34,9% 17,6% -50,0%
Kloof M/V (in pp) +4,7 +1,2 -74,0%
Sub-Saharisch Afrika Man 30,4% 18,7% -39,0%
Vrouw 34,7% 16,6% -52,0%
Kloof M/V (in pp) +4,3 -2,0 -147,0%
Andere Man 19,9% 12,8% -36,0%
Vrouw 19,6% 11,4% -42,0%
Kloof M/V (in pp) -0,3 -1,4 +367,0%
Totaal Man 7,6% 6,1% -19,0%
Vrouw 9,3% 5,5% -41,0%
Kloof M/V (in pp) +1,7 -0,6 -137,0%
Werkgelegenheidsgraad 20-64 2003/2004/2005 2020/2021/2022 Evolutie
België Man 76,0% 77,3% +2,0%
Vrouw 60,2% 72,5% +20,0%
Kloof M/V (in pp) -15,8 -4,8 -69,0%
EU14 (excl. België) Man 70,5% 73,5% +4,0%
Vrouw 54,1% 65,6% +21,0%
Kloof M/V (in pp) -16,5 -7,9 -52,0%
EU13 Man 67,0% 79,9% +19,0%
Vrouw 51,2% 69,2% +35,0%
Kloof M/V (in pp) -15,8 -10,7 -32,0%
Kandidaat EU Man 55,4% 64,7% +17,0%
Vrouw 23,8% 38,8% +63,0%
Kloof M/V (in pp) -31,6 -25,9 -18,0%
Andere Europa Man 71,2% 70,9% -0,0%
Vrouw 48,7% 56,9% +17,0%
Kloof M/V (in pp) -22,5 -14,0 -38,0%
Noord-Afrika Man 52,3% 61,6% +18,0%
Vrouw 27,0% 37,1% +38,0%
Kloof M/V (in pp) -25,3 -24,4 -3,0%
Sub-Saharisch Afrika Man 52,5% 58,7% +12,0%
Vrouw 37,0% 52,0% +41,0%
Kloof M/V (in pp) -15,5 -6,6 -57,0%
Andere Man 61,5% 66,5% +8,0%
Vrouw 43,7% 52,5% +20,0%
Kloof M/V (in pp) -17,8 -14,0 -22,0%
Totaal Man 73,8% 74,8% +1,0%
Vrouw 57,4% 67,0% +17,0%
Kloof M/V (in pp) -16,4 -7,8 -52,0%
Activiteitsgraad 15-64 2003/2004/2005 2020/2021/2022 Evolutie
België Man 74,4% 75,4% +1,0%
Vrouw 60,2% 70,4% +17,0%
Kloof M/V (in pp) -14,2 -5,0 -65,0%
EU14 (excl. België) Man 71,5% 71,9% +1,0%
Vrouw 56,7% 63,9% +13,0%
Kloof M/V (in pp) -14,8 -8,0 -46,0%
EU13 Man 71,0% 79,1% +11,0%
Vrouw 57,3% 69,7% +22,0%
Kloof M/V (in pp) -13,8 -9,4 -31,0%
Kandidaat EU Man 65,2% 66,2% +2,0%
Vrouw 33,0% 41,2% +25,0%
Kloof M/V (in pp) -32,2 -25,0 -22,0%
Andere Europa Man 71,9% 69,8% -3,0%
Vrouw 52,3% 60,5% +16,0%
Kloof M/V (in pp) -19,6 -9,3 -53,0%
Noord-Afrika Man 66,3% 64,2% -3,0%
Vrouw 36,4% 39,4% +8,0%
Kloof M/V (in pp) -29,9 -24,7 -17,0%
Sub-Saharisch Afrika Man 64,9% 63,0% -3,0%
Vrouw 50,6% 55,2% +9,0%
Kloof M/V (in pp) -14,2 -7,8 -45,0%
Andere Man 68,1% 68,9% +1,0%
Vrouw 48,6% 54,9% +13,0%
Kloof M/V (in pp) -19,5 -14,1 -28,0%
Totaal Man 73,4% 73,5% +0,0%
Vrouw 58,2% 65,7% +13,0%
Kloof M/V (in pp) -15,2 -7,8 -49,0%

