Skip navigation

Census 2011

1. Van volkstelling tot Census

België heeft een lange traditie in het organiseren van algemene volks- en woningentellingen. De eerste Belgische volkstelling werd georganiseerd in 1846 op initiatief van Adolphe Quetelet. Tussen de verschillende tellingen lag telkens een periode van ongeveer 10 jaar: 1846, 1856, 1866, 1876, 1880, 1890, 1900, 1910, 1920, 1930, 1947, 1961, 1970, 1981, 1991 en 2001. De volkstelling was niet alleen een telling van de bevolking, maar had ook een socio-economische betekenis en een wetenschappelijke waarde.

Toch was in de beginjaren het administratieve belang van een algemene volkstelling bijzonder groot. Ze diende namelijk om het officiële bevolkingscijfer van elke gemeente te bepalen. Zo is het bevolkingscijfer van een gemeente nog steeds van belang voor het toekennen van subsidies, de bezoldiging van de gemeenteambtenaren en het bepalen van het aantal gemeenteraadsleden en provincieraadsleden, om maar enkele voorbeelden te noemen.

In de jaren tachtig van de twintigste eeuw werd het rijksregister der natuurlijke personen ingevoerd. Door dat bevolkingsregister ging het tellen van de bevolking veel gemakkelijker en konden er sneller bevolkingscijfers gepubliceerd worden. Daardoor verloor de algemene volkstelling zijn administratieve karakter.

In 1991 werd er een volks- en woningentelling georganiseerd waarbij het rijksregister werd gebruikt voor een deel van de variabelen. In 2001 leidde dat zelfs tot een naamsverandering, omdat de bevolking niet meer werd geteld door de “volkstelling” maar door het rijksregister. Vandaar de nieuwe naam “Algemene socio-economische enquête 2001”, afgekort SEE 2001. De SEE 2001 is in feite een inzameling van belangrijke socio-economische gegevens en bestaat uit twee grote delen: kenmerken van de bevolking en het woningenpark. Vanaf 2011 spreken we van Census.

Wat is het nut van een “volkstelling” als ze geen tellend karakter meer heeft?

Zoals hierboven vermeld, hadden de volkstellingen niet alleen een administratief doel, maar ook een socio-economische betekenis en grote wetenschappelijke waarde. De naam is veranderd, maar de verzamelde gegevens blijven van onmisbare waarde.

  • Op beleidsniveau: de statistische informatie kan gebruikt worden om bepaalde politieke beslissingen te nemen.

  • Voor de wetenschappelijke wereld: onder andere universiteiten maken veelvuldig gebruik van gegevens uit de vroegere tellingen en de SEE 2001. Ook voor 2011 is er weer een grote vraag om de Census te organiseren. Het is een bron die bijzonder gedetailleerde informatie levert voor kleine geografische gebieden en kleinere bevolkingsgroepen. Die kan interessante studies opleveren voor bijvoorbeeld sociologisch onderzoek. Kleine deelpopulaties kunnen onmogelijk bestudeerd worden met een kleine steekproef.

  • Voor internationale instellingen: bijvoorbeeld Eurostat, OESO, Verenigde Naties. Dat maakt de vergelijkbaarheid tussen verschillende landen mogelijk.

  • Voor OCMW’s en andere gemeentediensten: zij doen regelmatig studies op basis van gegevens uit de tellingen.

  • Voor privépersonen en ondernemingen: statistische informatie kan helpen om te beslissen in welke buurt van de stad je het best een onderneming opricht. De buurt kan afhangen van het type onderneming.

 

2. Een nieuwe naam, een nieuwe manier van werken

De Census van 2011 zal helemaal anders worden aangepakt dan de vroegere klassieke volkstellingen, waarbij telkens een exhaustieve enquête werd georganiseerd. Een groot deel van de nodige gegevens konden we vroeger alleen weten door het aan de persoon in kwestie te vragen. Nu bevindt er zich echter heel wat informatie in administratieve databanken. Het is dus beter om die administratieve gegevens te gebruiken in plaats van de burger te belasten met een enquête. De volgende administratieve databanken zijn onontbeerlijk voor de Census 2011:

Voor onderwijs zijn er vanaf 2001 heel wat administratieve gegevens beschikbaar. Van mensen die voor 2001 afgestudeerd zijn, is het opleidingsniveau beschikbaar via de SEE 2001.
Verder zullen er een aantal bestaande steekproefenquêtes gebruikt worden om een aantal variabelen die ontbreken in administratieve databanken op te vangen. Schattingsmethodes analoog aan het model dat al jaren in Nederland gebruikt wordt (de virtuele Census), zullen gebruikt worden om de steekproefgegevens met de exhaustieve gegevens te integreren.

