Sinds het midden van de negentiende eeuw organiseert de Belgische overheid zowat om de tien jaar een grootscheepse volkstelling. Alleen in enkele gevallen werd deze regelmaat verstoord, onder meer door de Tweede Wereldoorlog en de nasleep ervan. De bedoeling van volkstellingen was en is een grondige kennis te krijgen van de kenmerken van de bevolking van ons land. Daarnaast leveren deze tellingen een brede waaier van socio-economische gegevens met betrekking tot de bevolking, de huishoudens en de huisvesting. Ze vormen een onmisbare bron van gegevens, in het bijzonder voor het beleid en het wetenschappelijk onderzoek. De censusgegevens worden onder meer gevraagd door de Europese Unie.
De telling van 2001 streefde dezelfde doelstelling na, maar is om meer dan één reden verschillend van de vorige. De naam “algemene sociaal-economische enquête 2001” (afgekort: SEE 2001) duidt erop dat het niet meer in de eerste plaats de bedoeling was de bevolking simpelweg te “tellen” (bijvoorbeeld om het aantal parlementszetels per arrondissement te berekenen). Het bevolkingsaantal wordt immers sinds 1989 door het Rijksregister bepaald. In de SEE 2001 ligt de nadruk meer dan voorheen op het verzamelen van demografische en sociaal-economische kenmerken van de bevolking, waaronder opleiding, bewoning en mobiliteit. Het gaat meestal om gegevens die elders niet beschikbaar zijn, zeker niet op een zo volledig en fijnschalig niveau. Voor het eerst werd er niet alleen naar feitelijke informatie maar ook naar meningen gevraagd, zoals het gezondheidsaanvoelen en de opinie over de kwaliteit van de leefomgeving. Dit verhoogt de rijkdom van de verzamelde informatie die nog beter in een internationale context kan worden geplaatst.
De tienjaarlijkse algemene dataverzameling levert een nog steeds unieke en onvervangbare bron van informatie over de Belgische bevolking. Dit niet alleen door de omvang van de gelijktijdig verzamelde informatie maar vooral door de mogelijkheid de gegevens onderling met elkaar in verband te brengen. De SEE 2001 is van uitzonderlijke betekenis voor alle regionale analyses. Haar gegevens zijn immers beschikbaar voor alle administratieve eenheden tot op het niveau van de gemeenten en veelal zelfs tot op dat van de buurten.
Het valt dan ook te betreuren dat de SEE 2001 de inzet is geweest van een polemiek over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de pers en in een aantal politieke middens. Dit heeft er helaas toe geleid dat een aantal respondenten hun vragenlijst onvolledig, onzorgvuldig of zelfs niet hebben ingevuld.
Ook de beperking van de enquête tot de wettelijk in het rijksregister geregistreerde bevolking is betreurenswaardig, in het bijzonder voor het onderzoek van de grote steden. Budgetbeperkingen leidden er verder toe dat de vragenlijsten niet zoals in het verleden met de hulp van enquêteurs werden beantwoord. Ze werden door de post bezorgd en moesten persoonlijk teruggestuurd worden. Dit leidde, vooral bij sociaal zwakkere groepen, tot een kwaliteitsverlies in de antwoorden. Budgetbeperkingen hadden ook een weerslag op de voorbereiding van de bevolking op de enquête en later op de kwaliteit van de verwerking van de gegevens. In de monografieën wordt ook aandacht besteed aan de volledigheid en de kwaliteit van de gegevens.
Toch kende de SEE 2001 over het algemeen een goede medewerking van de bevolking. Ruim 95% van de formulieren werden ingestuurd, wat zonder meer als een succes kan worden beschouwd. Dankzij de hoge respons konden de gewenste belangrijke analyses worden uitgevoerd. Onderzoek kon worden verricht naar de recente sociaal-economische en demografische ontwikkelingen in ons land. Voor de eerste keer was het ook mogelijk om het gezondheidsaanvoelen en de opinies over de kwaliteit van de woonomgeving te analyseren, wat een nieuwe dimensie geeft aan de huidige stand van de kennis.