De populatie werkenden volgens herkomstnationaliteit

Beroepsstatuut

Nadat we in voorgaand gedeelte de arbeidsmarktsituatie van de verschillende herkomstgroepen schetsten, nemen we in dit onderdeel de werkende populatie verder onder de loep. Een eerste beeld krijgen we wanneer we kijken naar het professioneel statuut zoals dit in de enquête bevraagd werd. Daarbij maken we het onderscheid tussen zelfstandigen en loontrekkenden, waarbij die laatste groep verder opgesplitst wordt in arbeiders, bedienden en ambtenaren. Ook hier bekijken we gemiddelde cijfers over de meest recente drie jaren.

Tabel 4 geeft binnen elke herkomstgroep de verdeling weer over die vier verschillende statuten. Door de percentages horizontaal te vergelijken krijgen we een idee van welke nationaliteitsgroepen over- of ondervertegenwoordigd zijn in vergelijking met de populatie van Belgische herkomst. Zo zien we dat het aandeel zelfstandigen beduidend hoger ligt bij personen van EU13-herkomst. In die groep werkt 19,2% als zelfstandige, terwijl dat bij de personen met Belgische herkomst 14,5% is. Omgekeerd zien we dan weer een ondervertegenwoordiging van personen van Noord-Afrikaanse en Sub-Sahara-Afrikaanse herkomst met respectievelijk 8,0% en 5,9% zelfstandigen.

Het aandeel ambtenaren ligt dan weer het hoogst bij personen met Belgische (23,6%) of EU14-herkomst (21,6%). Het laagste percentage ambtenaren zien we bij personen met een herkomst uit een kandidaat-EU-lidstaat (11,4%).

Grote verschillen zien we ook in het aandeel arbeiders en bedienden. Bij personen van Belgische herkomst of EU14-herkomst zien we de hoogste percentages bedienden, gevolgd door de categorieën andere Europese herkomst en Sub-Sahara-Afrikaanse herkomst. Het percentage bedienden ligt in elk van deze groepen hoger dan 40%. Ook bij personen van Noord-Afrikaanse herkomst ligt het aandeel bedienden vrij hoog met 36,2%. De laagste percentages zien we bij de personen van EU13-herkomst (23,1%) en met een kandidaat-EU-herkomst (29,1%).

Binnen die twee laatste groepen zien we een sterke oververtegenwoordiging van arbeidersjobs. Bij personen met een kandidaat-EU-herkomst heeft 43,7% van de werkenden een job als arbeider en bij personen met een EU13-herkomst 42,0%. Ook bij personen van Noord-Afrikaanse en Sub-Sahara-Afrikaanse herkomst ligt het aandeel arbeiders vrij hoog met respectievelijk 39,2% en 36,6%.

Tabel 4: Beroepsstatuut per herkomstgroep, gemiddelde cijfers voor 2020-2021-2022

Beroepsstatuut
(Kolompercentages)
België EU14 (excl. België) EU13 Kandidaat EU Andere Europa Noord-Afrika Sub-Saharisch Afrika Andere Totaal
Arbeider 18,4% 20,7% 42,0% 43,7% 24,3% 39,2% 36,6% 33,9% 21,7%
Bediende 43,5% 44,8% 23,1% 29,1% 42,2% 36,2% 41,5% 38,8% 42,2%
Ambtenaar 23,6% 21,6% 15,6% 11,4% 17,2% 16,6% 16,0% 13,0% 22,0%
Zelfstandige 14,5% 13,0% 19,2% 15,7% 16,4% 8,0% 5,9% 14,2% 14,1%
Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100%