Hieronder ziet u een schematisch overzicht van de werkwijze:

Organisatie Census 2011

De verschillende pijlen tonen welke databanken met elkaar gekoppeld moeten worden. Er zijn twee pijlen dikker getekend omdat het in dat geval gaat om meerdere soorten koppelingen tussen de databanken.

Microcensus 2006

De nieuwe manier van werken werd uitgetest door middel van een pilootproject. In 2002 stelde de Hoge Raad voor de Statistiek een universitaire onderzoeksploeg aan om alle potentiële informatiebronnen voor de administratieve census in kaart te brengen. Na drie jaar van wetenschappelijk onderzoek volgde een rapport met die mogelijke gegevensbronnen. Daarna werd het pilootproject Microcensus 2006 gestart, waarbij er al gegevens werden ingezameld en enkele databanken werden uitgetest. Ook dat project duurde nog eens drie jaar en werd eveneens uitgevoerd met de hulp van een universitaire onderzoeksploeg. Op basis van een steekproef van 20% voor de situatie op 1 januari 2006 (halfweg de periode tussen beide volkstellingen) werd duidelijk dat de gegevens uit administratieve bronnen voldoende toereikend waren om in 2011 voor het eerst een administratieve census te organiseren.

3. Uw gegevens zijn in goede handen

Met de nieuwe methode worden verschillende informatiebronnen bij elkaar gebracht. Uiteraard mag de vertrouwelijkheid van de gegevens geen gevaar lopen. Juridische en technische maatregelen zorgen ervoor dat de privacy van de burger wordt gegarandeerd.

Om te beginnen vallen de werknemers van de Algemene Directie Statistiek onder het statistisch geheim. De ambtenaren mogen nooit identificeerbare informatie naar buiten brengen. Zelfs voor niet-identificeerbare individuele informatie is toestemming nodig van de privacycommissie. Alleen anonieme en globale statistieken worden rechtstreeks verspreid.

De administratieve gegevens die de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie gebruikt, zijn allemaal aangevraagd via de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer (privacycommissie). De privacycommissie keurt een dergelijk dossier alleen goed als voor ieder gevraagd gegeven bewezen kan worden dat het onontbeerlijk is in het belang van het project (de gevraagde gegevens moeten in verhouding zijn met de noden van het project) en dat de beveiliging van de gegevens voldoende gegarandeerd is.

Administraties zoals het kadaster leveren gegevens aan de Algemene Directie Statistiek, maar er is nooit een terugstroom van vertrouwelijke informatie naar de administratie. Het gaat als het ware om een soort van eenrichtingsverkeer. Als de Algemene Directie Statistiek een fout ontdekt in administratieve gegevens, mag dat niet op individueel niveau teruggekoppeld worden aan de administratie. Dat moet ervoor zorgen dat er geen enkel negatief gevolg is voor de burger. Voorbeeld: wanneer een niet aangegeven verbouwing ontdekt wordt door het koppelen van administratieve gegevens met enquêtegegevens, zal dat geen fiscale gevolgen hebben voor de burger.

Het spreekt voor zich dat niet meer personen dan strikt noodzakelijk toegang hebben tot de censusgegevens. Dus alleen de personen van het censusteam hebben toegang tot een aantal van die gegevens en zeker niet alle ambtenaren van de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. De technische beveiliging van het databasesysteem en het informaticanetwerk is zeer streng.

Verder is er een algemene procedure voor het toekennen van toegang. Die procedure wordt ook regelmatig herhaald voor de mensen die al toegang hebben tot bepaalde gegevens, zodat er zeker niemand tabellen kan inkijken die hij niet strikt nodig heeft voor zijn werk. Er bestaat eveneens een systeem van logging, waarbij de genomen acties bij het consulteren van gegevens worden opgeslagen. In het datawarehousesysteem kan van iedere ambtenaar worden gezien welke gegevens hij heeft gebruikt.

De Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie heeft in het verleden al aangetoond dat statistische gegevens steeds met de grootste bescherming voor de privacy worden behandeld.

4. De voordelen van de nieuwe methode

De manier waarop de Census in 2011 georganiseerd wordt (gebaseerd op administratieve databanken), heeft een aantal voordelen tegenover een klassieke enquête. Hieronder zijn daarvan een aantal voorbeelden opgesomd:

Algemeen

  • De kostprijs van een administratieve census is veel lager dan van een traditionele census. Er moeten geen enquêteurs meer op pad gaan en papieren versies moeten niet meer verwerkt worden. Door het gebruik van het rijksregister en een enquête met de post was de kostprijs in 2001 al gehalveerd. Nu zo goed als alle gegevens uit administratieve bestanden zullen komen, zullen de kosten voor de 2011-ronde nog veel lager liggen. De kostprijs zal echter nog veel meer dalen in de toekomst omdat er nu nog veel tijd moet worden uitgetrokken voor het aanmaken van kwaliteitsvolle databanken.