De organisatie van deze enquête biedt de mogelijkheid informatie te verstrekken die zeer nuttig is voor vele "klanten". Ook zullen de vooropgestelde objectieven uit de Regeringsverklaring van 14 juli 1999 kunnen worden bereikt, zowel op het vlak van de sociale integratie en van de sociale economie, het beleid voor de grote steden en de administratieve vereenvoudiging als op het vlak van de kwaliteit van het wetenschappelijk werk dat de politieke beslissingen kracht bijzet. De "klanten" zijn ondermeer de volgende:
De beleidsautoriteiten op alle machtsniveaus
Zowel de federale, de regionale als de gemeentelijke overheid zijn afnemers van de resultaten van de Algemene socio-economische enquête. Zij vormen een richtsnoer bij het stellen van prioriteiten en in de besluitvorming rond het beheer van de infrastructuur, de toewijzing van begrotingsmiddelen, enz.
De internationale instellingen
In het internationaal recht vormt de Algemene socio-economische enquête 2001 het onderwerp van een "Overeenkomst omtrent de richtlijnen voor het programma van de volks- en woningtellingen in 2001". Deze overeenkomst is niet dwingend vanuit juridisch oogpunt, maar vormt een officiële en gezamenlijke aanbeveling van de communautaire en nationale autoriteiten.
De wetenschappelijke wereld
De informatie verzameld via de Algemene socio-economische enquête vormt een ongeëvenaarde gegevensbank voor het onderzoek. Zij vormt het basismateriaal voor statistische analyses en studies over demografische, sociale en beroepseigenschappen van de bevolking en over woonmilieu en mobiliteit. Specialisten uit de universiteiten hebben de gegevens van de telling in 1991 systematisch geëxploiteerd, wat leidde tot de uitgave van een reeks monografieën in samenwerking met de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie en gefinancierd door de POD Wetenschapbeleid.
Grote en kleine ondernemingen en privé-personen
Een hele reeks privé-ondernemingen interesseren zich voor de socio-economische en professionele karakteristieken van de bevolking van een bepaalde streek en voor de eigenschappen van hun woningen. Kennis over al deze aspecten is voor deze bedrijven een belangrijke troef bij de keuze van nieuwe vestigingsplaatsen en de omschrijving van doelgroepen. Wat de vestigingsplaatsen betreft kan dat gaan van een carwash tot een pas afgestudeerde dokter of advocaat die zich wil vestigen in een wijk waar zijn beroep ondervertegenwoordigd is. Dergelijke vragen om informatie zijn geografisch zo gedetailleerd dat enkel een exhaustieve enquête betrouwbare antwoorden biedt.
De Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie krijgt jaarlijks ongeveer 1.500 (of 6 per werkdag) specifieke vragen voor exploitatie van gegevens op aanvraag van privé-personen.
Zonder een enquête van die aard zou men niet tegemoet kunnen komen aan het merendeel van de gegevensaanvragen. De meeste gegevens die aan internationale instellingen moeten worden bezorgd (zoals bepaald in de overeenkomst tussen de communautaire en nationale statistische overheden van de Europese Unie) kunnen niet geleverd worden zonder de organisatie van een dergelijke enquête omdat zij niet geput kunnen worden uit bestaande gegevensbronnen. Het betreft alle statistische informatie over:
De woningen
De Europese overeenkomst verwijst in het bijzonder naar informatie over woningen. Op dat gebied is er geen betrouwbare informatie te vinden in de bestaande bestanden. De gegevens van het Kadaster zijn niet voldoende, aangezien ze opgemaakt zijn per eigenaar en per kadastrale indeling, terwijl de enquête 2001 de karakteristieken van de woningen onderzoekt door de bewoners te ondervragen. Anderzijds is het Kadaster vaak niet op de hoogte van wijzigingen in de bestemming van gebouwen.
De werkplaats
De gegevens in de registers van de sociale zekerheid worden opgemaakt in functie van de bedrijfszetel van de aangever en geven onvoldoende informatie over de reële werkplaats (de werkelijke werkplaats zou beschikbaar kunnen zijn via de sociale zekerheidsbestanden indien een aanpassing wordt gemaakt aan het statistisch luik dat ondernemingen jaarlijks moeten invullen; wanneer deze informatie beschikbaar zou zijn, zou regelmatig informatie over mobiliteit - woon-werkverplaatsing - beschikbaar zijn).