Beroepscategorie

Iets meer duiding over de aard van de jobs krijgen we door na te gaan welke specifieke beroepsgroepen over- of ondervertegenwoordigd zijn bij de verschillende herkomstcategorieën. Tabel 5 geeft voor elke herkomstcategorie de verdeling volgens beroepscategorie, ingedeeld volgens de hoofdcategorieën van de ISCO-08-beroepennomenclatuur. Door te vergelijken met het gemiddelde percentage dat een beroepscategorie inneemt bij de totale werkende bevolking (rechterkolom) zien we welke nationaliteiten onder- of oververtegenwoordigd zijn in vergelijking met het gemiddelde. Merk op dat, hoe verder de categorieën opgesplitst worden, hoe kleiner de steekproefaantallen waarop de cijfers gebaseerd zijn en hoe groter de foutenmarge rond de schattingen. De herkomstgroepen ‘andere Europa’ en ‘andere’ laten we buiten beschouwing omwille van hun vrij heterogene samenstelling.

Waar gemiddeld genomen 8,3% van de werkenden een job heeft uit de beroepsgroep Managers zien we een duidelijke ondervertegenwoordiging bij personen van Sub-Sahara-Afrikaanse herkomst, waar slecht 3,5% een managementfunctie heeft. Ook bij de herkomstgroep Noord-Afrika en Kandidaat-EU ligt het percentage meer dan 2 procentpunten lager dan het gemiddelde van 8,3%. Ook binnen de beroepsgroep Intellectuele, wetenschappelijke en artistieke beroepen, zien we een ondervertegenwoordiging van dezelfde drie herkomstgroepen. Terwijl bijna 30% van de werkenden met een Belgische herkomst of een EU14-herkomst een dergelijke functie heeft, gaat het voor herkomstgroepen kandidaat-EU, Noord-Afrika en Sub-Saharisch Afrika om 15% of minder. Ook bij de groep van EU13-herkomst is er nog een ondervertegenwoordiging met 19,0%.

Bij de beroepsgroep van Technici en verwante beroepen zijn de verschillen minder groot. Opnieuw zien we de hoogste vertegenwoordiging bij personen met een Belgische herkomst of een EU14-herkomst, maar daarnaast zijn ook personen met een Sub-Sahara-Afrikaanse herkomst vrij goed vertegenwoordigd, met 14,1% van alle werkenden uit die herkomstgroep. Het laagste percentage zien we bij de groep met EU13-herkomst (7,4%). Een gelijkaardig patroon zien we voor de beroepsgroep Administratief personeel. Opnieuw is het vooral de groep met een EU13-herkomst die hier het minst vertegenwoordigd is.

Dat is ook het geval voor de beroepsgroep Dienstverlenend personeel en verkopers. Opnieuw zien we er verhoudingsgewijs weinig personen met EU13-herkomst. Wel vaker vertegenwoordigd zijn de personen met Sub-Sahara-Afrikaanse herkomst (18,7%), Noord-Afrikaanse herkomst (18,0%) en personen met herkomst uit een kandidaat-EU-lidstaat (15,8%).

In de categorie Ambachtslieden, bestaande uit onder meer bouwarbeiders, metaalarbeiders, elektriciens enz. vinden we opvallend vaak personen afkomstig uit een EU13-land. Bijna één op vijf heeft een job uit deze beroepscategorie, terwijl dat gemiddeld bij de werkenden minder dan één op tien is. Daarnaast zien we er ook vaker dan gemiddeld personen met een kandidaat-EU-herkomst (14,9%). De categorie van Bedieners van machines en installaties, assembleurs is een relatief kleine beroepsgroep, met slechts 6,0% van alle werkenden. Toch zien we een lichte oververtegenwoordiging van personen met een herkomst uit een kandidaat-EU-lidstaat (11,1%) of uit Noord-Afrika (10,7%).

In de categorie van Elementaire beroepen, waarin voornamelijk ongeschoolde arbeiders terug te vinden zijn, zien we de grootste verschillen tussen enerzijds personen met een Belgische of EU14-herkomst en anderzijds personen met een herkomst van buiten de groep EU14. Daarnaast valt het op dat één vierde van alle personen met EU13-herkomst een job heeft uit de categorie van de elementaire beroepen. Ook voor personen van Noord-Afrikaanse herkomst en herkomst uit Sub-Sahara Afrika gaat het om bijna één op vijf, gevolgd door 18,2% binnen de categorie met een kandidaat-EU-herkomst. Dat staat in schril contrast met de slechts 6,7% personen van Belgische herkomst die een elementair beroep uitoefenen.

