De vierjaarlijkse enquête naar de arbeidskosten beantwoordt aan de statistische noden van de Europese Commissie zoals bepaald in Verordening (EG) 530/1999 van de Raad van 9 maart 1999 en in Verordening (EG) 1737/2005 van de Commissie van 21 oktober 2005. De vierjaarlijkse enquête is gebaseerd op een steekproef getrokken uit lokale eenheden van ondernemingen met minstens 10 werknemers. De gegevens werden ingezameld volgens de activiteit en het gewest van de lokale eenheid en de grootteklasse van de onderneming waartoe de betrokken lokale eenheid behoort.
De onderzochte populatie bestaat uit lokale eenheden. Enkel de vestigingen die actief zijn in de NACE rev. 1 secties C tot K en M tot O en die behoren tot ondernemingen met minstens tien werknemers, worden in deze statistiek geanalyseerd.
Er wordt gebruik gemaakt van de beschikbare RSZ(PPO)-gegevens en gegevens van de NBB. Voor de vragen waarbij deze gegevens niet beschikbaar zijn, wordt er gebruik gemaakt van enquêtes bij de lokale eenheden van de ondernemingen met minstens 10 werknemers.
De enquêtes worden verstuurd naar de ondernemingen. Hierbij wordt er gebruik gemaakt van 2 types van enquête formulieren. Het verkorte formulier, voor ondernemingen met activiteitscode C tot K en een compleet formulier voor ondernemingen met activiteitscode M tot O. De reden daarvoor is dat een aantal gegevens van de ondernemingen die een verkort formulier moeten invullen reeds beschikbaar zijn bij de RSZ en de NBB.
De responsgraad van de enquête naar de arbeidskosten ligt rond de 80%. In 2004 was het uitzonderlijk maar 66,5%. Dit komt doordat vanaf 2004, 3 nieuwe sectoren moesten worden onderzocht.
De enquête naar de arbeidskosten wordt om de 4 jaar gehouden.
De resultaten van 2008 moeten tegen juni 2010 worden geleverd aan Eurostat. Eind november 2010 zullen de resultaten beschikbaar zijn voor het grote publiek.