  • Het is duidelijk dat er ook veel minder papier nodig is voor de administratieve Census.

  • De last bij de burgers valt weg. Waarom het aan de mensen vragen als de gegevens al bestaan in databanken? Het is duidelijk dat in het kader van de administratieve vereenvoudiging het steeds moeilijker werd om nog een traditionele census te verdedigen. In 2000 besloot de regering dan ook om in 2001 voor het laatst een exhaustieve enquête te organiseren en op zoek te gaan naar alternatieven om de burger minder te belasten.

  • Longitudinale bestanden
    In tegenstelling tot de Algemene socio- economische enquête 2001 (SEE 2001), die een momentopname was (behalve het stuk rijksregister), zijn er voor de Census 2011 een aantal bronbestanden met historische gegevens:

    • Rijksregister

    • Woningenbestand

    • Onderwijsgegevens

    • KBO / DBRIS

Het zal dus mogelijk zijn om de evolutie van bepaalde gegevens te bestuderen. Op termijn is een retrospectieve benadering van de gegevens mogelijk.

  • Relationele data
    Er zijn verschillende ingangen om gegevens met elkaar te koppelen. Zo kan bijvoorbeeld de patrimoniumdocumentatie worden gekoppeld aan DBRIS (dikkere pijl op de figuur). Dat kan via het liggingadres van het goed. Op die manier kan de bestemming van het pand worden afgeleid. Anderzijds kunnen de twee bestanden ook aan elkaar gekoppeld worden via de eigenaar van het pand, als de eigenaar een onderneming is. Die koppeling heeft een andere betekenis: er kan worden bepaald wie eigenaar is van een bepaald pand via zijn onderneming.
    Die verschillende ingangen openen een zee van mogelijkheden.

  • Mogelijkheid tot een eventuele verhoogde frequentie van de Census. Eenmaal het nieuwe systeem volledig op punt staat, zullen er veel vlugger resultaten beschikbaar zijn. 

  • Beschikbaarheid van geografische coördinaten:
    Het wordt gemakkelijker om gegevens op kaarten voor te stellen. Berekeningen met aangepaste software (bv. routeplanner) zijn mogelijk. Subjectieve vragen van vroeger worden vervangen door objectieve criteria.

  • Er is geen risico meer dat de vraag verkeerd begrepen wordt of dat iemand foutief antwoordt. Er zal geen verwarring meer zijn tussen bepaalde begrippen zoals dat was in de vragenlijst van 2001. Respondenten worden niet gedwongen om een bepaalde antwoordcategorie te kiezen (zie verder voor enkele voorbeelden).

  • Geen problemen bij het coderen van de gegevens (bv. NACE-codes)

Woningenbestand

  • Niet meer door elkaar gebruiken van de begrippen huishoudens, woningen en gebouwen. In de SEE 2001 was een huishouden bijvoorbeeld gelijk aan een woning. Toch bestond de vraag of de respondenten sommige woonvertrekken deelden met andere huishoudens, wat volgens het vooropgestelde principe onmogelijk is.

  • Het aantal verdiepingen van het gebouw waarin men woont, zal correcter zijn. Tijdens de SEE 2001 telde de ene persoon de gelijkvloerse verdieping mee, de andere niet. Dat was vooral te merken doordat huishoudens wonend op hetzelfde adres verschillende antwoorden gaven.

  • De bestemming van het pand is veel gedetailleerder aan de hand van databanken. We kunnen niet alleen zeggen of een pand nog een andere bestemming heeft dan huisvesting; we kunnen ook in detail zeggen of respondenten bijvoorbeeld  boven een café wonen, een bakkerij enzovoort. De gegevens van DBRIS (of KBO) kunnen met het woningenbestand gekoppeld worden.

  • De gegevens over het bouwjaar en eventuele verbouwingen zullen in het woningenbestand veel correcter zijn dan in de SEE 2001. Vooral huurders weten niet altijd goed wanneer “hun” woning werd gebouwd. Verder zal het jaartal gekend zijn, het zal meestal niet meer gaan om categorieën van jaartallen.

  • Eigenaar van de woning: aangezien de missie van de Patrimoniumdocumentatie juist is om de eigenaars van een onroerend goed te belasten, zijn de gegevens over eigendomsrechten (afkomstig van de Patrimoniumdocumentatie) per definitie de officiële en correcte gegevens. Ze zijn veel objectiever dan de antwoorden op de censusvragen in 2001. Verder zijn de gegevens ook veel nauwkeuriger en gedetailleerder. Heel wat zaken zijn hier mogelijk die voordien niet mogelijk waren.

    • Al de verschillende soorten van beschikkingsrecht en genotrecht (bv. vruchtgebruik) kunnen in kaart worden gebracht.