Dat laatste wordt ook goed duidelijk wanneer we kijken naar de specifieke samenstelling van de beroepsgroep ‘Elementaire beroepen’, volgens herkomstnationaliteit. Slechts 53,3% van deze beroepsgroep bestaat uit mensen met een Belgische herkomstnationaliteit, terwijl dat gemiddeld genomen over alle werkenden 71,5% bedraagt. Bijna 10 procent van de elementaire beroepen wordt uitgevoerd door iemand met een herkomst uit de EU13 en nog eens bijna 10 procent door iemand van Noord-Afrikaanse herkomst. Dat terwijl beide groepen ongeveer 4% van het totaal aantal werkenden uitmaken (zie Tabel 19 (Tab 7B) in het downloadbaar bestand).

Tabel 5: Beroepscategorie (ISCO-08) per herkomstgroep, gemiddelde cijfers voor 2020-2021-2022

ISCO-08
(Kolompercentages)
België EU14
(excl. België)
EU13 Kandidaat
EU
Andere
Europa
Noord-Afrika Sub-Saharisch
Afrika
Andere Totaal
Managers 8,4% 9,2% 7,0% 6,0% 9,7% 5,6% 3,5% 9,4% 8,3%
Intellectuele, wetenschappelijke en artistieke beroepen 29,3% 29,7% 19,0% 13,7% 25,7% 13,1% 15,0% 20,0% 27,5%
Technici en verwante beroepen 16,0% 14,3% 7,4% 10,0% 14,7% 10,6% 14,1% 10,2% 14,9%
Administratief personeel 13,2% 11,4% 6,7% 10,3% 10,6% 11,3% 14,2% 8,7% 12,4%
Dienstverlenend personeel en verkopers 11,8% 13,6% 7,5% 15,8% 10,6% 18,0% 18,7% 18,9% 12,6%
Ambachtslieden 9,1% 8,6% 19,5% 14,9% 7,4% 10,8% 6,5% 8,4% 9,5%
Bedieners van machines en installaties, assembleurs 5,6% 5,1% 7,5% 11,1% 8,1% 10,7% 8,2% 6,3% 6,0%
Elementaire beroepen 6,7% 8,1% 25,3% 18,2% 13,2% 19,9% 19,7% 18,0% 8,9%
Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100%

Economische activiteit

In dit laatste onderdeel gaan we na in welke economische sectoren de diverse herkomstgroepen over- of ondervertegenwoordigd zijn. In tabel 6 wordt per herkomstgroep de verdeling weergegeven van de verschillende economische sectoren volgens de NACE Rev. 2 classificatie. Daarbij presenteren we de resultaten volgens grootte: we beginnen bij de sector waarin het meeste mensen werken, en presenteren daaropvolgend de kleinere sectoren.

De grootste sector is die van de Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening, waar 15,6% van alle werkenden is tewerkgesteld. Wat meteen opvalt is dat maar liefst één op vier werkenden met een herkomst uit Sub-Saharisch Afrika in deze sector tewerkgesteld is, terwijl dat percentage in elk van de andere herkomstgroepen, uitgezonderd de Belgische, lager ligt dan het gemiddelde.

Voor wat betreft de Groot-en detailhandel zien we niet echt grote verschillen naar herkomstgroep, met uitzondering van de categorie EU13 die er ondervertegenwoordigd is met 6,4% ten opzichte van een gemiddeld aandeel van 12,5% die in deze sector werkt.

Binnen de sector van de Industrie zien we eerder lichte afwijkingen ten opzichte van het gemiddelde percentage dat in de industrie werkzaam is: een lichte oververtegenwoordiging van mensen met een kandidaat-EU-herkomst (16,2%) en een lichte ondervertegenwoordiging van mensen met EU13-herkomst (9,0%) en Sub-Sahara-Afrikaanse herkomst (7,6%).