Het opleidingsniveau
Uit de bestanden van de Gemeenschappen, de universiteiten en hogescholen kan men een aantal inlichtingen putten over het gevolgde onderwijs. Aangezien deze gegevens echter jaarlijks gewist worden, kan men er niet de structuur van de bevolking vanuit het oogpunt van het onderwijsniveau uit afleiden.
Daarnaast is de organisatie van een dergelijke enquête onontbeerlijk om te beantwoorden aan de nationale vraag naar informatie over:
De mobiliteit
Rekening houdend met de economische structuur en de grootte van het land en met de omvang van de dagelijkse pendel naar Brussel, is de informatie over de woon/werk- of woon/school-mobiliteit van levensbelang voor het overheidsbeleid in België. Deze informatie wordt duurzaam en gedetailleerd verkregen uit de klassieke volkstellingen; de enquête 2001 zal aldus op haar beurt deze informatie voor de ganse bevolking verzamelen.
De vruchtbaarheid
De inlichtingen in het Rijksregister bevatten het aantal kinderen in het huishouden, maar bieden geen precies inzicht in het totale aantal kinderen per vrouw (er is geen informatie over het aantal kinderen dat het huishouden verlaten heeft).
De Europese overeenkomst bepaalt dat de verzamelmethode de principes van universaliteit, exhaustiviteit (volledigheid) en simultaneïteit (gelijktijdigheid) moet respecteren, en dat bepaalde resultaten ook moeten geleverd worden tot op het gemeentelijke niveau (NUTS 5). Een methodologische studie heeft aangetoond dat minstens 25% van de bevolking ondervraagd moet worden om betrouwbare gegevens tot op dit niveau te kunnen geven.
De andere gebruikers - beleidsmensen, wetenschappelijke onderzoekers, bedrijven en burgers - interesseren zich eveneens in resultaten die betrekking hebben op kleinere geografische eenheden, zoals de statistische sectoren (die min of meer overeenkomen met de buurten). Alleen een onderzoek dat slaat op het geheel van de bevolking maakt het mogelijk om valabele gegevens te verschaffen tot op dergelijk geografisch niveau.
Zowel omwille van de aard van de informatie als omwille van de geografische schaal (de statistische sectoren) waarop de diverse gegevens beschikbaar zijn, is deze enquête 2001 een onvervangbaar instrument voor het stedelijk beleid. De cartografie en de analyse van de gegevens op het vlak van huisvesting, mobiliteit of plaats van tewerkstelling - om ons tot deze drie te beperken - bepalen in ruime mate het beleid van de plaatselijke en gewestelijke beleidsleiders.
Meerdere aanvullende studies die ruimschoots gebruik maken van gegevens (op niveau van de statistische sectoren) die ingezameld werden bij de voorgaande tellingen worden in het Vlaams Gewest aangewend. Dit gebeurt onder meer om de verdeling van de middelen, te gebruiken voor de uitvoering van plaatselijke en gewestelijke beleidslijnen, te staven en te oriënteren (voorbeeld het Sociaal Impulsfonds). Bovendien maken de plaatselijke overheden gebruik van de tellinggegevens om het stedelijk beleid degelijk af te bakenen. De omvang van steden als Gent en Antwerpen maakt een opsplitsing in buurten of statistische sectoren noodzakelijk. Iedere buurt heeft immers haar eigen eigenschappen en daarmee ook haar eigen problematiek.
In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, een stadsgewest, dient een dergelijke enquête voor het opmaken van strategische documenten, zoals de gewestelijke of de gemeentelijke ontwikkelingsplannen. De afbakening van de interventieperimeter in het kader van het Europese interventieprogramma "Objectief II" zou ongetwijfeld minder betrouwbaar zijn zonder de gegevens van de telling.
Ook in het Waals Gewest oriënteren de door middel van de tellingen ingezamelde gegevens de politieke beleidslijnen, of het nu gaat om de gewestelijke bestemmingsplannen of om de plaatselijke en gewestelijke strategische plannen (zoals het Ontwikkelingsschema van de Gewestelijke Ruimte of de afbakening van bevoorrechte initiatiefgebieden).
Al deze factoren tonen aan dat een dergelijke enquête noodzakelijk en verrijkend is voor de globale beleidsvoering op het vlak van ruimtelijke ordening, huisvesting of economische en sociale acties in een stedelijk milieu.