    • We kunnen zien voor welk percentage iemand eigenaar is van het pand, hoeveel rechthebbenden er zijn, enzovoort.

    • We kunnen het onderscheid zien tussen directe eigenaars en eigenaars die het pand bezitten via hun onderneming.

  • Niet alleen bewoonde panden maar ook leegstaande woningen en woningen voor secundair gebruik zullen in het woningenbestand voorkomen. Dat was niet het geval in 2001.

Demografie

  • Er bestaat de mogelijkheid om leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers aan te maken zonder vertraging, in tegenstelling tot de soms jaren achterstand voor de cijfers gebaseerd op de geboortecertificaten.

Onderwijs

  • Niet alleen het hoogste diploma is beschikbaar.
    Het hoogste diploma is niet altijd gelijk aan het laatste diploma. Longitudinale studies zullen mogelijk zijn.

  • Voor Vlaanderen is zeer gedetailleerde informatie beschikbaar via de variabele administratieve groep.

  • Veel minder kans op fouten. Mensen antwoordden in 2001 bijvoorbeeld dat ze een hoger diploma hadden, terwijl ze nog aan het studeren waren (ze verwarden de richting die ze volgden met hun onderwijsniveau). Dat komt tot uiting wanneer gegevens uit databanken vergeleken worden met de antwoorden uit de SEE 2001.

Arbeidsmarkt en sociale zekerheid

  • Veel objectiever dan in 2001. Mensen werden in 2001 gedwongen om een antwoordcategorie te kiezen (bijvoorbeeld student, werkend, met pensioen, enzovoort) terwijl je in werkelijkheid met pensioen kan zijn en ook nog kan werken. Met de gegevens uit KSZ wordt dat opgelost en kunnen de verschillende mogelijke combinaties in kaart worden gebracht.

5. Resultaten en gebruik

De resultaten van de Census zullen opgeslagen worden in een datawarehousesysteem, waardoor de verspreiding van resultaten gemakkelijker moet worden. Ook moderne manieren van verspreiding doen hun intrede, zoals webservices en dynamische tabellen op onze website (be.STAT).

Uiteraard zullen er gegevens beschikbaar gesteld worden aan Eurostat, maar daarnaast zullen er nog extra tabellen voorhanden zijn voor alle censusgebruikers. Politici, overheidsinstellingen, ondernemingen, universiteiten, studenten, privépersonen, enzovoort zullen allemaal de censusgegevens kunnen gebruiken. Die zullen verkrijgbaar zijn als globale en anonieme tabellen. Daarnaast kunnen erkende instellingen individuele gecodeerde gegevens aanvragen voor wetenschappelijk onderzoek door een aanvraag in te dienen bij het Statistisch Toezichtscomité.

Het is de eerste keer dat België de Census organiseert op basis van administratieve gegevens. Bij de opstartfase is er wat meer werk, aangezien de administratieve gegevens voor het eerst moeten worden klaargemaakt voor statistische doeleinden.    Wanneer het nieuwe systeem volledig operationeel is, zullen we veel sneller statistieken kunnen publiceren (niet meer te vergelijken met een traditionele census) en bovendien zouden we de Census met een grotere frequentie kunnen organiseren.

6. En Europa?

2011 is het eerste censusjaar dat gebonden is aan een Europese verordening. De Europese verordening 763/2008 van 9 juli 2008 verplicht ons namelijk om minstens tienjaarlijks een census te organiseren. Vroeger bestond er alleen een gentleman’s agreement dat niet bindend was. Voor deze census heeft België als referentiedatum 1/01/2011 gekozen.

Samen met de Europese verordening zijn er een aantal commissiereglementen die meer details geven over de behoeften van Europa. Enerzijds wordt er bepaald wat de definities van de variabelen moeten zijn. Die definities zijn gebaseerd op de aanbevelingen van de Verenigde Naties. Daarnaast ligt het minimum vereiste niveau van detail vast. Er wordt bepaald welke kruistabellen zeker voorhanden moeten zijn en er wordt ook gevraagd naar een kwaliteitsrapport. De Europese verordening is volledig outputgericht, wat betekent dat er bepaald wordt welke gegevens zeker beschikbaar moeten zijn. De reglementering zorgt ervoor dat de census internationaal vergelijkbaar wordt, wat zeker een goede zaak is. Er wordt echter geen bepaalde methode opgedrongen om de census te organiseren.

Het spreekt voor zich dat de informatie in de Belgische census een stuk uitgebreider zal zijn dan wat Europa ons verplicht. We hebben een studie uitgevoerd naar de behoeften van de censusgebruikers. Op basis daarvan hebben we een selectie gemaakt van de gegevens die zullen worden opgenomen in de Census.