De sector van het Onderwijs blijkt vooralsnog geen weerspiegeling te vormen van de totale populatie in termen van herkomst. Waar 10,3% van de werkende bevolking actief is binnen het onderwijs gaat het voor de meeste niet-Europese herkomstgroepen om amper de helft van dat percentage of minder. Ook voor personen met een herkomst uit de EU13 ligt het percentage heel laag met 3,8%. Voor personen met een herkomst uit de EU14 ligt het percentage met 9,2% dan weer wel dichter bij dat van de groep met een Belgische herkomst.

Voor de sector Openbaar bestuur en defensie zijn de verschillen minder groot en zien we vooral een ondervertegenwoordiging van de categorieën met EU13- en kandidaat-EU-herkomst. Wat meteen opvalt voor de sector van de Bouwnijverheid is dat het aandeel werkenden met EU13-herkomst ver uitsteekt boven het aandeel van de andere herkomstlanden: 19,5% van de werkenden in die sector is afkomstig uit de EU13. Daarnaast is er ook een oververtegenwoordiging van personen afkomstig uit een kandidaat-EU-lidstaat.

Vrije beroepen maken gemiddeld 6,3% uit van de werkende populatie, maar zijn sterk ondervertegenwoordigd bij alle niet-Europese herkomstgroepen en bij de groep met herkomst uit EU13, waar de aandelen tussen de 2,6% en 3,6% liggen. Exact het omgekeerde zien we dan weer bij de sector van Administratieve en ondersteunende diensten. In de groepen met herkomst uit EU13, een kandidaat-EU-lidstaat en Noord-Afrika werken twee tot drie keer meer mensen in deze sector dan het gemiddelde van 6,0% van de totale werkende populatie.

In de sector van Vervoer en opslag vallen dan weer de hogere percentages op bij de herkomstgroepen Noord-Afrika en Sub-Saharisch Afrika en in iets mindere mate ook de herkomstgroep kandidaat-EU-lidstaat. Voor de overige sectoren gaat het telkens om slechts kleine aantallen, zeker voor de minder grote herkomstgroepen. Toch vermelden we nog het hoge percentage personen van kandidaat-EU-herkomst in de Horecasector (7,2% ten opzichte van gemiddeld 3,1% van het totaal aantal werkenden) en daarnaast de 4,7% met een EU14-herkomst en 7,9% met een EU13-herkomst binnen de sector van Extraterritoriale organisaties en lichamen (ten opzichte van slechts 1,2% totale tewerkstelling in deze sector).

Tabel 6: Economische activiteit (NACE Rev.2) per herkomstgroep, gemiddelde cijfers voor 2020-2021-2022

Nace Rev.2
(Kolompercentages)
België EU14
(excl. België)
EU13 Kandidaat
EU
Andere
Europa
Noord-Afrika Sub-Saharisch
Afrika
Andere Totaal
Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening 16,2% 13,3% 12,4% 8,6% 10,4% 14,7% 26,3% 13,2% 15,6%
Groot- en detailhandel; reparatie van auto's en motorfietsen 12,5% 12,6% 6,4% 13,3% 11,1% 13,8% 11,4% 16,8% 12,5%
Industrie 12,7% 10,9% 9,0% 16,2% 12,4% 11,5% 7,6% 10,7% 12,2%
Onderwijs 11,7% 9,2% 3,8% 4,4% 7,9% 5,7% 4,7% 6,1% 10,3%
Openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen 9,9% 8,0% 3,0% 4,4% 4,8% 7,6% 7,2% 4,9% 9,0%
Bouwnijverheid 6,4% 5,9% 19,5% 11,5% 5,1% 5,0% 3,1% 4,9% 6,7%
Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten 6,6% 7,1% 3,0% 2,7% 9,5% 3,6% 2,6% 6,0% 6,3%
Administratieve en ondersteunende diensten 4,8% 5,7% 17,5% 12,9% 7,3% 12,6% 8,9% 8,2% 6,0%
Vervoer en opslag 5,2% 5,3% 5,7% 9,8% 8,9% 11,3% 11,4% 6,6% 5,7%
Informatie en communicatie 4,3% 5,2% 3,5% 3,3% 6,8% 3,0% 2,6% 5,3% 4,3%
Financiële activiteiten en verzekeringen 3,7% 3,1% 1,6% 2,1% 4,2% 2,1% 3,6% 2,3% 3,4%
Verschaffen van accommodatie en maaltijden (Horeca) 2,3% 4,1% 3,9% 7,2% 3,2% 5,4% 5,5% 9,1% 3,1%
Overige diensten 1,9% 2,7% 2,0% 1,8% 3,0% 1,8% 2,5% 3,0% 2,1%
Kunst, amusement en recreatie 1,6% 2,2% 0,8% 1,1% 1,9% 1,3% 1,8% 1,3% 1,6%
Extraterritoriale organisaties en lichamen 0,4% 4,7% 7,9% 0,7% 3,4% 0,6% 0,8% 1,6% 1,2%
Totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100%

Conclusie

In deze bijdrage probeert Statbel een beeld te schetsen van de arbeidsmarktsituatie van personen naargelang hun herkomst. Zoals gewoonlijk bij officiële statistieken gaat het daarbij om een beschrijving van de realiteit, zonder al te diep in te gaan op de mogelijke verklaringen achter de cijfers. Tegelijk houdt dit ook een zeker risico in voor verkeerde gevolgtrekkingen en interpretaties. We willen dan ook beklemtonen dat de hier gepresenteerde cijfers niet meer zijn dan een foto van een zeer complexe realiteit waar diverse factoren een rol spelen en waar oorzakelijke verbanden niet eenduidig aan te tonen zijn en vaak in verschillende richtingen spelen. Hetgeen we vaststellen in de cijfers is het resultaat van verschillende dynamieken, waar in het bijzonder scholingsgraad, leeftijd, gezinssituatie, talenkennis, etc… vaak achterliggende verklaringen bieden.

We zien deze beschrijvende analyse dan ook eerder als een startpunt voor meer uitgebreide verklarende analyses en wetenschappelijk onderzoek. We zijn ervan overtuigd dat het toevoegen van deze achtergrondvariabele over herkomst aan de Enquête naar de Arbeidskrachten daartoe zal kunnen bijdragen.

 

 


[1] Op de Statbel pagina ‘herkomst’ onder het thema ‘bevolking’ wordt een onderscheid gemaakt tussen de termen ‘herkomst’ en ‘herkomstnationaliteit’ en bijgevolg ook tussen ‘herkomstgroepen’ en ‘herkomstnationaliteitsgroepen’ of groepen van ‘herkomstnationaliteit’. Omwille van de leesbaarheid zal in dit bericht vaak de term herkomstgroep gebruikt worden waar strikt genomen ‘herkomstnationaliteit’ bedoeld wordt.

[2] Omwille van leesbaarheid zal hieronder naar deze groep verwezen worden door over ‘EU14’-herkomst te spreken, ook al is dit dan uitgezonderd de personen met een Belgische herkomst.

[3] Tot deze groep behoren alle landen die op 1/1/2023 officieel het statuut hebben van kandidaat lidstaat, waardoor ook Oekraïne en Bosnië-Herzegovina in deze groep opgenomen zijn. In 2022 (referentiedatum 1 januari 2022) zijn de aantallen echter klein, waardoor deze weinig impact hebben op de totale cijfers van de groep.

[4] Omwille van de leesbaarheid worden geen betrouwbaarheidsintervallen of statistische test opgenomen in dit artikel. Voor de meeste indicatoren zijn betrouwbaarheidsintervallen wel beschikbaar op aanvraag.

[5] Voor de officiële indicatoren per jaar verwijzen we naar de cijfers in de rubriek Werkgelegenheid en Werkloosheid https://statbel.fgov.be/nl/themas/werk-opleiding/arbeidsmarkt/werkgeleg….